Job 27:7-10
Job had plechtig de voldoening betuigd, die hij smaakte in zijn oprechtheid, en om zich nu nog verder te zuiveren, geeft hij uitdrukking aan zijn vrees van een huichelaar te worden bevonden.
I. Hij zegt ons hoe hij terugschrikte bij de gedachte er aan, want hij beschouwde de toestand van de huichelaar en goddeloze als de rampzaligste toestand, waarin een mens kan wezen, vers 17. Mijn vijand zij als de goddeloze, een spreekwoordelijke uitdrukking, zoals die in Daniël 4:9, de droom wedervare uw hateren. Het was zo ver van Job om zich toe te geven in een boze weg, en er zich mee te vleien dat hij, zo het hem toegestaan was om aan de ergste vijand, die hij in de wereld had, het grootste kwaad toe te wensen dat hij kon bedenken, hem het deel zou toewensen van een goddeloze, wetende dat hij hem niets ergers kon toewensen. Niet, dat het ons geoorloofd is te wensen dat iemand goddeloos zal zijn of dat iemand, die niet goddeloos is, als een goddeloze behandeld zal worden, maar allen behoren wij te kiezen in de toestand te zijn van een bedelaar, een vogelvrijverklaarde, een galeislaaf, elke toestand, hoe droevig ook, veeleer dan in de toestand te zijn van de goddeloze, al is hij uitwendig ook in nog zo grote voorspoed en van nog zoveel pracht en weelde omgeven.
II. Hij geeft ons de reden hiervan.
1. Omdat des huichelaars hoop niet gekroond zal worden, vers 8. Want wat is de verwachting des huichelaars? Bildad had gezegd, dat zij zal vergaan, Hoofdst. 8:13, 14, en Zofar, dat zij zal zijn als de uitblazing van de ziel, Hoofdst. 11:20. Job stemt hier met hen in en ziet de dood van de verwachting des huichelaars even zeker als zij hem gezien hebben, en dit komt hier nu zeer gepast als een reden, waarom hij zijn oprechtheid niet wil laten varen, maar er nog aan wil vasthouden. De gedachte aan de rampzalige toestand van de goddelozen, en inzonderheid van huichelaars moet ons aansporen om oprecht te zijn (want wij zijn verloren, voor eeuwig verloren, zo wij het niet zijn) alsmede om de troostrijke verzekerdheid, het blijk en bewijs van onze oprechtheid te hebben, immers, hoe kunnen wij gerust zijn, indien die grote zaak nog onzeker is? Jobs vrienden wilden hem overreden te geloven dat al zijn hoop slechts de hoop was van de geveinsde, Hoofdst. 4:6. "Neen", zegt hij", ik zou voor niets ter wereld zo dwaas willen zijn om op zo vermolmd een fundament te bouwen, want wat is de verwachting des huichelaars?" Zie hier:
A. De huichelaar bedrogen uitgekomen. Hij heeft verkregen, vers 8, en hij heeft hoop, dat is zijn lichtzijde, er wordt erkend dat hij winst had van zijn huichelarij, de lof en de toejuiching van mensen heeft verkregen, en de rijkdom van deze wereld. Jehu heeft door zijn huichelarij een koninkrijk verkregen, en de Farizeën hebben er menig huis van weduwen door verkregen. Op dit gewin bouwt hij zijn hoop en daar hij in goede omstandigheden is in deze wereld, hoopt hij ook in goede omstandigheden te zijn voor de andere wereld, en zo zegent hij zich dan nog op zijn manier.
B. De huichelaar uit de waan gebracht, hij zal zich ten laatste bedrogen zien uitkomen, want:
a. God zal, zeer tegen zijn wil, zijn ziel wegnemen, Lukas 12:20. Men zal uw ziel van u afeisen. God, als de Rechter, neemt haar weg om haar te oordelen en haar eeuwige staat vast te stellen. Dan zal hij in de handen vallen van de levende God en zal er onmiddellijk met hem gehandeld worden. b. Wat zal dan zijn hoop, zijn verwachting wezen? Het zal ijdelheid en een leugen zijn en hem nergens toe van nut wezen. De rijkdom van deze wereld, waarop hij gehoopt heeft moet hij achterlaten, Psalm 49:18. De zaligheid in de andere wereld op welke hij gehoopt heeft, zal hem zeker ontgaan, hij hoopte naar de hemel te gaan, maar hij zal zich met schaamte teleurgesteld zien. Hij zal pleiten op zijn uitwendige belijdenis, zijn voorrechten en zijn verrichtingen, maar al die pleitgronden zullen als beuzelachtig worden verworpen: "Ga weg van Mij, Ik ken u niet." Zodat alles tezamen genomen het zeker is, dat een huichelaar met al zijn gewin en al zijn verwachtingen in de stervensure rampzalig zijn zal.
