27. Deze is het, die - zoals ik het volk, dat tot mijn doop komt, gewoon ben te zeggen (
Hoofdstuk 13:26) - na mij komt, die voor mij geworden is, die ik, zoals ik nader van mijn verhouding tot Hem al heb beleden (
Mattheus 3:11.
Markus 1:17.
Lukas 3:16) niet waardig ben, dat ik als Zijn minste dienaar voor Hem buig en Zijn schoenriem zou ontbinden.
Vroeger was het ambt van de afgezondenen aangegeven, hier wordt op de partij gewezen, waartoe zij behoorden. Deze aanwijzing moet in betrekking staan tot de vragen, die zij verder tot de Doper richtten. De medeleden van de farizese partij waakten namelijk overal met inquisitorische gestrengheid daarvoor, dat de theocratische orde bewaard werd, niet slechts in ritueel opzicht, maar ook omtrent de ambtsbevoegdheid en de Heer (Hoofdstuk 9:13; 7:47 vv. ; 12:42). Bij alles wat anders was dan het naar hun opgevatte meningen moest zijn, waren zij dadelijk bij de hand om ter verantwoording te roepen en te oordelen.
Omdat de Farizeeën tot de ultrahoudende richting in Israël behoorden, moesten zij zich wel bovenmate gekwetst voelen door zo'n belangrijke nieuwigheid, als Johannes de Doper zich veroorloofde door de invoering van de doop. Ongetwijfeld bestonden er bij de wet vastgestelde reinigingen in de Joodse eredienst. Sommigen beweren zelfs dat een volledige indompeling al gewoonte geworden was voor de heidense bekeerlingen als zij het Jodendom aannamen. Maar de toepassing van dit zinnebeeld van volstrekte bezoedeling op leden van het theocratisch volk was zo'n vreemde nieuwigheid, dat zij in de hoogst mogelijke graad de gevoeligheid had moeten opwekken van de volkshoofden met de bewaring van de aloude gebruiken belast en in het bijzonder van die partij, die het meest aan de overlevering gehecht was. Ook had het Farizees bestanddeel de overhand gehad, toen in de boezem van het Sanhedrin het gezantschap benoemd geworden was, dat Johannes de Doper rekenschap zou doen afleggen van de rol, die hij zich aanmatigde en van de plechtigheid, die hij bediende. De geschiedschrijver voegt die opmerking pas hier in. Dit is zijn gewone manier van vertellen. Hij begint niet met de volledige schildering van de uitwendige omstandigheden, waaronder het toneel, dat hij beschrijft, plaats vindt; maar naarmate de behoefte het eist, vult hij de kleine bijzonderheden aan, die geschikt zijn om Zijn verhaal toe te lichten. Vergelijk Hoofdstuk 1:41, 45; 4:30; 9:14; 11:5; 18:18 en elders.
Het antwoord van de Doper op de vraag, hem hier voorgesteld, komt overeen met hetgeen hij in Vers 23 had gezegd, dat hij bestemd was om de Messias voor te bereiden. Zo was wel zijn doop niet de doop van de Geest, die voor de Messias was bewaard, maar een waterdoop, nog zonder het hemelse element, maar reeds in hun midden stond de veel grotere, op wie dit voorbereidende dopen zag. In het eerste lid van het vers: ik doop u met water, ligt dus, dat hij met zijn dopen zich niets aanmatigde wat de Messias toekwam (het dopen met de Geest) en dit deel doelt op het "Als u de Christus niet bent" in Vers 25 ; in het tweede lid van het vers, "maar Hij staat midden onder u" ligt daarentegen dat dit zijn voorlopig dopen nu de rechtvaardiging bezat van de noodzakelijkheid door God beschikt volgens zijn verhouding tot de Messias. Die Messias was, hoewel hun onbekend, reeds in hun midden, zodat hetgeen zij aan Elias of de verwachte profeet toekenden, van zijn kant niet mocht achterblijven en dit gedeelte van het antwoord doelt op dat "noch Elias, noch de profeet. "
De afgezondenen door de Hoge raad komt de waterdoop van Johannes als bijzonder groot voor, maar hemzelf komt zij buitengewoon klein voor, omdat hem steeds grote werking voor ogen staat, waarmee de Messias zal optreden. Maar hij stelde zijn doop niet alleen lager, hij rechtvaardigde die ook, omdat hij de afgezondenen mededeelde dat de Messias hen reeds zeer nabij was gekomen. Door deze verkondiging toch moest hij hun voorkomen als de naaste voorloper van de Messias, ja, als een met Hem vertrouwde - reeds is Hij in uw midden en toch kent u Hem niet, die na mij komt en toch vóór mij geweest is.
