Mattheus 17:14-21
Wij hebben hier de wonderdadige genezing van een maanziek kind, dat daarbij nog door een duivel was bezeten.
I. De vader van dit kind geeft aan Christus een treurige beschrijving van zijn toestand. Het voorval had plaats onmiddellijk nadat Christus van den berg was afgekomen, waar Hij verheerlijkt was. Christus' verhoging en heerlijkheid maken Hem niet minder indachtig aan ons en onze behoeften en ellende. Toen Christus neerkwam van den berg, waar Hij in gesprek was geweest met Mozes en Elias, heeft Hij geen afwerende statigheid aangenomen, maar was even toegankelijk, even bereidwillig voor arme smekelingen en even vertrouwelijk met de schare als ooit tevoren. De bede van dezen armen man was zeer dringend, hij viel voor Hem op de knieën. De bewustheid van nood en ellende brengt de mensen op de knieën. Zij, die hun behoefte aan Christus inzien, zullen dringend en vurig zijn in hun smekingen tot Hem, en Hij schept er behagen in, dat men aldus met Hem worstelt. De vader van het kind klaagt over twee dingen.
1. De treurige toestand van zijn kind, vers 15, Heere, ontferm U over mijn zoon. Het kan niet anders of door de ellende der kinderen zal het medelijden der ouders worden opgewekt, want zij maken deel uit van hen zelven. En de toestand van ongelukkige kinderen behoort door gelovig en vurig gebed Gode te worden voorgelegd. De ziekte van dit kind heeft hem waarschijnlijk belet om zelf te bidden. Ouders zijn dubbel verplicht voor hun kinderen te bidden, niet slechts voor de zwakken, die het zelf niet kunnen, maar nog veel meer voor de slechten, die het zelf niet willen. Nu was de aard der ziekte van dit kind zeer treurig, hij was maanziek en in zwaar lijden. Een maanzieke is eigenlijk iemand, wiens ziekte schuilt in de hersenen, en met de veranderingen der maan opkomt. De duivel heeft, onder de toelating Gods, of die ziekte teweeggebracht, of er op gewerkt om haar nog te verzwaren. Het kind had vallende ziekte, en daar had Satan de hand in, daardoor kwelde hij hem en maakte hij de ziekte nog erger dan zij gewoonlijk is. Als Satan bezit kreeg van mensen, kwelde hij hen met krankheden, die het meest op de geestvermogens werken, want het is de ziel, die hij wil verderven. In zijne klacht zei de vader: Hij is maanziek, lettende op de uitwerking der ziekte, maar bij de genezing heeft Christus den duivel bestraft, en aldus de oorzaak aangetoond en getroffen. Aldus handelt Hij in geestelijke genezingen. De uitwerkselen der ziekte waren uiterst treurig: menigmaal valt hij in het vuur, en menigmaal in het water. Deed de kracht der ziekte hem vallen, de boosheid van den duivel veroorzaakte, dat hij in vuur of water viel, zo kwaaddoende is hij, als hij macht heeft over een ziel. Hij zoekt te verslinden. 1 Petrus 5:8.
2. De teleurstelling in zijne verwachting van de discipelen, vers 16. Ik heb hem tot Uwe discipelen gebracht, en zij hebben hem niet kunnen genezen. Christus heeft Zijn discipelen macht gegeven om duivelen uit te werpen, Hoofdstuk 10:1, 8, en hierin waren zij voorspoedig, Lukas 10:17, maar op dat tijdstip hebben zij gefaald in hun werk, hoewel zij met hun negenen waren, en in tegenwoordigheid van een grote schare. Christus heeft dit toegelaten.
a. Om hen nederig te houden en hun afhankelijkheid van Hem te tonen, en hoe zij zonder Hem niets konden doen.
b. Om zich zelven en Zijne macht te verheerlijken. Het is tot eer van Christus om met hulp en bijstand te komen in een ogenblik van verlegenheid en benauwdheid, als niemand anders helpen kan. Eliza's staf in Gehazi's hand zal het kind niet van de doden opwekken, hij moet zelf komen. Er zijn bijzondere gunstbewijzen, die Christus zich voorbehoudt zelf te verlenen, en soms houdt Hij de waterbakken ledig, opdat wij tot Hem zullen komen, die de fontein is. Maar het falen der werktuigen zal de werkingen Zijner genade niet tegenhouden, zij zal werken, indien niet door hen, dan zonder hen.
