Colossenzen 2:4-12
De apostel waarschuwt de Colossenzen tegen misleiders, vers 4. En dit zeg ik, opdat niet iemand u misleide met beweegredenen, die een schijn hebben. Hij dringt zo aan op hun volmaking in Christus en in de openbaring van het Evangelie, om hen te bewaren voor de misleidende beweegredenen van hen, die hun beginselen willen bederven. Merk op:
1. De wijze, waarop Satan de zielen wil verderven, is misleiding. Hij bedriegt ze en vernielt ze daardoor. Hij is de oude slang, die Eva door hare arglistigheid bedrogen heeft, 2 Corinthiërs 11:3. Hij kan ons niet verderven dan door ons te bedriegen, en hij kan ons alleen bedriegen door onze eigen schuld en dwaasheid.
2. Satans dienaren, wier doel het is hen te verderven, bedriegen hen met beweegredenen, die een schijn hebben. Ziehier het gevaar van misleidende woorden, hoe menigeen is verloren gegaan door de vleierij van hen, die hen wilden misleiden, en door valse voorstellingen en valse redeneringen over slechte beginselen en kwade praktijken. Zij verleiden door schoonspreken en prijzen de harten der eenvoudigen, Romeinen 16:18. Gij behoort op uw hoede te zijn tegen woorden, die een schijn hebben, en een afschuw en schrik te hebben van hen, die u in het kwade verstrikken willen, want hun doel is uw verderf. Indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet! Spreuken 1:10.
I. Een voornaam middel tegen verleiders is, vers 6, 7: Gelijk gij dan Christus Jezus, den Heere, aangenomen hebt, wandelt alzo in Hem, enz.
1. Alle Christenen hebben, tenminste in hun belijdenis, Christus Jezus den Heere aangenomen, Hem aangenomen als den Christus, den groten profeet der gemeente, door God gezalfd om Zijnen wil te openbaren, als Jezus, den groten hogepriester en Zaligmaker van zonde en toorn, door Zijn verzoenende zelfofferande, en als Heere of Koning, aan wie zij onderworpen zijn en gehoorzamen moeten. Hem aangenomen, in Hem toegestemd, Hem als de uwe aangenomen in alle betrekking en in alle opzicht, en voor alles waarvoor Hij gegeven is.
2. Het grote doel van hen, die Christus aangenomen hebben, moet zijn in Hem te wandelen, hun gedrag in overeenstemming te brengen met hun beginselen, hun handelingen met hun verplichtingen te doen overeenkomen. Gelijk wij Christus hebben aangenomen, zo moeten wij in ons dagelijks leven met Hem en in Zijne gemeenschap wandelen.
3. Hoe meer wij met Christus wandelen, des te meer zullen wij geworteld en gegrond in het geloof worden. Een goede wandel is de beste versterking van een goed geloof. Zo wij met Hem wandelen, zullen wij in Hem geworteld worden, en hoe vaster wij in Hem geworteld zijn, des te meer zullen wij met Hem wandelen.
Geworteld en opgebouwd. Merk op: Wij kunnen niet in Christus opgebouwd worden, tenzij wij eerst in Hem geworteld zijn. Wij moeten met Hem verenigd zijn door een levend geloof en hartelijk instemmen met Zijn verbond, en dan zullen wij in Hem opwassen in alle dingen. Gelijkerwijs gij geleerd zijt, overeenkomstig de regelen van de Christelijke leer, waarin gij onderwezen zijt. Een goede opvoeding heeft goeden invloed op onze bevestiging. Wij behoren te zijn bevestigd in het geloof gelijk wij geleerd zijn, en daarin overvloedig zijnde. In het geloof bevestigd zijnde, moeten wij er overvloedig in zijn, het meer en meer verbeteren, en met dankzegging. De wijze om den zegen en den troost van Gods genade te verkrijgen, is Hem veel daarvoor te danken. Wij moeten bij al onze vorderingen dankzegging voegen, en gevoelig zijn voor de barmhartigheid van al onze voorrechten en gunsten.