Wat de woorden "midden onder u" aangaat, sommige uitleggers hebben ze zo willen opvatten alsof Jezus, nadat Hij reeds op deze dag uit de woestijn van Zijn verzoeking (Mattheus 4:1-11) tot Johannes aan de Jordaan was teruggekeerd, Zich midden onder de volksmenigte had bevonden, die het gezantschap omringde en de Doper zo de woorden had doen vergezeld gaan door een blik, die op Hem wees. Dat is echter te gekunsteld, zelfs als de aanneming van een volksmenigte rondom het gezantschap meer gewettigd was, dan zij dit in waarheid is en bovendien schijnt zo'n heenwijzende blik voor een gehoor van deze aard en Johannes zelf geheel onwaardig. Daarentegen zijn de woorden een zeker bewijs daarvoor, dat de doop van Jezus door Johannes al voor enige tijd geschied was. In Lukas 3:21 lezen wij: Het geschiedde, toen al het volk gedoopt werd en Jezus ook gedoopt was en bad, dat de hemel geopend werd en dat de Heilige Geest op Hem neerdaalde; daarop doelt Johannes als hij zegt: "Hij is midden onder u. " Deze getuigenis van de Doper over de nabijheid van de Messias, zegt Baumgarten, klinkt als hoorde Johannes reeds het ruisen van Jezus' voeten, zoals Hij uit de woestijn aan de Jordaan terugkeert (Vers 29).
De Christus van de Heere is nu aanwezig, heeft vaste voet verkregen om onder hen te blijven; Johannes weet dit, hij heeft door het wonder van de doop in de Jordaan deze kennis ontvangen, het volk weet echter niets, het erkent niet degene die nu gekleed in het vlees en bloed van de mensen midden onder hen staat. Hij wil toch niet alleen de onkunde van het volk scherp tegenover zijn eigen kennis stellen; hij wil ze ook opwekken dat zij proberen Hem te kennen, hij wil ook tegenover deze Farizeeën de wegbereider van de Heere zijn; dit blijkt duidelijk uit de getuigenis, die daarop dadelijk volgt van de alles overtreffende heerlijkheid van de verschenen Messias. Voor de Doper is het een vreugde van het hart om Degene, die na hem komt, vóór zich te zien. Besnijding kent zijn hart niet; met recht vergelijkt de Heere hem met een licht, want van het licht kan gezegd worden: "lucendo consumor, " d. i. : "terwijl ik licht geef, verteer ik mijzelf. " Voor niemand onder de stervelingen zou de Doper zich zo verootmoedigd hebben - hij, die meer was dan een profeet, zo groot, dat onder allen, die van vrouwen geboren zijn, niemand is opgestaan, groter dan Johannes de Doper.
Laat ons opmerken, wat het woord van de waarheid van de persoon van de Heere Jezus Christus leert, als wij het feest van Zijn geboorte met vreugde tegemoet willen gaan! Niet de geboorte van een gewoon mens, niet de geboorte van de voortreffelijkste en verhevenste van alle mensenkinderen verkondigt ons het heilige feest, maar het grote ondoorgrondelijke wonder van de menswording van Hem, die als de waarachtige Zoon van God, als het afschijnsel van Gods heerlijkheid en als het evenbeeld van Zijn Wezen van eeuwigheid God is, zoals de Vader en de Heilige Geest, hoog geprezen altijd en eeuwig; slechts zo een kon ons uit het verderf redden, waarin de zonde ons hele geslacht had gestort; slechts zo een in waarheid onze Heiland worden, die waarachtig God en waarachtig mens in één persoon was.