II. Christus' bestraffing eerst van het volk en toen van den duivel.
1. Hij berispte de Hem omringenden, vers 17.
O ongelovig en verkeerd geslacht! Dit wordt niet gezegd tot de discipelen, maar tot het volk, wellicht inzonderheid tot de schriftgeleerden, van wie melding. wordt gemaakt in Markus 9:14, en die, naar het schijnt, de discipelen hoonden en bespotten, omdat er nu dan toch een geval te moeilijk voor hen bleek. Christus zelf kon niet vele krachten doen onder een volk, in hetwelk ongeloof heerste. Het was hier de schuld van het ongeloof van dit geslacht, dat zij deze zegeningen van God niet konden verkrijgen, die anders hun deel zouden geweest zijn, en het lag aan de zwakheid van het geloof der discipelen, dat zij die werken voor God niet konden doen, die zij anders gedaan zouden hebben. Zij waren ongelovig en verkeerd. Wie ongelovig is, zal ook verkeerd zijn, en verkeerdheid is zonde in haar ergste kleuren. Geloof is onderwerping aan God, ongeloof is tegenstand en tegenspreken van God. Israël vanouds was verkeerd, omdat zij ongelovig waren, een verkeerd geslacht, kinderen in welke geen trouw is, Deuteronomium 32:20. Om twee dingen bestraft Hij hen:
a. Zijn langdurige tegenwoordigheid onder hen: Hoe lang zal Ik nog met ulieden zijn? Zult gij altijd Mijn lichamelijke tegenwoordigheid be- hoeven, en nooit tot zodanig ene rijpheid komen, als die u geschikt maakt om overgelaten te worden, het volk aan de leiding der discipelen, en de discipelen aan de leiding des Geestes en aan hun roeping? Moet het kind altijd worden gedragen, en zal het nooit leren alleen lopen?
b. Zijn langdurig geduld met hen: Hoe lang zal Ik u nog verdragen? Het ongeloof en de verkeerdheid van hen, die van de middelen der genade genieten, zijn een grote smart voor den Heere Jezus. Aldus heeft Hij Israël's zeden vanouds verdragen, Handelingen 13:18. Hoe langer Christus een verkeerd en ongelovig volk heeft verdragen, hoe meer hun verkeerdheid en hun ongeloof Hem mishagen, en Hij is God en geen mens, anders zou Hij niet zo lang noch zo veel verdragen als Hij verdraagt.
2. Hij genas het kind. Brengt hem Mij hier, riep Hij. Hoewel het volk verkeerd en Christus getergd was, toch werd zorggedragen voor het kind. Christus kan wel toornig, maar nooit onvriendelijk zijn, ook als Zijn grootste ongenoegen is gaande gemaakt, sluit Hij Zijn hart niet toe voor de ellendigen. Brengt hem Mij hier. Als alle hulp faalt, zijn wij welkom aan Christus, en kunnen wij op Zijne macht en goedheid betrouwen. Zie hier een zinnebeeld van Christus' onderneming als onze Verlosser. Hij breekt de macht van Satan, vers 18, Jezus bestrafte den duivel, als een gezaghebbende, die Zijn woord van bevel kon steunen door kracht en macht. Christus' overwinningen over Satan worden behaald door de kracht van Zijn woord, het zwaard, dat uit Zijn mond gaat, Openbaring 19:21. Tegen Christus' bestraffing kan Satan geen stand houden, al was zijn bezit van nog zo langen duur. Voor hen, die worstelen met overheden en machten, is het troostrijk, dat Christus ze uitgetogen heeft, Colossenzen 2:15. De Leeuw uit den stam van Juda zal te sterk wezen voor den briesenden leeuw, die zoekt te verslinden. Hij neemt den druk en de smarten weg van de kinderen der mensen, het kind werd genezen van die ure af. Het was een onmiddellijke genezing, en een volkomen Dit is ene bemoediging voor ouders om hun kinderen tot Christus te brengen, wier ziel onder de macht van Satan is, Hij is machtig om hen te genezen, en Hij is er even gewillig als machtig toe. Breng hen niet slechts door het gebed tot Christus, maar breng hen tot het woord van Christus, de gewone middelen, waardoor Satans sterkte in de ziel wordt verbroken. Christus' bestraffing tot het hart gebracht, zal er Satans macht teniet doen.
