25. En vele scharen, zoals dit bij een dergelijke werkzaamheid eenvoudig te verklaren is, volgden Hem, van Galilea, aan deze zijde van het meer Gennesareth, en van Dekapolis, de tien steden aan de overzijde van de zee, en van Jeruzalem, waar Hij ook reeds verschillende tekenen en wonderen gedaan had (
Johannes 3:2;
4:45;
5:1vv. ), en van Judea, waar Hij een tijd lang had gepredikt en door Zijn discipelen gedoopt (
Johannes 3:22-
4:3), en van over de Jordaan, uit het landschap Perea, het vroegere gebied van Ruben, Gad en Oost-Manasse.
Wij moeten hier eerst de plaats van de werkzaamheid van Christus nader leren kennen, zoals die hoofdzakelijk door de drie eerste evangelisten in het oog wordt gehouden, omdat deze als het ware de lijst is, waarin ons het levensbeeld van de Heere wordt voorgesteld, en wij dit slechts dan kunnen begrijpen, wanneer wij bekend zijn met al wat daarmee in betrekking staat. Wat nu de verdeling van Palestina ten tijde van Jezus en de apostelen in het algemeen aangaat, zo heeft zich de verdeling van het westelijk land in drie delen: Galilea, Samaria en Judea (Handelingen 9:31) sinds de Babylonische ballingschap langzamerhand gevormd, en wordt reeds in 1 Makk. 10:30 gevonden, hoewel een bepaalde aanwijzing van de grenzen van elk gedeelte eerst onder de Herodianen plaatsvond. De naam van het land ten oosten van de Jordaan, Perea ("land aan de overzijde") wordt in het Nieuwe Testament wel niet als eigenlijke naam gebezigd, maar toch tot geografische aanwijzing, als in het voor ons liggende vers. Wij beschouwen in de eerste plaats Galilea nader. In het Oude Testament ontmoeten wij de naam "Galilea" slechts in appellatieve zin, zoveel als district 9:11); in de tijd van de Heere omvatte het geheel Noord-Palestina aan deze zijde van de Jordaan of het vroegere stamgebied van Issaschar, Zebulon, Aser en Nafthali. Het strekte zich noordelijk uit tot aan het land van Tyrus en tot de Libanon, in het zuidwesten tot aan het voorgebergte Karmel (dit en de stad Ptolemaïs uitgezonderd); in het zuidoosten tot aan Bethsean, in het oosten tot aan de Jordaan en het meer Gennesareth, Opper- en Noord-Galilea, dat tot aan de lijn reikt, die men van Tiberias aan het meer van Gennesareth tot aan de stad Zebulon, zuidoostelijk van Ptolemaïs zou kunnen trekken, heet menigmaal Galilea in de bijzondere zin van het woord (Lukas 4:31). Het landschap was een Alpenland, waarvan de kalkbergen in het noorden rotsachtig en steil, met de Libanon in verbintenis staan, zuidoostelijk en zuidelijk in heuvelrijen uitlopen, die naar de Middellandse Zee meer effen worden en een vlakte van verscheidene uren vormen, in het zuiden daarentegen met de hoge vlakte van Jizreël eindigen. De niet zeer hoge bergen en hun romantische dalen verschaften rijke weiden en vruchtbaar akkerland. De provincie was dan ook overal bebouwd en sterk bevolkt, zodat het volstrekt niets bevreemdends heeft, wanneer Josefus in de joodse oorlog, nadat reeds vele Joden waren omgekomen, nog een leger van 100. 000 man samenbrengt. Wanneer deze echter zegt, dat van de 204 steden en gehuchten, die er in Galilea waren, de kleinste 15. 000 inwoners telt, zo is dit zeker een overdrijving. Het vruchtbaarste en meest bevolkt waren de hellingen van het gebergte in het oosten, naar het meer van Gennesareth heen en het dal zelf, waarin dit liefelijke meer ligt. Het is een landzee, ongeveer 6 uur lang en 1 1/2 geografische mijl breed, aanmerkelijk onder de niveau (waterspiegel) van de Middellandse Zee gelegen, van bijna ovale (eirond) vorm, waardoor de Jordaan van het noorden naar het zuiden heen stroomt (Jozua 3:1); het heeft zoet, koel, gezond en helder water en is buitengewoon visrijk. De uitgestrekte bergvlakte, waarin het meer ligt, rondom door schone kalksteen- en basaltbergen omgeven, die zich aan de zuidelijke en oostelijke oever steil tot een hoogte van 800-1000 voet verheffen, begunstigt door haar warmte vele gewassen uit het Zuiden, dadelpalmen, citroenen, oranjeappels, indigo enz, ; sneeuw behoort in de winter tot de zeldzame verschijningen. Op de rondom omsloten waterspiegel ontstaan echter dikwijls windvlagen en vooral uit het zuidoosten breken niet zelden ontzaglijke stormen uit, die voor de vaartuigen gevaarlijk worden. De omtrek in het westen heet in hoofdstuk . 