Aan velen onder ons is de aanwezige, de ons gepredikte, onder ons bekende Christus niet wat Hij voor Johannes was; niet aanwezig, niet van eeuwigheid, niet komend, niet komend in het woord, niet in de dood, niet aan het einde der dagen - dat is de armzalige belijdenis van een groot aantal mensen, die nog de naam van de Hooggeprezene dragen, nog de naam van Christenen willen behouden. Zij kennen Hem niet en zij kennen ook zichzelf niet; kenden zij zichzelf, dan zouden zij niet genoeg aan zichzelf hebben, dan zouden zij niet zo zelfgenoegzaam, zo tevreden met zichzelf zijn, zij zouden vol schrik over hun leegheid, hun zwakheid, dwaasheid en boosheid gaan zoeken of er iemand mocht komen, die zij in plaats van zichzelf konden liefhebben, eren, vrezen zij zouden zoeken en vinden. Maar de hoogmoed heeft al het ingeschapen verlangen naar het eeuwige gedood en dit leven, dat toch een voortgaande adventstijd is, van alle hoop en verwachting ontbloot; men wacht geen Christus meer; men heeft zonder Hem alles genoeg, evenals die nieuwe Joden, die zich verheugen in de grote voortgang, zodat zij op geen Heiland meer zouden hoeven te hopen. Christus is voor velen niets meer - wat zou voor hen Zijn geboortedag zijn? Men verheugt zich niet in Hem, hoe zal men zich over Zijn geboorte verheugen? Ach, het is treurig, als de tijd geen advent meer is, als men de Heere niet meer verwacht en zich niet meer over Zijn geboorte kan verheugen! Wat is dan het leven, wat de eigen geboortedag van de mensen en wat zijn sterfdag? Zijn wij niet voor Hem geboren, omdat Hij niet voor ons geboren is, voor wie en waarvoor zijn wij dan geboren? Waarvoor leven wij dan? E wat is dan ons sterven? Wenden wij ons met vrees van dat deel van de mensheid, dat zich alle vreugde door ongeloof ontrooft en zich door eigen schuld arm maakt - door de Heere der heerlijkheid en Zijn rijk te verwerpen. Wenden wij ons langzaam en voor hen biddende af, naar de heilige Johannes en zijn geestverwanten, naar de zalige menigte van volmaakte knechten en dienstmaagden van God, die in Jezus' geboorte eeuwige vreugde vonden, tot de gelijkgezinden in de nog strijdende kerk, die in het liefelijk Kerstfeest meer zien dan slechts een spel, die werkelijk begeren het dankfeest voor de geboorte van hun Heiland te vieren, die zich met Johannes voor Hem neerwerpen en in niets willen roemen dan in Hem en in Zijn genade!
Hoe is het mogelijk, dat de afgezondenen van de Hoge raad de Doper verlieten zonder hem te vragen wie de persoon was, waarvan hij sprak? Of het was hun onverschillig het te vernemen, of zij verachtten Hem, die zo tot hen sprak; in beide gevallen begint met dit punt de geschiedenis van hun ongeloof.
Kan Johannes hiermee wel iets anders hebben willen zeggen, dan wat Thomas later zei: Hij is mijn Heer en mijn God? De persoon, die u zich niet waardig keurt, de allerlaagste dienst te bewijzen, kan die een schepsel zijn, al was hij ook de hoogste van de engelen?
27. Deze is het, die - zoals ik het volk, dat tot mijn doop komt, gewoon ben te zeggen (Hoofdstuk 13:26) - na mij komt, die voor mij geworden is, die ik, zoals ik nader van mijn verhouding tot Hem al heb beleden (Mattheus 3:11. Markus 1:17. Lukas 3:16) niet waardig ben, dat ik als Zijn minste dienaar voor Hem buig en Zijn schoenriem zou ontbinden.
Vroeger was het ambt van de afgezondenen aangegeven, hier wordt op de partij gewezen, waartoe zij behoorden. Deze aanwijzing moet in betrekking staan tot de vragen, die zij verder tot de Doper richtten. De medeleden van de farizese partij waakten namelijk overal met inquisitorische gestrengheid daarvoor, dat de theocratische orde bewaard werd, niet slechts in ritueel opzicht, maar ook omtrent de ambtsbevoegdheid en de Heer (Hoofdstuk 9:13; 7:47 vv. ; 12:42). Bij alles wat anders was dan het naar hun opgevatte meningen moest zijn, waren zij dadelijk bij de hand om ter verantwoording te roepen en te oordelen.
Omdat de Farizeeën tot de ultrahoudende richting in Israël behoorden, moesten zij zich wel bovenmate gekwetst voelen door zo'n belangrijke nieuwigheid, als Johannes de Doper zich veroorloofde door de invoering van de doop. Ongetwijfeld bestonden er bij de wet vastgestelde reinigingen in de Joodse eredienst. Sommigen beweren zelfs dat een volledige indompeling al gewoonte geworden was voor de heidense bekeerlingen als zij het Jodendom aannamen. Maar de toepassing van dit zinnebeeld van volstrekte bezoedeling op leden van het theocratisch volk was zo'n vreemde nieuwigheid, dat zij in de hoogst mogelijke graad de gevoeligheid had moeten opwekken van de volkshoofden met de bewaring van de aloude gebruiken belast en in het bijzonder van die partij, die het meest aan de overlevering gehecht was. Ook had het Farizees bestanddeel de overhand gehad, toen in de boezem van het Sanhedrin het gezantschap benoemd geworden was, dat Johannes de Doper rekenschap zou doen afleggen van de rol, die hij zich aanmatigde en van de plechtigheid, die hij bediende. De geschiedschrijver voegt die opmerking pas hier in. Dit is zijn gewone manier van vertellen. Hij begint niet met de volledige schildering van de uitwendige omstandigheden, waaronder het toneel, dat hij beschrijft, plaats vindt; maar naarmate de behoefte het eist, vult hij de kleine bijzonderheden aan, die geschikt zijn om Zijn verhaal toe te lichten. Vergelijk Hoofdstuk 1:41, 45; 4:30; 9:14; 11:5; 18:18 en elders.