2. Omdat des huichelaars gebed niet verhoord zal worden vers 9. Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt? Neen dat zal Hij niet, het kan niet verwacht worden dat Hij het zal. Als hij tot ware bekering komt dan zal God zijn geroep horen, en hem aannemen, Jesaja 1:18, maar als hij onboetvaardig en onveranderd blijft, dan moet hij niet denken gunst bij God te vinden.
Merk op:
a. Er zal benauwdheid over hem komen, voorzeker. In de wereld worden dikwijls diegenen door benauwdheid overvallen, die het meest gerust zijn en zich van ongestoorde voorspoed overtuigd houden. Maar de dood komt en met de dood komt benauwdheid, als hij de wereld en al zijn verlustiging erin moet verlaten. Het oordeel van de grote dag zal komen, beving zal de huichelaars aangrijpen Jesaja 33:14.
b. Dan zal hij tot God roepen zal hij bidden, vuriglijk bidden. Zij, die in voorspoed God geminacht hebben, die of in het geheel niet hebben gebeden, of koud en onverschillig waren in hun gebed, zullen als de benauwdheid komt hun gebeden tot Hem richten en tot Hem roepen als mensen die in nood zijn. Maar:
c. Zal God hen horen nu zij in benauwdheid zijn, nu de wederwaardigheden van dit leven hen treffen? God heeft ons gezegd, dat Hij het gebed niet zal horen van hen, die naar ongerechtigheid zien met hun hart, Psalm 66:18,. en er hun drekgoden opzetten, Ezechiël 14:4, noch van hen, die hun oor afwenden van de wet te horen, Spreuken 28:9. Gaat heen en roept tot de goden, die gij verkoren hebt. Het is zeker dat in het toekomende oordeel God het geroep niet zal horen van hen, die in hun huichelarij geleefd hebben en gestorven zijn. Hun weeklachten zullen geen medelijden opwekken, Ik zal in ulieder verderf lachen. Hun dringende smekingen zullen afgewezen en hun pleitgronden verworpen worden. De onwrikbare gerechtigheid kan niet partijdig zijn en het onherroepelijk vonnis kan niet vernietigd worden. Zie Mattheus 7:22, 23, Lukas 13:26, en het geval van de dwaze maagden, Mattheus 25:11.
3. Omdat de Godsdienst van de geveinsde noch troostrijk noch standvastig is, vers 10. Zal hij zich verlustigen in de Almachtige? Neen, (want zijn verlustiging is in het gewin van de wereld en de genietingen van het vlees meer dan in God) inzonderheid niet in tijden van benauwdheid. Zal hij God aanroepen te aller tijd? Neen, in voorspoed zal hij God niet aanroepen, maar Hem vloeken, hij is zijn Godsdienst moede als hij er niets door wint, maar wèl in gevaar is van er door te verliezen. Het zijn geveinsden die, of schoon zij de Godsdienst belijden, er noch behagen in scheppen noch er in volharden. Voor wie de Godsdienst een taak, een vervelende, vermoeiende zaak is die hem zouden willen wegblazen, er alleen gebruik van maken als het met hun belangen strookt, en hem weer laten varen als het doel dat zij er mee hadden bereikt is, die God aanroepen als het in de mode is om dit te doen of zolang de vrome luim duurt, maar er mee ophouden als zij in ander gezelschap komen of wanneer de luim ertoe voorbij is. De reden waarom huichelaars niet volharden in de Godsdienst is, dat zij er geen genoegen in hebben. Zij, die zich niet verlustigen in de Almachtige, zullen Hem niet altijd aanroepen. Hoe meer vertroosting wij vinden in onze Godsdienst, hoe sterker wij er aan zullen vasthouden. Zij, die geen vermaak of genoegen vinden in God, worden gemakkelijk verlokt door het vermaak van de zinnen en aldus van hun Godsdienst afgetrokken, en dan worden zij ook gemakkelijk ternedergeslagen door de beproevingen van dit leven en zo worden zij weggedreven van hun Godsdienst, en dus zullen zij God niet ten allen tijde aanroepen.