1 Corinthiërs 3:1-4
I. Paulus bestraft de Corinthiërs om hun zwakheid en achterlijkheid. Zij, die geheiligd werden, zijn dat slechts in beginsel, er is gelegenheid om te wassen beide in genade en in kennis, 2 Petrus 3:18. Zij, die door de goddelijke genade vernieuwd zijn tot een geestelijk leven, zijn nog in vele opzichten gebrekkig. De apostel zegt hun, dat hij tot hen niet kon spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus, vers 1. Zij waren er zover vandaan dat ze hun beginselen en daden zouden gronden op de goddelijke openbaring en hun kennis van den geest des Evangelies, dat het al te duidelijk was dat ze nog stonden onder de macht van vleselijke en bedorven neigingen. Zij waren nog slechts jonge kinderen in Christus. Zij hadden sommige van de eerste beginselen des Christendoms ontvangen, maar ze waren niet gewassen tot rijpheid in het verstaan daarvan, of in geloof en heiligheid, en niettemin blijkt duidelijk uit verscheidene gedeelten van dezen brief, dat de Corinthiërs zeer trots waren op hun wijsheid en kennis. Let op: Het is een zeer gewoon verschijnsel dat personen van zeer middelmatige kennis en verstand een grote mate van zelfwaardering hebben. De apostel wijst hun geringe vorderingen in de kennis des Christendoms aan als de reden waarom hij hun niet meer van de diepten des Evangelies had meegedeeld. Zij konden zulk voedsel niet verdragen, ze hadden melk van node en niet vaste spijs, vers 2. Het is de plicht van een getrouw dienaar van Christus om het vermogen van zijn hoorders te onderzoeken en hen zoveel te leren als ze kunnen dragen. Maar toch behoren zuigelingen op te groeien tot volwassenen, en jonge kinderen in Christus moeten gestalte verkrijgen en mannen in Christus worden. Men mag verwachten dat hun vorderingen in kennis evenredig zijn en aan hun vermogen en gelegenheid en aan den tijd van hun nieuwe leven, zodat ze bekwaam worden om mededeling van de diepten van den godsdienst te verstaan en niet altijd bij de eerste beginselen blijven. Het was een verwijt voor de Corinthiërs dat ze zolang de bediening van Paulus genoten hadden en niet meer vorderingen in Christelijke kennis gemaakt hadden. Christenen zijn ten strengste te bestraffen indien ze niet trachten te groeien in genade en kennis.
II. Hij bestraft hen om hun vleselijke gezindheid en noemt als gevolg daarvan hun twistgierigheid en onenigheid ten opzichte hunner dienaren. Want gij zijt nog vleselijk. Want dewijl onder u nijd is en twist, en tweedracht, zijt gij niet vleselijk en wandelt gij niet naar den mens? vers 3. Er waren nijdigheid en twist en tweedracht onder hen over hun dienaren, want de een zegt: Ik ben van Paulus, en een ander: Ik van Apollos! vers 4. Dat waren bewijzen van hun vleselijke gezindheid, vleselijke belangen en neigingen heersten over hen. Merk op: Twisten en tweedracht over den godsdienst zijn sterke bewijzen voor overgebleven vleselijke gezindheid. De ware godsdienst maakt ons vreedzaam en niet twistziek. Scheurmakers handelen naar menselijke beginselen, en niet naar de beginselen van den waren godsdienst, zij worden geleid door hun eigen hoogmoed en hartstochten, en niet door de regelen des Christendoms. Wandelt gij niet naar den mens? Het is te betreuren dat zo velen, die behoorden te wandelen als Christenen, dat is, boven den gewonen maatstaf der mensen, inderdaad wandelen, leven en handelen als de andere mensen.