Het antwoord van de Doper op de vraag, hem hier voorgesteld, komt overeen met hetgeen hij in Vers 23 had gezegd, dat hij bestemd was om de Messias voor te bereiden. Zo was wel zijn doop niet de doop van de Geest, die voor de Messias was bewaard, maar een waterdoop, nog zonder het hemelse element, maar reeds in hun midden stond de veel grotere, op wie dit voorbereidende dopen zag. In het eerste lid van het vers: ik doop u met water, ligt dus, dat hij met zijn dopen zich niets aanmatigde wat de Messias toekwam (het dopen met de Geest) en dit deel doelt op het "Als u de Christus niet bent" in Vers 25 ; in het tweede lid van het vers, "maar Hij staat midden onder u" ligt daarentegen dat dit zijn voorlopig dopen nu de rechtvaardiging bezat van de noodzakelijkheid door God beschikt volgens zijn verhouding tot de Messias. Die Messias was, hoewel hun onbekend, reeds in hun midden, zodat hetgeen zij aan Elias of de verwachte profeet toekenden, van zijn kant niet mocht achterblijven en dit gedeelte van het antwoord doelt op dat "noch Elias, noch de profeet. "
De afgezondenen door de Hoge raad komt de waterdoop van Johannes als bijzonder groot voor, maar hemzelf komt zij buitengewoon klein voor, omdat hem steeds grote werking voor ogen staat, waarmee de Messias zal optreden. Maar hij stelde zijn doop niet alleen lager, hij rechtvaardigde die ook, omdat hij de afgezondenen mededeelde dat de Messias hen reeds zeer nabij was gekomen. Door deze verkondiging toch moest hij hun voorkomen als de naaste voorloper van de Messias, ja, als een met Hem vertrouwde - reeds is Hij in uw midden en toch kent u Hem niet, die na mij komt en toch vóór mij geweest is.
Wat de woorden "midden onder u" aangaat, sommige uitleggers hebben ze zo willen opvatten alsof Jezus, nadat Hij reeds op deze dag uit de woestijn van Zijn verzoeking (Mattheus 4:1-11) tot Johannes aan de Jordaan was teruggekeerd, Zich midden onder de volksmenigte had bevonden, die het gezantschap omringde en de Doper zo de woorden had doen vergezeld gaan door een blik, die op Hem wees. Dat is echter te gekunsteld, zelfs als de aanneming van een volksmenigte rondom het gezantschap meer gewettigd was, dan zij dit in waarheid is en bovendien schijnt zo'n heenwijzende blik voor een gehoor van deze aard en Johannes zelf geheel onwaardig. Daarentegen zijn de woorden een zeker bewijs daarvoor, dat de doop van Jezus door Johannes al voor enige tijd geschied was. In Lukas 3:21 lezen wij: Het geschiedde, toen al het volk gedoopt werd en Jezus ook gedoopt was en bad, dat de hemel geopend werd en dat de Heilige Geest op Hem neerdaalde; daarop doelt Johannes als hij zegt: "Hij is midden onder u. " Deze getuigenis van de Doper over de nabijheid van de Messias, zegt Baumgarten, klinkt als hoorde Johannes reeds het ruisen van Jezus' voeten, zoals Hij uit de woestijn aan de Jordaan terugkeert (Vers 29).
De Christus van de Heere is nu aanwezig, heeft vaste voet verkregen om onder hen te blijven; Johannes weet dit, hij heeft door het wonder van de doop in de Jordaan deze kennis ontvangen, het volk weet echter niets, het erkent niet degene die nu gekleed in het vlees en bloed van de mensen midden onder hen staat. Hij wil toch niet alleen de onkunde van het volk scherp tegenover zijn eigen kennis stellen; hij wil ze ook opwekken dat zij proberen Hem te kennen, hij wil ook tegenover deze Farizeeën de wegbereider van de Heere zijn; dit blijkt duidelijk uit de getuigenis, die daarop dadelijk volgt van de alles overtreffende heerlijkheid van de verschenen Messias. Voor de Doper is het een vreugde van het hart om Degene, die na hem komt, vóór zich te zien. Besnijding kent zijn hart niet; met recht vergelijkt de Heere hem met een licht, want van het licht kan gezegd worden: "lucendo consumor, " d. i. : "terwijl ik licht geef, verteer ik mijzelf. "
Voor niemand onder de stervelingen zou de Doper zich zo verootmoedigd hebben - hij, die meer was dan een profeet, zo groot, dat onder allen, die van vrouwen geboren zijn, niemand is opgestaan, groter dan Johannes de Doper. Laat ons opmerken, wat het woord van de waarheid van de persoon van de Heere Jezus Christus leert, als wij het feest van Zijn geboorte met vreugde tegemoet willen gaan! Niet de geboorte van een gewoon mens, niet de geboorte van de voortreffelijkste en verhevenste van alle mensenkinderen verkondigt ons het heilige feest, maar het grote ondoorgrondelijke wonder van de menswording van Hem, die als de waarachtige Zoon van God, als het afschijnsel van Gods heerlijkheid en als het evenbeeld van Zijn Wezen van eeuwigheid God is, zoals de Vader en de Heilige Geest, hoog geprezen altijd en eeuwig; slechts zo een kon ons uit het verderf redden, waarin de zonde ons hele geslacht had gestort; slechts zo een in waarheid onze Heiland worden, die waarachtig God en waarachtig mens in één persoon was.