14:34 het land van Gennesareth; in geheel Palestina, schrijft Scetzen, is er geen landstreek, wier natuurschoon met dat van deze streek vergeleken zou kunnen worden. In haar lag een rij van zeer volkrijke steden, die thans alle in puinhopen liggen. Allereerst vinden wij op de zuidelijke helft van de westelijke oever Tiberias, heden Tebariyeh genoemd, door Herodes Antipas (hoofdstuk . 2:23) gebouwd, en wel, zoals de Rabbijnen beweren, op de plaats, waar vroeger het in Jozua 19:35 vermelde Rakkath gestaan heeft. Dat is een punt, waar de hoogten een weinig van de oever verwijderd zijn en een smalle strook golvend land langs de zee ligt, waarachter de bergrug steil opwaarts stijgt. Tiberias werd nu de hoofdstad van Galilea. Agrippa II, die haar van keizer Nero als geschenk ontving, stelde boven haar, evenals zijn vader Agrippa I gedaan had, de stad Seforis of Diocaesarea (drie uur noordwestelijk van Nazareth), waar volgens de legende de ouders van Maria gewoond zouden hebben. Omdat het op oude grafplaatsen gebouwd was, werd Tiberias door de rechtzinnige Joden voor onrein gehouden. Herodes zag zich daarom genoodzaakt de stad eerst met heidense bewoners te bezetten. Hij noemde haar naar de keizer Tiberias en versierde haar met een koninklijk paleis; nergens in de Evangeliën wordt echter daarvan melding gemaakt, dat Jezus daarheen zou gekomen zijn; alleen dat naar haar het meer van Gennesareth of de Galilese zee, ook de zee van Tiberias heet, wordt in Johannes 6:1; 21:1 vermeld. In de nabijheid bevonden zich verscheidene warme bronnen, die zwavel, zout en ijzer bevatten en als genezingsbronnen werden gebruikt. Na de ondergang van de joodse Staat bevond zich in Tiberias gedurende verscheidene eeuwen een beroemde academie van joodse geleerden. Ook nu nog bestaat het grootste gedeelte van de inwoners uit Joden, die de stad met Jeruzalem, Hebron en Safed tezamen tot haar vier heilige steden rekenen, zoals men ook van hier de aanvang van de Messiaanse verlossing verwacht 9:2). Op Nieuwjaarsdag 1837 werd Tiberias bijna geheel door een aardbeving verwoest. Wanneer men van hier Noordwaarts reist, komt spoedig het rotsgebergte zo nabij aan de zee, dat aan de oever voor de straat geen ruimte meer is, maar deze over een bergrug moet trekken. Daar, waar zij aan de noordzijde van de heuvel weer aan de oever afdaalt, ongeveer 1 1/4 uur van Tiberias, ligt het huidige Medschdel, het bijbelse Magdala (hoofdstuk . 15:39), van waar Maria Magdalena afkomstig was (Lukas 8:2). Thans is het slechts een ongelukkig, klein, Islamitisch dorp. Ten noorden daarvan breidt zich in de lengte van een uur de halvemaanvormige vlakte Cinnereth of Gennesareth (Jozua 19:35) uit, die wij vroeger als het land van Gennesareth leerden kennen. Aan het noordeinde ligt de Chan Minijeh, die zonder twijfel de plaats is, waar het Galilese Bethsaïda, de stad van Andreas, Petrus en Filippus (Johannes 1:44) lag. Nog verder naar het noorden, ongeveer een uur van de plaats verwijderd, waar de Jordaan in het meer stort, liggen op een kleine vooruitstekende punt de merkwaardige ruïnen van Tell Chum, die er als overblijfsel van een grote en aanzienlijke plaats uitzien, alle van ongehouwen stenen