III. Christus' gesprek met de discipelen, na dit voorval.
1. Zij vragen, waarom zij den duivel toen niet hebben kunnen uitwerpen, vers 19. Zij kwamen tot Jezus alleen. Evangeliedienaren, die in het openbaar over Christus moeten spreken, moeten wèl zorg dragen om in het verborgen gemeenschap met Hem te onderhouden, opdat zij in de binnenkamer, waar geen oog hen ziet, de zwakheid en engheid kunnen betreuren van hetgeen zij in het openbaar verrichtten, en naar de reden er van kunnen vragen. Wij moeten gebruik maken van de vrijheid van toegang, die wij hebben tot Jezus alleen, waar wij vrij en onbeschroomd met Hem kunnen spreken. Zulke vragen, als die de discipelen hier aan Christus deden, moeten wij ook ons zelven doen. Sprekende in ons hart, op ons leger: Waarom zijn wij toen, of op zulk een tijd, zo dof, zo geesteloos geweest? Hoe kwamen wij zo tekort in plichtsbetrachting? Hetgeen dan verkeerd in ons is, kan, zo het ontdekt wordt, weggenomen worden.
2. Christus geeft hun twee redenen waarom zij faalden.
a. Het was om huns ongeloofs wil, vers 20. Toen Hij sprak tot den vader van het kind en tot het volk, schreef Hij het toe aan hun ongeloof, toen Hij sprak tot Zijne discipelen, schreef Hij het toe aan het hun, want er was schuld aan beide zijden. Maar er is ons meer aan gelegen om van onze eigen fouten en gebreken te horen, dan van die van anderen, en het verkeerde toe te schrijven aan ons zelven dan aan anderen. Als de prediking van het woord niet zo voorspoedig was als het anders wel eens geweest is, dan zijn de hoorders geneigd al de schuld daarvan op rekening van de leraren te stellen, en de leraren op die van de hoorders, het is betamelijker, dat ieder zijn eigen schuld en tekortkoming belijdt, en zegt: Het ligt aan mij. In hun bestraffing moeten de leraren er zich op toeleggen, om aldus aan ieder zijn deel van het woord te geven, en de mensen te doen aflaten van anderen te oordelen door hun te leren zich zelven te oordelen. Om uws ongeloofs wil. Zij hadden wel geloof, maar het was zwak en zonder uitwerking. In zover het geloof tekortschiet in kracht en werkzaamheid, kan in waarheid gezegd worden: Er is ongeloof. Aan velen kan ongeloof verweten worden, die toch geen ongelovigen zijn. Het is vanwege ons ongeloof, dat wij zo weinig in stand brengen in den Godsdienst, en zo tekortkomen in het goede. Onze Heere Jezus neemt deze gelegenheid waar om hun de kracht des geloofs te tonen, opdat zij op een andermaal er niet zo in tekort zullen komen als thans. Zo gij een geloof had als een mostaardzaad, gij zoudt wonderen doen, vers 20. Sommigen zijn van mening, dat de vergelijking ziet op de hoedanigheid van het mostaardzaad, dat, als het gekneusd wordt, scherp en doordringend is. Indien gij een werkzaam, toenemend geloof hebt, niet een geloof, dat flauw en dood is, dan zult gij niet op deze wijze teleurgesteld worden. Maar zij ziet veeleer op de hoeveelheid of hoegrootheid: Indien gij slechts een greintje waar geloof had, al was het ook zo klein als het minste onder al de zaden, gij zoudt wonderen doen. Over het algemeen is geloof een stellige, besliste instemming met, een zich onderwerpen aan, en een vertrouwen in, al de Goddelijke openbaringen. Het geloof, dat hier vereist werd, had tot voorwerp of doel die bijzondere openbaring, door welke Christus aan Zijne discipelen macht had gegeven om in Zijn naam wonderen te