Aan velen onder ons is de aanwezige, de ons gepredikte, onder ons bekende Christus niet wat Hij voor Johannes was; niet aanwezig, niet van eeuwigheid, niet komend, niet komend in het woord, niet in de dood, niet aan het einde der dagen - dat is de armzalige belijdenis van een groot aantal mensen, die nog de naam van de Hooggeprezene dragen, nog de naam van Christenen willen behouden. Zij kennen Hem niet en zij kennen ook zichzelf niet; kenden zij zichzelf, dan zouden zij niet genoeg aan zichzelf hebben, dan zouden zij niet zo zelfgenoegzaam, zo tevreden met zichzelf zijn, zij zouden vol schrik over hun leegheid, hun zwakheid, dwaasheid en boosheid gaan zoeken of er iemand mocht komen, die zij in plaats van zichzelf konden liefhebben, eren, vrezen zij zouden zoeken en vinden. Maar de hoogmoed heeft al het ingeschapen verlangen naar het eeuwige gedood en dit leven, dat toch een voortgaande adventstijd is, van alle hoop en verwachting ontbloot; men wacht geen Christus meer; men heeft zonder Hem alles genoeg, evenals die nieuwe Joden, die zich verheugen in de grote voortgang, zodat zij op geen Heiland meer zouden hoeven te hopen. Christus is voor velen niets meer - wat zou voor hen Zijn geboortedag zijn? Men verheugt zich niet in Hem, hoe zal men zich over Zijn geboorte verheugen? Ach, het is treurig, als de tijd geen advent meer is, als men de Heere niet meer verwacht en zich niet meer over Zijn geboorte kan verheugen! Wat is dan het leven, wat de eigen geboortedag van de mensen en wat zijn sterfdag? Zijn wij niet voor Hem geboren, omdat Hij niet voor ons geboren is, voor wie en waarvoor zijn wij dan geboren? Waarvoor leven wij dan? E wat is dan ons sterven? Wenden wij ons met vrees van dat deel van de mensheid, dat zich alle vreugde door ongeloof ontrooft en zich door eigen schuld arm maakt - door de Heere der heerlijkheid en Zijn rijk te verwerpen. Wenden wij ons langzaam en voor hen biddende af, naar de heilige Johannes en zijn geestverwanten, naar de zalige menigte van volmaakte knechten en dienstmaagden van God, die in Jezus' geboorte eeuwige vreugde vonden, tot de gelijkgezinden in de nog strijdende kerk, die in het liefelijk Kerstfeest meer zien dan slechts een spel, die werkelijk begeren het dankfeest voor de geboorte van hun Heiland te vieren, die zich met Johannes voor Hem neerwerpen en in niets willen roemen dan in Hem en in Zijn genade!
Hoe is het mogelijk, dat de afgezondenen van de Hoge raad de Doper verlieten zonder hem te vragen wie de persoon was, waarvan hij sprak? Of het was hun onverschillig het te vernemen, of zij verachtten Hem, die zo tot hen sprak; in beide gevallen begint met dit punt de geschiedenis van hun ongeloof. Kan Johannes hiermee wel iets anders hebben willen zeggen, dan wat Thomas later zei: Hij is mijn Heer en mijn God? De persoon, die u zich niet waardig keurt, de allerlaagste dienst te bewijzen, kan die een schepsel zijn, al was hij ook de hoogste van de engelen?
27. Deze is het, die - zoals ik het volk, dat tot mijn doop komt, gewoon ben te zeggen (Hoofdstuk 13:26) - na mij komt, die voor mij geworden is, die ik, zoals ik nader van mijn verhouding tot Hem al heb beleden (Mattheus 3:11. Markus 1:17. Lukas 3:16) niet waardig ben, dat ik als Zijn minste dienaar voor Hem buig en Zijn schoenriem zou ontbinden.