op twee na, waarvan de ene door de bearbeiding en versiering, die haar onderscheidt, een vroegere kerk schijnt aan te wijzen. Men houdt dit meestal voor de plaats van het oude Kapérnaüm. Dienovereenkomstig zou dan de één uur noordwestelijk in een dal gelegen ruïne Kerazeh, die van Chorazin zijn. Anderen daarentegen zoeken de laatste plaats in het zuiden van Tell Chum bij het tegenwoordige Ain Tabigah, Kapérnaüm op de plaats van Khan Minijeh en verbinden daarmee Bethsaïda, dat volgens de betekenis van zijn naam (= vishuis) niets anders dan de onmiddellijk aan zee gelegen voorstad van Kapérnaüm, of het daarbij behorende vissersdorp geweest is, terwijl de stad zelf meer landwaarts in lag, 1/4-1/2 uur daarvan verwijderd. Ruïnen van een stad, die zich tot aan de bron Ain Mudawarah uitstrekken, waarbij bijvoorbeeld Caspari het oude Kapérnaüm zoekt, zijn niet nader gevonden; volgens hoofdstuk . 11:23 zou toch ook de stad spoorloos van de aarde verdwijnen. Wat de ligging betreft sluiten wij ons aan deze mening aan, houden de ruïnen Kerazeh voor Chorazin, en vinden in Tell Chum het door Josefus (b. Judas III. 3:1) vermelde Thella weer. Wenden wij ons van laatstgenoemde plaats verder naar het noordwesten, dan vinden wij aan de andere oever van de Jordaan, in het gebied van Gaulanitis enz. , een ongeveer een uur brede vlakte met vruchtbare velden. In deze liggen de ruïnen van dat Bethsaïda, waaraan wij boven bij de Tetrarch Filippus dachten (Uit 2:20), en dat de bijnaam Julias droeg (Markus 8:22 Lukas 9:10). Bij het verder gaan herinneren wij ons in de eerste plaats de vijf mijl noordelijk van Bethsaïda gelegen, eveneens door Filippus gebouwde stad Caesarea Filippi 2:20), wier bekoorlijke omgeving de interessantste van geheel Palestina is; ons vervolgens naar het eigenlijke Perea aan de andere zijde van de Hieromax kerende, vragen wij naar de ook in Markus 5:20; 7:30 vermelde tien steden. Met de Griekse naam Dekapolis wordt een landstreek bedoeld met tien onder elkaar verbonden steden aan de overzijde van de Jordaan, die haar eigen onderlinge staatsregeling hadden, met voorbijgaande uitzonderingen van enkelen, die onmiddellijk onder Romeinse heerschappij stonden en zekere privileges hadden. Haar inwoners waren oorspronkelijk veteranen van het leger van Alexander de Grote, die hen daar deed wonen. Sedert de Romeinse heerschappij over Palestina voegden zich Romeinen bij hen. De namen van deze steden worden reeds door de oude geografen verschillend opgegeven, de genoemde lagen echter gedeeltelijk zo ver van elkaar, dat zij geen gebied vormden, dat bij elkaar behoorde; misschien hebben niet altijd dezelfde steden tot Dekapolis behoord, of er zijn later meer dan tien in de verbintenis opgenomen, hoewel de oorspronkelijke naam daarvoor bleef. Een van deze steden lag aan de westzijde van de Jordaan: dat is Scythopolis (Bethsean), waarover bij 1 Samuël 31:10 het nodige gezegd is; hier merken wij nog slechts op, dat de westelijk van de stad gelegen ruïne Khan Mudschideh misschien de plaats "Magadan" is, die de voornaamste handschriften in hoofdstuk . 15:39 in plaats van Magdala lezen, en het noordoostelijk van Scythopolis, aan de overzijde van de Jordaan, het in Markus 8:10 daarvoor genoemde Dalmanutha ligt. Door de laatstgenoemde plaats grenst dan het gebied van Scytopolis aan dat van een andere van de 10 steden, aan dat van Gadara (Markus 5:1 Lukas 8:26), het huidige dorp Om-Keis op de linkerzijde van de Hieromax, 2 1/2 uur van de zuidoostelijke oever van het meer Gennesareth op een berg gelegen, waarin vele grafspelonken zijn; volgens Josefus was zij de hoofdstad van Perea. Intussen maken Origenes en Eusebius ook van een plaats, Gergesa genaamd, aan de oostelijke oever van de Galilese zee gelegen, melding; zij berichten, dat men in hun tijd nog de steilte getoond heeft, waarvan de zwijnen neergestort waren. Dien ten gevolge zou bij onze evangelist in hoofdstuk . 