doen ter bevestiging van de leer, die zij pre- dikten. Het was in geloof aan deze openbaring dat zij tekort kwamen, hetzij zij aan de geldigheid van hun opdracht twijfelden, of bevreesd waren dat die geldigheid na hun eerste zending had opgehouden en niet moest voortduren, nadat zij tot hun Meester waren teruggekeerd, of dat zij haar op de ene of andere wijze verbeurd hadden en zij hun ontnomen was. Wellicht had ook de afwezigheid huns Meesters met de drie voornaamste discipelen terwijl zij last hadden Hem niet te volgen, aanleiding gegeven tot enigen twijfel betreffende hun macht, of liever van de macht des Heeren in hen om dit te doen, hoe dit zij, er was op dit ogenblik niet zulk een krachtig steunen op, en betrouwen in, de belofte van Christus' tegenwoordigheid met hen, als er had moeten wezen. Het is goed om ons zelven en onze eigen kracht te wantrouwen, maar het mishaagt Christus, als wij enigerlei macht mistrouwen, die aan Hem ontleend of door Hem geschonken is. Indien gij wezenlijk dit geloof hebt, al is het ook nog zo klein, zo het slechts oprecht is, indien gij waarlijk steunt en betrouwt op de macht, die u verleend is, gij zult tot dezen berg zeggen: Ga heen. Dit is een spreekwoordelijke uitdrukking, aanduidende hetgeen volgt, en niets meer, niets zal u onmogelijk zijn. Zij hadden onder anderen een volledige opdracht om duivelen uit te werpen, en dat wel zonder uitzondering, maar deze duivel buitengewoon boosaardig zijnde, mistrouwden zij hun macht, en daarom faalden zij. Om hen hiervan te overtuigen, toont Christus hun wat zij zouden hebben kunnen doen. Een werkzaam geloof kan bergen verzetten, niet uit of door zichzelf, maar in de kracht van een Goddelijke macht, daaraan verbonden door een Goddelijke belofte.
b. Omdat er in deze soort van ziekte iets was, dat de genezing meer dan gewoonlijk moeilijk maakte, vers 21. Deze soort vaart niet uit dan door bidden en vasten. Deze bezetenheid, welke werkt door vallende ziekte, wordt niet genezen, of deze soort van duivelen, die zo wreed en woedend zijn, wordt niet op de gewone wijze uitgeworpen, maar door daden van Godsvrucht, en hierin zijt gij tekort gekomen. Hoewel de tegenstanders, tegen wie wij strijden en worstelen, allen overheden en machten zijn, zijn sommigen van hen toch sterker dan anderen, en hun macht is moeilijker te verbreken. De buitengewone macht van Satan moet ons geloof niet ontmoedigen, maar ons opwekken tot groter ernst en inspanning in het beoefenen er van, tot meer vurigheid in het gebed tot God om het te vermeerderen. Dit is de betekenis, die sommigen in deze Schriftuurplaats vinden: Dit soort van geloof, dat bergen verzet, wordt van God niet verkregen, vloeit niet uit Hem voort, noch komt tot volkomen rijpheid, en zal niet overgaan in daden, dan door ernstig vurig gebed. Vasten en bidden zijn gepaste middelen, om Satans macht tegen ons te verbreken, en de Goddelijke macht ter onzer hulpe te verkrijgen. Vasten is nuttig tot opwekking van het bidden, het is een blijk van ootmoed, dat voor het gebed vereist wordt, en het is een middel om sommige verdorven gewoonten ten onder te houden, en het lichaam geschikt te maken om de ziel te dienen in het gebed. Als de invloed van den duivel over de ziel bevestigd wordt door het temperament van het lichaam, dan moet aan het bidden vasten worden verbonden, ten einde het lichaam onder bedwang te houden.