Vroeger was het ambt van de afgezondenen aangegeven, hier wordt op de partij gewezen, waartoe zij behoorden. Deze aanwijzing moet in betrekking staan tot de vragen, die zij verder tot de Doper richtten. De medeleden van de farizese partij waakten namelijk overal met inquisitorische gestrengheid daarvoor, dat de theocratische orde bewaard werd, niet slechts in ritueel opzicht, maar ook omtrent de ambtsbevoegdheid en de Heer (Hoofdstuk 9:13; 7:47 vv. ; 12:42). Bij alles wat anders was dan het naar hun opgevatte meningen moest zijn, waren zij dadelijk bij de hand om ter verantwoording te roepen en te oordelen.
Omdat de Farizeeën tot de ultrahoudende richting in Israël behoorden, moesten zij zich wel bovenmate gekwetst voelen door zo'n belangrijke nieuwigheid, als Johannes de Doper zich veroorloofde door de invoering van de doop. Ongetwijfeld bestonden er bij de wet vastgestelde reinigingen in de Joodse eredienst. Sommigen beweren zelfs dat een volledige indompeling al gewoonte geworden was voor de heidense bekeerlingen als zij het Jodendom aannamen. Maar de toepassing van dit zinnebeeld van volstrekte bezoedeling op leden van het theocratisch volk was zo'n vreemde nieuwigheid, dat zij in de hoogst mogelijke graad de gevoeligheid had moeten opwekken van de volkshoofden met de bewaring van de aloude gebruiken belast en in het bijzonder van die partij, die het meest aan de overlevering gehecht was. Ook had het Farizees bestanddeel de overhand gehad, toen in de boezem van het Sanhedrin het gezantschap benoemd geworden was, dat Johannes de Doper rekenschap zou doen afleggen van de rol, die hij zich aanmatigde en van de plechtigheid, die hij bediende. De geschiedschrijver voegt die opmerking pas hier in. Dit is zijn gewone manier van vertellen. Hij begint niet met de volledige schildering van de uitwendige omstandigheden, waaronder het toneel, dat hij beschrijft, plaats vindt; maar naarmate de behoefte het eist, vult hij de kleine bijzonderheden aan, die geschikt zijn om Zijn verhaal toe te lichten. Vergelijk Hoofdstuk 1:41, 45; 4:30; 9:14; 11:5; 18:18 en elders.
Het antwoord van de Doper op de vraag, hem hier voorgesteld, komt overeen met hetgeen hij in Vers 23 had gezegd, dat hij bestemd was om de Messias voor te bereiden. Zo was wel zijn doop niet de doop van de Geest, die voor de Messias was bewaard, maar een waterdoop, nog zonder het hemelse element, maar reeds in hun midden stond de veel grotere, op wie dit voorbereidende dopen zag. In het eerste lid van het vers: ik doop u met water, ligt dus, dat hij met zijn dopen zich niets aanmatigde wat de Messias toekwam (het dopen met de Geest) en dit deel doelt op het "Als u de Christus niet bent" in Vers 25 ; in het tweede lid van het vers, "maar Hij staat midden onder u" ligt daarentegen dat dit zijn voorlopig dopen nu de rechtvaardiging bezat van de noodzakelijkheid door God beschikt volgens zijn verhouding tot de Messias. Die Messias was, hoewel hun onbekend, reeds in hun midden, zodat hetgeen zij aan Elias of de verwachte profeet toekenden, van zijn kant niet mocht achterblijven en dit gedeelte van het antwoord doelt op dat "noch Elias, noch de profeet. "
De afgezondenen door de Hoge raad komt de waterdoop van Johannes als bijzonder groot voor, maar hemzelf komt zij buitengewoon klein voor, omdat hem steeds grote werking voor ogen staat, waarmee de Messias zal optreden. Maar hij stelde zijn doop niet alleen lager, hij rechtvaardigde die ook, omdat hij de afgezondenen mededeelde dat de Messias hen reeds zeer nabij was gekomen. Door deze verkondiging toch moest hij hun voorkomen als de naaste voorloper van de Messias, ja, als een met Hem vertrouwde - reeds is Hij in uw midden en toch kent u Hem niet, die na mij komt en toch vóór mij geweest is.