8:28 de juiste lezing zijn; daar echter tot op heden van dit Gergesa geen spoor meer gevonden wordt, trekken de uitleggers meestal de andere bij Markus en Lukas voor. Een derde lezing wijst ons met de geschiedenis, waarvan wij spreken, naar Gerasa, de oostelijke grensplaats van Palestina, die eveneens bij de tien steden geteld wordt, maar ongeveer 20 uur van het meer Gennesareth verwijderd ligt, en daarom wel niet kan gemeend zijn; misschien was het toch wel de hoofdplaats van Dekapolis, en zouden de Gadarenen in de algemene zin van Dekapolitanen, of bewoners van de 10 steden te nemen zijn. Ongeveer 15 uur zuidelijk van Gerasa ligt Philadelphia, het vroegere Rabbath-Amman (Deuteronomium 3:11; 2 Samuël 11:14vv. ), anderhalf uur noordwestelijk van het tegenwoordige dorp Suf met de bron Ain Keikebe, waarin wij naar alle waarschijnlijkheid de stad Dion, een vijfde van de tien steden hebben te zien. Ten noorden van Dion liggen twee andere plaatsen, Capitolias en Pella. De laatste was het toevluchtsoord van de Christenen, toen zij in de laatste joodse oorlog Jeruzalem verlieten 28:31); de meesten zoeken dit echter niet hier maar op de plaats van het tegenwoordige Tabakat Fuhil aan de Jordaan; eveneens verplaatst men ook wel Capitolias, waar nu Nowa in Haran ligt. Twee andere steden Adraä en Rafon (Rafana) liggen zuidelijk van het oude Astaroth-Karnaïm en Hippos is zonder twijfel het tegenwoordige el Hossu (d. i. paard) aan de zuidoostzijde van het meer Gennesareth.
Wij keren nu naar de westzijde van de zee terug en vinden daar de stad Safed, die bij hoofdstuk . 5:14 in aanmerking komt 27:3). Zij wordt, zoals eerder gemeld is, voor een van de 4 heilige steden van de joden gehouden, maar komt in de Bijbel zelf niet voor. Aan de hellingen van een 3. 000 voet hoge berg liggen de huizen groepsgewijs als afzonderlijke vierde delen verstrooid en steken hun platte daken als treden van een trap uit, waarover men ook werkelijk op muildieren heenrijdt; op de top van de berg heeft men van de daar aanwezige ruïne van een kasteel naar alle zijden heerlijke uitzichten. Door de ontzaglijke aardbeving in het jaar 1837 heeft de stad ontzettend geleden, omdat zij juist in het middelpunt lag van het land, waar de aardbeving plaatsvond; later is zij weer tot een van de meest betekenende plaatsen in Galilea verheven. Van hier wenden wij ons 4-5 mijl zuidwestelijk naar Kana el Dschenil aan de noordwestelijke grens van de vlakte Zebulon (el Buttauf); dit is volgens de oudere overlevering dat Kana in Galilea, waarvan in Johannes 1:47; 2:1vv. ; 4:16vv. sprake is; de legende van latere tijd daarentegen zocht die plaats aan de zuidoostelijke grenzen van die vlakte in Kefr Kenna, anderhalf uur ten noordoosten van Nazareth. In de daar aanwezige pottenbakkerij worden nog altijd opnieuw kruiken vervaardigd, die men als het nog overgeblevene van de waterkruiken op de bruiloft te Kana de bezoeker aanbiedt, zoals men ook nog het huis aanwijst, waarin het wonder van de verandering van het water plaatsgevonden zou hebben. Dat werkelijke Kana (el Dschenil) is ongeveer 3 uur van Nazareth 2:23) en van daar twee uur oostelijk tot aan de berg Thabor, die voor de berg van de verheerlijking (hoofdstuk . 