Lukas 7:11-18
Hier hebben wij de geschiedenis van Christus' opwekking van den zoon der weduwe te Naïn, die gestorven was, en nu uitgedragen werd om begraven te worden. Mattheus en Markus hebben dit niet vermeld, Mattheus heeft er slechts in het algemeen melding van gemaakt in Christus' antwoord aan de discipelen van Johannes, Mattheus 11:5, dat de doden worden opgewekt, Merk op:
I. Waar en wanneer dit wonder werd gewrocht. Het was op den volgenden dag nadat Hij den dienstknecht van den hoofdman had genezen, vers 11. Christus heeft iedere dag goed gedaan, Hij had nooit reden om te klagen dat Hij een dag had verloren. Het geschiedde bij de poort van een kleine stad, genaamd Naïn, niet ver van Kapernaum, dezelfde stad waarschijnlijk als Naïs, waarvan door Hiëronymus wordt gesproken.
II. Wie er de getuigen van waren. Het is zo goed mogelijk door getuigen bevestigd, want het was geschied ten aanschouwe van twee scharen van mensen, die elkaar in, of nabij, de stadspoort ontmoetten. Er was een schare van discipelen en anderen, die Christus vergezelden, vers 11, en een schare van bloedverwanten, vrienden en naburen, die de begrafenis van den jongeling bijwoonden, vers 12. Aldus was een voldoend aantal daar aanwezig om de waarheid van dit wonder te getuigen, dat nog een groter bewijs opleverde van Christus' Goddelijke macht dan Zijne genezing van kranken, want door geen kracht der natuur, of enig ander middel, kunnen doden opgewekt worden.
III. Hoe het door onzen Heere Jezus werd gewrocht.
1. De persoon, die opgewekt werd, was een jongeling, in het begin zijner dagen afgesneden door den dood-een gewoon geval, de mens komt voort als een bloem, en wordt afgesneden. Dat hij werkelijk dood was, werd algemeen erkend. Er kon geen bedrieglijke afspraak in het geval zijn, want Christus kwam de stad in en had hem niet gezien, voor Hij hem nu op de lijkbaar zag. Hij werd uitgedragen uit de stad, want de begraafplaatsen der Joden waren buiten hun steden, en op enigen afstand er van. Deze jongeling was de enige zoon zijner moeder, en zij was ene weduwe. Zij was afhankelijk van hem als den staf haars ouderdoms, maar hij bleek een gebroken rietstok, iedere mens is dit, zelfs in zijn besten toestand. Hoe talrijk, hoe verscheiden, hoe zeer rampspoedig zijn de beproevingen der beproefden in deze wereld! Welk een tranendal is deze wereld! Welk een Bochim, ene plaats voor hen die wenen! Wèl kunnen wij ons voorstellen hoe diep de smart was van deze arme moeder om haar enigen zoon (op zulk een smart wordt gewezen als zijnde de grootste van alle smarten, Zacheria 12:10) en zij was nu nog te groter omdat zij ene weduwe was, verbroken door breuk op breuk, en er een volkomen einde van gemaakt aan al hare vertroostingen. Een grote schare van de stad was met haar om haar te beklagen en te vertroosten.
2. Christus toonde zowel Zijn mededogen als Zijne macht, toen Hij hem opwekte, ten einde een proeve te geven van die beiden, die zo helder uitblinken in des mensen verlossing.
a. Zie hoe meedogend Hij is jegens de beproefden, vers 13. Toen de Heere de arme weduwe zag, die haren zoon volgde naar het graf, werd Hij innerlijk met ontferming overhaar bewogen. Hier was geen bede of verzoek tot Hem gericht ten haren behoeve, niet eens, dat Hij woorden van troost tot haar zou spreken, maar ex mero motu -zuiver en alleen uit de goedheid van Zijn natuur, was Hij met haar begaan. Het geval was droevig, en Hij beschouwde het met medelijden. Zijn oog bewoog Zijn hart, en Hij zei tot haar: Ween niet. Christus is begaan met de treurenden, de ongelukkigen, en dikwijls voorkomt Hij hen met de zegeningen Zijner goedheid. Hij heeft het werk onzer verlossing en zaligheid op zich genomen door Zijne liefde en door Zijne genade, Jesaja 63:9. Welk een lieflijk denkbeeld geeft dit van de ontferming van den Heere Jezus en de menigte Zijner barmhartigheden, dat ons zeer tot vertroosting kan wezen, als wij in droefheid zijn! Laat arme weduwen zich hiermede vertoosten in hare smart, dat Christus medelijden met haar heeft en hare ziel in benauwdheden kent, en, zo anderen hare droefheid verachten, Hij doet dit niet. Christus zei: Ween niet, en Hij kon er haar een reden voor geven, die niemand anders haar geven kon: "Ween niet om een doden zoon, want hij zal zo aanstonds een levende zoon worden." Dit was een reden, gepast voor hare omstandigheden, maar er is een reden, die geldt voor allen, die in Jezus ontslapen zijn, en die van gelijke kracht is tegen overmatige droefheid om hun dood-dat zij weer opstaan zullen, zullen opstaan in heerlijkheid, en daarom moeten wij niet treuren als degenen, die gene hope hebben, 1 Thessalonicenzen 4:13. Laat Rachel, die weent om hare kinderen, hare ogen weerhouden van tranen, want er is verwachting in uw einde, spreekt de Heere, want uwe kinderen zullen wederkomen tot hun landpale, Jeremia 31:17. En laat ons lijden in zulk een tijd tot kalmte en bedaren worden gebracht door het denken aan Christus' medelijden.