Wat de woorden "midden onder u" aangaat, sommige uitleggers hebben ze zo willen opvatten alsof Jezus, nadat Hij reeds op deze dag uit de woestijn van Zijn verzoeking (Mattheus 4:1-11) tot Johannes aan de Jordaan was teruggekeerd, Zich midden onder de volksmenigte had bevonden, die het gezantschap omringde en de Doper zo de woorden had doen vergezeld gaan door een blik, die op Hem wees. Dat is echter te gekunsteld, zelfs als de aanneming van een volksmenigte rondom het gezantschap meer gewettigd was, dan zij dit in waarheid is en bovendien schijnt zo'n heenwijzende blik voor een gehoor van deze aard en Johannes zelf geheel onwaardig. Daarentegen zijn de woorden een zeker bewijs daarvoor, dat de doop van Jezus door Johannes al voor enige tijd geschied was. In Lukas 3:21 lezen wij: Het geschiedde, toen al het volk gedoopt werd en Jezus ook gedoopt was en bad, dat de hemel geopend werd en dat de Heilige Geest op Hem neerdaalde; daarop doelt Johannes als hij zegt: "Hij is midden onder u. " Deze getuigenis van de Doper over de nabijheid van de Messias, zegt Baumgarten, klinkt als hoorde Johannes reeds het ruisen van Jezus' voeten, zoals Hij uit de woestijn aan de Jordaan terugkeert (Vers 29).
De Christus van de Heere is nu aanwezig, heeft vaste voet verkregen om onder hen te blijven; Johannes weet dit, hij heeft door het wonder van de doop in de Jordaan deze kennis ontvangen, het volk weet echter niets, het erkent niet degene die nu gekleed in het vlees en bloed van de mensen midden onder hen staat. Hij wil toch niet alleen de onkunde van het volk scherp tegenover zijn eigen kennis stellen; hij wil ze ook opwekken dat zij proberen Hem te kennen, hij wil ook tegenover deze Farizeeën de wegbereider van de Heere zijn; dit blijkt duidelijk uit de getuigenis, die daarop dadelijk volgt van de alles overtreffende heerlijkheid van de verschenen Messias. Voor de Doper is het een vreugde van het hart om Degene, die na hem komt, vóór zich te zien. Besnijding kent zijn hart niet; met recht vergelijkt de Heere hem met een licht, want van het licht kan gezegd worden: "lucendo consumor, " d. i. : "terwijl ik licht geef, verteer ik mijzelf. "
Voor niemand onder de stervelingen zou de Doper zich zo verootmoedigd hebben - hij, die meer was dan een profeet, zo groot, dat onder allen, die van vrouwen geboren zijn, niemand is opgestaan, groter dan Johannes de Doper.
Laat ons opmerken, wat het woord van de waarheid van de persoon van de Heere Jezus Christus leert, als wij het feest van Zijn geboorte met vreugde tegemoet willen gaan! Niet de geboorte van een gewoon mens, niet de geboorte van de voortreffelijkste en verhevenste van alle mensenkinderen verkondigt ons het heilige feest, maar het grote ondoorgrondelijke wonder van de menswording van Hem, die als de waarachtige Zoon van God, als het afschijnsel van Gods heerlijkheid en als het evenbeeld van Zijn Wezen van eeuwigheid God is, zoals de Vader en de Heilige Geest, hoog geprezen altijd en eeuwig; slechts zo een kon ons uit het verderf redden, waarin de zonde ons hele geslacht had gestort; slechts zo een in waarheid onze Heiland worden, die waarachtig God en waarachtig mens in één persoon was.
Aan velen onder ons is de aanwezige, de ons gepredikte, onder ons bekende Christus niet wat Hij voor Johannes was; niet aanwezig, niet van eeuwigheid, niet komend, niet komend in het woord, niet in de dood, niet aan het einde der dagen - dat is de armzalige belijdenis van een groot aantal mensen, die nog de naam van de Hooggeprezene dragen, nog de naam van Christenen willen behouden. Zij kennen Hem niet en zij kennen ook zichzelf niet; kenden zij zichzelf, dan zouden zij niet genoeg aan zichzelf hebben, dan zouden zij niet zo zelfgenoegzaam, zo tevreden met zichzelf zijn, zij zouden vol schrik over hun leegheid, hun zwakheid, dwaasheid en boosheid gaan zoeken of er iemand mocht komen, die zij in plaats van zichzelf konden liefhebben, eren, vrezen zij zouden zoeken en vinden. Maar de hoogmoed heeft al het ingeschapen verlangen naar het eeuwige gedood en dit leven, dat toch een voortgaande adventstijd is, van alle hoop en verwachting ontbloot; men wacht geen Christus meer; men heeft zonder Hem alles genoeg, evenals die nieuwe Joden, die zich verheugen in de grote voortgang, zodat zij op geen Heiland meer zouden hoeven te hopen. Christus is voor velen niets meer - wat zou voor hen Zijn geboortedag zijn? Men verheugt zich niet in Hem, hoe zal men zich over Zijn geboorte verheugen? Ach, het is treurig, als de tijd geen advent meer is, als men de Heere niet meer verwacht en zich niet meer over Zijn geboorte kan verheugen! Wat is dan het leven, wat de eigen geboortedag van de mensen en wat zijn sterfdag? Zijn wij niet voor Hem geboren, omdat Hij niet voor ons geboren is, voor wie en waarvoor zijn wij dan geboren? Waarvoor leven wij dan? E wat is dan ons sterven? Wenden wij ons met vrees van dat deel van de mensheid, dat zich alle vreugde door ongeloof ontrooft en zich door eigen schuld arm maakt - door de Heere der heerlijkheid en Zijn rijk te verwerpen. Wenden wij ons langzaam en voor hen biddende af, naar de heilige Johannes en zijn geestverwanten, naar de zalige menigte van volmaakte knechten en dienstmaagden van God, die in Jezus' geboorte eeuwige vreugde vonden, tot de gelijkgezinden in de nog strijdende kerk, die in het liefelijk Kerstfeest meer zien dan slechts een spel, die werkelijk begeren het dankfeest voor de geboorte van hun Heiland te vieren, die zich met Johannes voor Hem neerwerpen en in niets willen roemen dan in Hem en in Zijn genade!