17:1vv. ) wordt gehouden, maar het moeilijk kan geweest zijn. Ongeveer 1 1/4 mijl eindelijk van Thabor komen wij aan de kleine Hermon, die zijn naam te danken heeft aan het streven van de legende om de beide in Psalm 89:13 naast elkaar genoemde bergen, ook wat de plaats aangaat, samen te brengen; het is een twee mijl lange keten van rotsachtige heuvels, noch groot, noch hoog, noch mooi, noch vruchtbaar, een woeste, vormloze massa, waarvan de hoogste verheffing tegen het Westen ligt 27:3). Aan de noordwestelijke helling ligt in de vlakte Jizreël de stad Naïn, bekend door de opwekking van de jongeling (Lukas 7:11vv. ). Het is eigenaardig, dat deze plaats aan de ene zijde juist in de nabijheid heeft Endor, de woonplaats van de vrouw, die de doden bezwoer (1 Samuël 28:7vv. ) en aan de andere zijde Sunem de woonplaats van Elisa's gastvrije vrouw (2 Koningen 4:8vv. ). Van de bewoners van Galilea hebben wij nog op te merken, dat Josefus hen ons als vlijtige, moedige en dappere mensen schildert, die echter ook gevoelig waren en gemakkelijk tot oproerigheid verleid konden worden. Omdat er vele heidenen onder hen woonden, werd hun joods bloed voor minder rein en hun godsdienstig geloof voor minder orthodox (Johannes 7:52 Handelingen 2:7) gehouden, en stonden zij daarom bij de overige joden nog al in verachting (Johannes 1:47). Zij spraken een slecht dialect, dat zich bijzonder door verwisseling van de gutturalen (keelletters) en platte Syrische uitspraak kenmerkte (hoofdstuk . 26:73). Wij betreden nu bij Ginëa (het vroegere En-Ganim) thans Dschenin (Jozua 19:21), aan de zuidzijde van de vlakte van Jizreël het landschap Samaria, dat zich zuidelijk tot Antipatris in het westen en Akrabbi in het oosten uitstrekte, dus slechts een kleine omvang had, door Josefus echter als rijk in bronnen, vruchtbaar en zeer bevolkt voorgesteld wordt. Het gewichtigste voor de Bijbelse geschiedenis is het dal van Sichem, tussen de beide bergen Ebal in het noorden en Gerizim in het zuiden, en naar het oosten uitloopt in het dal el Mokhna 11:31), dat zich van het zuiden naar het noorden uitstrekt; wij spreken daarover nader bij Johannes 4:6 Het zuidelijkste landschap Judea, met uitzondering van de landstreek aan de kust van de Middellandse Zee en van het Jordaandal bergachtig en van dezelfde grondgesteldheid als Samaria, was volgens Josefus in 11, volgens Plinius in 10 toparchieën of districten verdeeld, waarvan de volgende de meest bekende zijn: Akrabatta (of Akrabbi), Gofna, Lydda, Ammao (Nikopolis), Jeruzalem, Jericho Herodium, Engedi en Idumea; het mede genoemde Bethleptefene is niet meer te ontraadselen, Thamna is misschien hetzelfde als Timna in Jozua 15:57 Daarbij komen nog de beide districten Jamnia en Joppe; ook de districten van Gamala en Gaulan behoorden er volgens Josefus toe, alsmede Batanea en Trachonitis aan de Jordaan (hoofdstuk . 19:1). Wat Idumea aangaat, waaronder sinds de ballingschap het zuidelijk, door Idumeërs bezette deel van Judea te verstaan is, verwijzen wij naar 27:41) de bijzondere, voor de geschiedenis van het Nieuwe Testament gewichtige plaatsen in Judea, zullen bij de plaatsen, waar zij voorkomen, nader besproken worden. Hier zij nog slechts opgemerkt, dat het vroegere Edom met de hoofdstad Petra nu in het bezit van de Arabische Nabateërs was en een eigen koninkrijk vormde, waarvan de koningen gewoonlijk de naam van Aretas droegen, en wier heerschappij onder de keizers Caligula en Claudius, zich tot aan Damascus uitstrekte (2 Corinthiërs 11:32). Een ander punt trekt nog onze opmerkzaamheid tot zich, het zijn de wonderen, wier eigenlijke aard en goddelijk doel reeds in Numeri 16:30 zijn besproken. Het is van het grootste gewicht, dat wij omtrent dit punt zeer duidelijke begrippen hebben en tot een vaste, onwrikbare overtuiging komen tegenover al de pogingen, die de geest van deze tijd heeft gedaan, om de mogelijkheid en werkelijkheid van de wonderen, waarover de Heilige Schrift vertelt, te loochenen, en die of als legende en verdichting te beschouwen, of als zuiver natuurlijke gebeurtenissen te verklaren, die van de