II. Wij worden krachtig vermaand tegen ons gevaar. Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie en ijdele verleiding, naar de overleveringen der mensen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus, vers 8. Er is ene wijsbegeerte, die de edele oefening van onze verstandelijke vermogens en zeer dienstig voor den godsdienst is. Zij is de bestudering van de werken Gods en leidt ons tot de kennis Gods en bevestigt ons geloof in Hem. Maar er is ook ene wijsbegeerte, die ijdel en verleidend is, die tegen den godsdienst bevooroordeeld is en de wijsheid der mensen tegenover de wijsheid Gods stelt, en het geloof vernietigt door de inbeelding der mensen te behagen. Zij is schone en nieuwsgierige bespiegeling over dingen, die ons te hoog zijn, die voor ons geen nut hebben, of ons niet aangaan, en een keur van woorden en uitdrukkingen, welke alleen een ledige en dikwijls bedrieglijke schijn van wijsheid en kennis hebben. Naar de overleveringen der mensen en de eerste beginselen der wereld. Dit slaat duidelijk zowel op de Joodse leerstellingen als op de heidense wetenschap. De Joden lieten zich regeren door de overleveringen van hun vaderen en de eerste beginselen der wereld: de gebruiken en plechtigheden, welke alleen dienden om aan de bedeling des Evangelies vooraf te gaan en den weg te banen. De heidenen vermengden hun wijsgerige stelsels met de Christelijke beginselen. En beiden keerden daardoor hun zielen van Christus af. Zij, die hun geloof regelen naar de mensen en in den weg der wereld wandelen, hebben zich daardoor afgewend van het volgen van Christus. De misleiders waren voornamelijk Joodse leraren, die trachtten de wet van Mozes na te leven in vereniging met het Evangelie van Christus, maar werkelijk in tegenstelling en tegenspraak daarmee. Nu toont de apostel hier aan:
1. Dat wij in Christus het wezen hebben van al de schaduwen der ceremoniële wet. Bijvoorbeeld:
A. Hadden zij dan de Schechinah, de bijzondere tegenwoordigheid Gods, genoemd "de heerlijkheid", naar haar zichtbaar teken? Wij hebben die in Jezus Christus, vers 9. Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk. Onder de wet woonde de volheid Gods tussen de cherubs, in een wolk, die het verzoendeksel overschaduwde, maar nu woont zij in den persoon van onzen Verlosser, die onze natuur aannam, vlees van ons vlees en been van onze benen is, en ons den Vader veel heerlijker verklaard heeft. Zij woont in Hem lichamelijk, niet gelijk het lichaam tegen den geest overstaat, maar gelijk het lichaam tegen de schaduw overstaat. De volheid der Godheid woont in Christus werkelijk en niet figuurlijk, want Hij is beide: God en mens.
B. Hadden zij de besnijdenis, welke het zegel des verbonds is? In Christus zijn wij besneden met ene besnijdenis, die zonder handen geschiedt, door het werk der wedergeboorte, welke de geestelijke en Christelijke besnijdenis is. Die is een Jood, die het in het verborgen is. en de besnijdenis des harten is de besnijdenis, Romeinen 2:29. Dat is aan Christus te danken en behoort bij de Christelijke bedeling. Die zonder handen geschiedt, niet door toedoen van enig schepsel, maar door de macht van den gezegenden Geest Gods. Wij zijn geboren uit den Geest, Johannes 3:5. En het is het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes, Titus 3:5. Het bestaat in de uittrekking van het lichaam der zonden des vlezes, in afstand doen van de zonden en in vernieuwing des levens, niet in uitwendige plechtigheden. Het is niet de aflegging van de vuiligheid des lichaams, maar ene vraag van een goed geweten tot God, 1 Petrus 3:21. En het is niet genoeg, dat wij een of andere bijzondere zonde nalaten, maar wij moeten het gehele lichaam der zonden uittrekken. De oude mens moet gekruisigd worden en het lichaam der zonden teniet gedaan, Romeinen 6:6. Christus werd besneden, en uit kracht van onze vereniging met Hem krijgen wij deel aan die werkelijke genade, die het lichaam der zonde des vlezes uittrekt. Daarbij: de Joden achtten zich volmaakt door de ceremoniële wet, maar wij zijn in Hem volmaakt, vers 10. Die wet was onvolmaakt en gebrekkelijk. Indien het eerste verbond onberispelijk geweest ware, zo zou voor het tweede geen plaats gezocht zijn geweest, Hebreeën 8:7, en de wet was slechts een schaduw der toekomende goederen en kon met dezelfde offeranden nimmermeer heiligen degenen, die daartoe gaan, Hebreeën 10:1. Maar al haar tekort is aangevuld door het Evangelie van Christus, door Zijn volmaakte offerande voor de zonde en Zijn openbaring van den wil Gods. Hij is het Hoofd van alle overheid en macht. De Oud-Testamentische priesterschap heeft haar volmaking in Christus, en evenzo het koningschap van David, dat de uitnemendste overheid en macht was, en waarop de Joden zich zozeer verhieven. En Hij is de Heere en het hoofd van alle machten in hemel en op aarde, van engelen en mensen. De engelen en machten en krachten zijn Hem onderdanig gemaakt, 1 Petrus 3:22.
2. Wij hebben gemeenschap met Christus in Zijn gehele werk. Zijnde met Hem begraven in den doop, in welken gij ook met Hem opgewekt zijt. Wij zijn zowel begraven als opgewekt met Hem, en dat is alles afgeschaduwd in onzen doop. Er is in het teken of de plechtigheid des doops niet iets, dat dit begraven en opgewekt worden overdraagt, evenmin als er in het avondmaal enige herhaling van de kruisiging van Christus is. Maar in dien zin als waarin hij spreekt van de besnijdenis, die zonder handen geschiedt, en zegt dat dit is door het geloof der werking Gods. Maar de zaak, afgebeeld door onzen doop, is dat wij begraven zijn met Christus, want de doop is het zegel des verbonds en een verplichting om der zonden te sterven, en dat wij zijn opgewekt met Christus, want hij is een zegel en verplichting tot een leven van rechtvaardigheid, of tot nieuwheid des levens. God verbindt zich in den doop onze God te zijn, en wij worden verplicht Zijn volk te zijn, en door Zijne genade der zonden te sterven en der rechtvaardigheid te leven, den ouden mens uit te trekken en den nieuwen mens aan te doen.