Hoe is het mogelijk, dat de afgezondenen van de Hoge raad de Doper verlieten zonder hem te vragen wie de persoon was, waarvan hij sprak? Of het was hun onverschillig het te vernemen, of zij verachtten Hem, die zo tot hen sprak; in beide gevallen begint met dit punt de geschiedenis van hun ongeloof.
Kan Johannes hiermee wel iets anders hebben willen zeggen, dan wat Thomas later zei: Hij is mijn Heer en mijn God? De persoon, die u zich niet waardig keurt, de allerlaagste dienst te bewijzen, kan die een schepsel zijn, al was hij ook de hoogste van de engelen? 28. Deze dingen, die in de bovenstaande afdeling zijn verteld, zijn gebeurd in Bethabara over de Jordaan, waar Johannes doopte, nadat hij zich van zijn oorspronkelijke arbeidsplaats, aan het lage deel van de Jordaan, die nog tot de eigenlijke woestijn van Juda behoorde 3:1") verder naar het Noorden had begeven 3:6").
Zo'n diepe indruk had dit gewichtige voorval van officiële getuigenis van de Doper over Hem, die komen zou, bij Johannes gemaakt, dat hij nog nauwkeurig de plek waar die plaats vond, in zijn gedachte bewaard had. Voor ons heeft het echter tegenwoordig grote moeilijkheid deze plaats, zowel wat haar naam als wat haar ligging aangaat, nauwkeuriger te bepalen. Wat het eerste aangaat staan de beide lezingen, Bethanië en Bethabara tegenover elkaar en wat het tweede aangaat kan niet bepaald worden waar "Bethanië over de Jordaan" (in onderscheiding van Bethanië aan de Olijfberg (Hoofdstuk 11:18), noch waar Bethabara gezocht moet worden. Wij zijn dus bepaald tot enkel opvattingen, naardat men die wil nemen. Wij houden Bethabara, een lezing die zich zeer goed op wetenschappelijke gronden laat verdedigen voor hetzelfde als Bethabara (Richteren 7:24) en stellen de ligging aan de overvaart, die op de weg van Sichem naar Ramoth in Gilead over de Jordaan voert. Omdat echter bij de doop van Jezus door Johannes de plaats van de werkzaamheid van de laatste zich nog beneden aan de Jordaan bevond, moet hij gedurende de veertig daagse verzoeking van Jezus in de woestijn deze plaats hebben opgegeven en zich vijf mijlen verder naar het noorden hebben begeven; van daar had Jezus nog een weg van twaalf mijlen naar Kana in Galilea (Hoofdstuk 2:1, ).
II. Vers 29-51 Op de daarop volgende dag, toen Jezus uit de woestijn bij Jericho teruggekeerd, weer bij Johannes komt, herhaalt deze zijn getuigenis over Hem voor de oren van de discipelen, die hem omgeven, maar zo, dat een nieuw geheim hem bij de nieuwe aanblik duidelijk wordt. Als hij dit nieuwe geheim op de naastvolgende dag in tegenwoordigheid van twee discipelen, van Johannes en Andreas, weer bekend maakt, volgen deze de daarin liggende eis, gaan Jezus na en blijven tot in de avond bij Hem. Zij hebben ook nog de gelegenheid om nog diezelfde dag ieder zijn broeder tot de nieuwe Meester te leiden, bij welke gelegenheid de broeder van Andreas, Simon, de nieuwe naam van Petrus ontvangt. Op de daarop volgende dag vindt Jezus, die op het punt staat om zijn verblijfplaats aan de Jordaan te verlaten en weer naar Galilea te trekken Filippus, die Hij tot vijfde discipel aanneemt en deze weer bracht Nathanaël tot Hem. De geschiedenis van de laatste is nog van bijzondere betekenis; zij toont ons "het beeld van een Nathanaëls ziel 1) op de weg tot Christus 2) bij het ontmoeten van Christus 3) in haar toekomst door Christus. "