zijde van de Wonderdoener niets anders waren dan een soort van vroom bedrog, van de zijde van de wondergetuigen beperkte opvatting of voorstelling. Met de waarheid van het wonder zegt Christlieb zeer juist, staat en valt de gehele burcht van het Christendom, want een wonder is zijn begin, op wonderen vestigt zich zijn voortgang, en wonderen moeten het voleindigen; laten wij het bovennatuurlijke uit onze Bijbel wegdoen en ons blijft niets over dan de band. De loochening van het wonder leidt echter niet alleen tot vernietiging van het Christelijk geloof, maar ook van de godsdienst in het algemeen; want alle godsdienst wordt gebouwd op de veronderstelling, dat zekere bovenmenselijke machten in ons leven ingrijpen en inwerken. Alle godsdiensten, hoe verschillend ook haar symbolen mogen zijn, hebben met elkaar het wonderbare gemeen; zo uitte zich zelfs een vijand van godsdienst op het vredescongres te Bern in het jaar 1865. In zoverre eindelijk de loochening van het wonder ook de loochening van de persoonlijke, vrije, levende God ten gevolge heeft, wordt daarmee ook de zedelijke persoonlijkheid van de mens opgeheven. Wij vervallen nu geheel tot het aardse, en hebben bijgevolg volstrekt geen steun meer tegen het grofste materialisme. "In het graf, waarin het moderne Christendom het wonder begraaft, zinkt alles mede weg, wat aan het menselijk bestaan een ideaal karakter, een waarachtige waarde geeft, de naar Gods beeld geschapen ziel, geloof en gebed, de heilige persoon van de verlosser, de gehele Christelijke waarheid, de toekomstige wereld, de levende God. "
Nu dan zou, zo zeggen wij verder met Christlieb, de wereld misschien te klein zijn, en de arm van de doodgraver zeker te zwak, om ze allen tezamen te begraven. Wij moeten er ons weinig om bekommeren, al ware de menigte van de tegenstanders nog groter, dan zij inderdaad reeds is, en hun spot tegen degenen, die geloven nog honender en driester. Wij vatten iemand, die zich nu bij hen telt, bij zijn woord, dat hij vroeger geschreven heeft, en accepteren de eer, die onze bespotters ons door Gods wonderbare leiding hebben moeten geven, voordat zij tegen het geloof te velde durfden trekken. "Slechts weinige mensen, " zegt Schenkel, "zijn wijs genoeg om in te zien, dat er veel meer geest voor nodig is om wonderen te geloven, dan verstand, om ze te loochenen. " Natuurlijk spreken wij nu hier niet over het wonder in ruimere zin, omdat het woord ook gebezigd wordt voor al het onbegrijpelijke en buitengewone in natuur en geschiedenis, waarvan het ontstaan ons nog verborgen is, of waarvan het aanzijn onze bewondering opwekt. Ieder vroom en kinderlijk eenvoudig gemoed ervaart nog heden gebeurtenissen en veranderingen genoeg, die ten gevolge van hun samenvallen met andere uitwendige omstandigheden, of met inwendige toestanden hun natuurlijke samenhang doen vergeten, en onmiddellijk op de Heer van de natuur wijzen, die ons iets wil leren. Bij het wonder in de eigenlijke of engere zin hebben wij te doen met "scheppende daden van God, met bovennatuurlijke werkingen op een bepaald punt van het gebied van de natuur, waardoor God krachtens Zijn macht, die reeds van zelf in het leven van de natuur inwoont, tot bevordering van Zijn rijk iets nieuws werkt, dat natuurlijke zaken en oorzaken niet op zich zelf alleen teweeg hadden kunnen brengen, dat echter, zodra het er is, zich in de natuurlijke loop van de dingen voegt, zonder voor deze een verstoring te worden, " Wat de vraag aangaat: "Kan God wonderen doen?" zegt Rousseau (Frans schrijver overl. 