b. Zie hoe Zijne bevelen triomferen zelfs over den dood, vers 14. Hij ging toe, en raakte de baar aan, of de doodkist, waarop, of waarin, de dode lag, want voor Hem zal dat geen verontreiniging zijn. Hierdoor gaf Hij aan de dragers te kennen, dat zij niet moesten voortgaan, Hij had iets aan dien doden jongeling te zeggen. Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, ik heb verzoening gevonden, Job 33:24. Hierop bleven zij, die hem droegen, stilstaan, en hebben waarschijnlijk de baar van hun schouders neergelaten op den grond, en openden de doodkist, indien zij gesloten was. En toen zei Hij plechtig, als gezaghebbende bij wie uitkomsten zijn tegen den dood: Jongeling, Ik zeg u, sta op. De jongeling was dood, en kon niet door zijn eigen kracht opstaan (evenmin als zij, die geestelijk dood zijn door de misdaden en de zonden), en toch was het voor Christus gene ongerijmdheid om hem te gebieden op te staan, als er met dat woord van gebod kracht uitging om leven in hem te brengen. De roepstem des Evangelies tot alle mensen, inzonderheid tot jonge mensen, luidt: "Staat op, staat op van de doden, en Christus zal u licht en leven geven." Christus' heerschappij over den dood bleek uit de onmiddellijke uitwerking van Zijn woord, vers 15.
De dode zat overeind, zonder hulp van anderen. Toen Christus leven in hem verwekte, deed hij dit blijken door zijn overeind zitten. Hebben wij genade van Christus? Laat ons het doen blijken. Een ander bewijs dat hij leefde, was dat hij begon te spreken, want als Christus ons geestelijk leven geeft, opent Hij onze lippen in gebed en dankzegging. En eindelijk, Hij wilde den jongeling, aan wie Hij een nieuw leven had geschonken, niet verplichten om met Hem te wandelen als Zijn discipel, Hem diensten te bewijzen (hoewel hij Hem zijn leven, zijn bestaan verschuldigd was), en nog minder wilde Hij hem medenemen als een trofee om hem te vertonen, en alzo eer door hem te verkrijgen, neen, Hij gaf hem aan zijne moeder, om bij haar te blijven als een gehoorzame zoon, want Christus' wonderen waren wonderen van barmhartigheid, en dit was een daad van grote barmhartigheid voor deze weduwe. Nu was zij vertroost naar den tijd, waarin zij beproefd was geweest, en nog veel meer, want nu kon zij op dien zoon zien als op een bijzonderen gunstgenoot des hemels met meer genot en vreugde, dan wanneer hij niet ware gestorven.
IV. Welken invloed dit had op het volk, vers 19, vreze beving hen allen. Het maakte hen bevreesd een dode levend uit zijne doodkist te zien opstaan op straat, op het bevel van een mens. Zij waren allen getroffen van verbazing over dat wonder, en verheerlijkten God. De Heere en Zijne goedheid moeten, evenzeer als de Heere en Zijne majesteit, gevreesd worden. De gevolgtrekking, die zij er uit afleiden, was: Een groot profeet is onder ons opgestaan, de grote profeet, naar wie wij zolang hebben uitgezien, ongetwijfeld is hij bezield door Gods Geest, daar Hij aldus leven kan inblazen in een dode, en in hem heeft God Zijn volk bezocht, om hen te verlossen, gelijk dit verwacht werd, Lukas 1:68. Dit voorwaar zou voor hen allen, die de vertroosting Israël's verwachtten, als een leven zijn uit den dood. Wanneer dode zielen aldus door een Goddelijke kracht, die uitgaat van het Evangelie, tot geestelijk leven worden opgewekt, dan moeten wij God verheerlijken, en het beschouwen als een genadige bezoeking van Zijn volk. Het bericht van dit wonder ging uit,
1. In het gehele land, vers 17. Dit gerucht van Hem, dat Hij de grote profeet was, ging uit door geheel Judea, dat op een groten afstand lag, en door geheel Galilea, dat het omliggende land was. De meesten ontvingen dit bericht van Hem, maar weinigen geloofden in Hem, of gaven zich aan Hem. Velen hebben het gerucht van Christus' Evangelie in hun oren, die er den geur en smaak niet van hebben in hun ziel.
2. Zeer bijzonder werd de tijding hiervan gebracht aan Johannes de Doper, die nu in de gevangenis was, vers 18. De discipelen van Johannes boodschapten hem van al deze dingen, opdat hij zou weten dat, ofschoon hij gebonden was, het woord des Heeren niet was gebonden. Gods werk bleef voortgaan, hoewel hij ter zijde was gesteld.