1778): De vraag, ernstig gedaan, zou goddeloos zijn, wanneer zij niet absurd (onzinnig) ware; het zou te veel eer zijn, voor iemand, die een ontkennend antwoord gaf, dat hij gestraft werd, het ware beter hem op te sluiten. " In het gevoel van het juiste hiervan hebben vele bestrijders van het Bijbelse wonder dit toegegeven en alleen het werkelijk gebeuren geloochend, terwijl aan de andere zijde een Strausz, die zonder verberging zegt: "Wie de papen uit de kerk wil hebben, moet eerst het wonder uit de godsdienst verbannen, " niet eens de mogelijkheid laat blijven. Heeft nu Voltaire (een ander schrijver, die op Frederik de Grote op godsdienstig vlak zo'n nadelige invloed uitoefende) eens gezegd: "Wanneer op de markt te Parijs voor 2. 000 mensen en mijn eigen ogen een wonder plaatsvond, zo zou ik eerder aan de 4. 000 ogen twijfelen, dan het wonder voor waar houden, " zo is dit een bewijs, dat er mensen zijn, die onweerlegbaar zijn, omdat elke proef, om het voor hun verstand te bewijzen, op hun wil schipbreuk lijdt. "Wie echter in de school van het lijden de samenhang van zonde en van smart doorzien heeft, die door streng en grondig zelfonderzoek de afgrond van de menselijke ziel heeft aanschouwd, wie niet alleen de orde van de natuur in aanbiddende bewondering, maar ook de verwarring van dit leven vol tegenspraak en zuchten, tot een hulpzoekend medelijden gebracht heeft, die weet het Christendom, terwijl hij het als het fundament van een vernieuwde mensheid en van een vernieuwd heelal tegemoet treedt, uit eigen ervaring, uit de eens verkregen en voortaan onvervreemdbare inhoud van zijn zelfbewustzijn te waarderen. Het Christendom - wie zou het willen loochenen - heeft een grondige zedelijk-godsdienstige omkering teweeggebracht; het heeft aan de oude wereld een einde gemaakt en een nieuwe gesticht; het heeft de wereldgeschiedenis in twee helften verdeeld en beheerst de tweede helft daarvan met zijn geweldige nog onuitgeputte impulsen. Uit deze aard van het Christendom als van een nieuw principe in die zin, waarin het volgens onze ervaring zich aan ons oog voordoet, blijken met inwendige noodzakelijkheid de twee absolute wonderen, die het aardse leven van zijn stichter begrenzen, want wanneer in de zondige mensheid een nieuw heilig en genezend beginsel hersteld moest worden, kon dit niet anders gebeuren dan zo, dat het leven van de nieuwe mensenzoon binnen de huidige orde van de natuur, maar verheven boven haar, begon en eindigde, dus zo, dat het geen met zonde bevlekt begin had en geen einde nam door aan de dood van de verrotting te worden overgegeven. Wie echter eens erkend heeft, dat de mensenzoon, die de oude mensheid moest ontzondigen en een vernieuwde stichten, in het natuurlijk verband van de mensheid moest worden ingeplant als een ent in de wilde stam; dat Hij echter van het verband van zonde en dood niet mocht worden vastgehouden, maar het overwinnend moest doorbreken evenals uit de schoot der aarde het zaadkoren tot een gulden aar ontspruit, en dat beide niet anders dan door een absoluut wonder kon gebeuren, die zal zich ook gemakkelijk in de andere wonderverhalen van de Heilige Schrift kunnen vinden.
Voegen wij hier aanstonds bij een woord over de inwendige noodzakelijkheid en het goddelijk doel van de wonderen: "De zonde heeft de mens uit de nabijheid van God verwijderd en hem de organen, waardoor hij God gewaar kan worden, toegesloten; hij is een psychisch wezen geworden, een natuurlijk mens, wiens hart aan deze wereld hangt, en wiens zintuigen slechts voor het zinnelijke ontsloten zijn. Wil God zich openbaren, dan moet Hij Zich aan de uitwendige zintuigen op evidente wijze bekend maken. Hij moet door de zintuigen de gehele mens in beweging brengen. De wonderen zijn als het ware de stemkamer, die de snaren in het menselijk hart weer spant, waarin vervolgens de Heilige Geest grijpen wil; alleen op de grondslag van het wonder komt de openbaring van God tot stand.
De inwendige noodzakelijkheid van het wonder kan ook nog van een andere zijde worden aangewezen. In een wereld, waar God niet alleen met levenloze dingen en mechanische wetten te doen heeft, maar met vrije wezens, die elk ogenblik Zijn zedelijke wereldorde kunnen doorkruisen en volgens hun goddeloze zin ook werkelijk beproeven te doorkruisen, zou daar wel een wereldregering gedacht kunnen worden, wanneer God niet de vrijheid had ook in bijzondere zaken in te grijpen, om Zijn heilige wil in de wereldgeschiedenis te volvoeren? Een noodzakelijkheid tot zo'n ingrijpen is er voor de Heere, wanneer een tijd van beslissing gekomen is, wanneer Zijn rijk weer een veelbetekende schrede voorwaarts moet doen. Bij de tegenstand, die het ongeloof van de mensen en de list en boosheid van de vorst van deze wereld tegen Hem overstelt, zou Hij, om ons zo uit te drukken, nooit de overhand behouden, wanneer Hij met Zijn macht tot de gewone wereldloop beperkt was. De tijd, toen de wet gegeven en toen zij hersteld werd (van Mozes en Elia), en de tijd toen het Evangelie werd gebracht en zich eerst uitbreidde (van Christus en de apostelen) waren zulke tijdvakken van grote betekenis; in de tijden daartussen blijven de wonderen achter. Daarmee stemt dan overeen, dat vóór het einde, voor de tijd van de laatste beslissende strijd van het rijk van God tegen de antichristelijke macht van de wereld en van de verschijning van Christus in heerlijkheid weer een periode van wonderen te wachten is (Lukas 21:25vv. ). Wanneer men, om het ongepaste van het wonder te bewijzen, dit een attestaat genoemd heeft, een geweldige aanval op de mate van zelfstandig leven, die zich aan de wereld toekomt, een verbreken van de natuurwet of de vastgestelde orde, wier onveranderlijke betekenis het enige onderpand is voor het voortbestaan van de wereld, ja zelfs een werelddoorboring genoemd heeft, zo moeten wij allereerst onderscheiden tussen wonderen in absolute zin, waarbij alle tussenkomst van het schepsel is uitgesloten en zulke, meer relatieve wonderwerken, die zich aan de wettige werkzaamheid van de natuurkrachten aansluiten, maar door bovennatuurlijke krachten versterkt worden. In het eerste geval plaatst God door Zijn eigen onmiddellijke werkzaamheid iets in de loop van de natuur, wat daarin te voren nog niet aanwezig was. De natuurkrachten zijn daarbij niet verder werkzaam, dan dat zij het product van de daad van het wonder in zich opnemen, zodra nu dit in de wereld is ingetreden staat het ook onder de wetten van de loop van de natuur en is ook voor zijn voortbestaan aan de wetten van de natuurlijke ontwikkeling onderworpen, zodat het verder ophoudt wonder te zijn en tot natuur of werkelijkheid wordt. Het is nu hiermee eveneens, om deze vergelijking ook hier te gebruiken, als met het plaatsen van een ent in een wilde stam, dit is voor de ent een nieuw begin, voor het verder voortbestaan is het aan alle natuurlijke voorwaarden gebonden. In het tweede geval daarentegen, wanneer God door middel van de gewone werkzaamheid van de natuurkrachten, door een bijzondere versterking van deze, wonderbare werkingen voortbrengt (Genesis 7:10vv. ), zo doet God iets wat de mens op een beperkte wijze en in engere kring ook volbrengt. Door beheersing en verhoging van natuurkrachten in kunst en industrie brengen wij toch werkingen voort, die de aan zich zelf overgelaten loop van de natuur nooit zou hebben voortgebracht. "Hij, die de natuur geschapen en haar loop bepaald heeft, voor wie zij in alle haar delen volkomen duidelijk en doorzichtig is, zal op de reuzeninstrumenten van de natuurkrachten, waarop wij, ondanks al onze vooruitgang in natuurwetenschappen toch slechts stumperige spelers zijn, geheel anders weten te spelen. Bij hen zullen ook, als de akkoorden het sterkst zijn, die gehele landen en geslachten ter aarde verpletteren, toch geen snaren springen, zodat wanorde in de wereldwet zou komen. Hij is toch de kundige Meester, bij Wie al Zijn werken bekend zijn van de grondlegging van de wereld, Die niet ingrijpt, zoals een onkundige door één greep in een uurwerk de gehele gang en samenhang zou doen ophouden, maar die in heilige wijsheid tot heil van de wereld en op het juiste uur bovennatuurlijke krachten laat ingrijpen. "
Deze opmerkingen mogen voorlopig genoeg zijn, totdat wij later gelegenheid vinden, bijzondere punten, die het wonder aangaan, nader uiteen te zetten.