Mattheus 20:20-28
Hier hebben wij, ten eerste, het verzoek der twee discipelen aan Christus, en de herstelling van de vergissing, waarop het gegrond was, vers 20-23. De zonen van Zebedeus waren Jakobus en Johannes, twee van de eerste drie van Christus' discipelen. Petrus en zij waren Zijne gunstgenoten, Johannes was de discipel, dien Jezus lief had, en toch werd niemand zo dikwijls door Hem bestraft als zij, die Christus lief heeft bestraft Hij het meest, Openbaring 3:19.
I. De eerzuchtige bede aan Christus-dat zij mogen zitten, de een tot Zijne rechter- en de ander tot Zijne linkerhand in Zijn koninkrijk, vers 20, 21. Het was een grote mate van geloof, dat zij vertrouwen hadden in Zijn koninkrijk, hoewel Hij nu in geringheid verscheen, maar ook een grote mate van onwetendheid, dat zij nog altijd een tijdelijk koninkrijk verwachtten, met wereldse pracht en macht, terwijl Christus hun toch zo dikwijls gesproken had van lijden en zelfverloochening. Zij verwachten rijksgroten te zullen worden. Zij vragen niet om werk, ene ambtsbetrekking in dit koninkrijk, maar alleen om eer, en in dit denkbeeldige koninkrijk kan geen andere dan de hoogste plaats hen voldoen, het naast aan Christus, en boven ieder ander. Het is mogelijk, dat het laatste woord van Christus' vorige rede de aanleiding was tot dit verzoek, namelijk dat Hij ten derden dage weer op zou staan. Zij maakten hieruit op, dat Zijne opstanding Zijn ingang zou wezen in Zijn koninkrijk, en daarom besloten zij om intijds naar de hoogste plaats te dingen, en zich haar niet te laten ontgaan door er niet terstond om te vragen. Wat Christus zei om hen te vertroosten, hebben zij aldus misbruikt, en werden er door opgeblazen. Sommigen kunnen gene vertroosting dragen, maar wenden haar aan tot verkeerde doeleinden, gelijk lekkernijen in een bedorven maag gal teweegbrengen.
1. Zij hebben bij dit verzoek grote behendigheid gebruikt, zij lieten het voordragen door hun moeder, opdat het als haar verzoek en niet als het hun zou beschouwd worden. Hoewel hoogmoedige mensen een hogen dunk van zich zelven hebben, willen zij dit toch voor anderen niet weten, en nemen dus gaarne den schijn aan van nederig te zijn, en zo moeten dan anderen naar die eer voor hen dingen, die zij zich schamen zelven te vragen. De moeder van Jakobus en Johannes was Salome, gelijk blijkt uit de vergelijking van Hoofdstuk 27:56 met Markus 15:40. Sommigen denken, dat zij de dochter was van Kleopas, of Alfeus, en zuster of nicht van Maria, de moeder onzes Heeren. Zij was ene der vrouwen, die Christus dienden en Hem verzorgden, en zij dachten, dat zij zoveel invloed op Hem had, dat Hij haar niets kon weigeren, en daarom namen zij haar tot hun pleitbezorgster aan. Zo heeft Adonia, toen hij een onredelijk verzoek aan Salomo wenste te doen, Bathseba aangezocht om voor hem te spreken. Het was de zwakheid hunner moeder om zich aldus als werktuig hunner eerzucht te laten gebruiken, in plaats van die eerzucht in hen tegen te gaan. Zij, die verstandig en goed zijn, willen niet in een slechte zaak gemengd worden. Ten opzichte van Godvruchtige begeerten, moeten wij de voorbede wensen van hen, die veel vermogen voor den troon der genade, onzen biddenden vrienden moeten wij vragen om voor ons te bidden, en dit als een ware vriendelijkheid van hen beschouwen. Even behendig was het ook om eerst iets in het algemeen te vragen. Begerende wat van Hem, niet in geloof, maar met een verkeerd, aanmatigend vertrouwen op de algemene belofte: Bidt, en u zal gegeven worden, waarin de voorwaarde ligt opgesloten, dat onze bede of verzoek in overeenstemming zal zijn met den geopenbaarden wil van God, want anderszins bidden wij en ontvangen niet, als wij bidden om het in onze wellusten door te brengen. 2. Op den bodem daarvan was hoogmoed, een trotse waan van hun eigen verdienste, een hovaardige geringschatting van hun broederen, een hoogmoedige begeerte naar eer en bevordering. Hoogmoed is ene zonde, die ons lichtelijk omringt, en waarvan men zich moeilijk kan ontdoen. Het is een heilige eerzucht, die ons er naar doet streven om anderen te overtreffen in genade en heiligheid, maar het is een zondige eerzucht, om anderen in praal en grootsheid des levens te willen overtreffen. Zoudt gij u grote dingen zoeken, als gij zo-even gehoord hebt, dat uw Meester bespot, gegeseld en gekruisigd zal worden? Schaamt u! Zoekt ze niet, Jeremia 45:5.
II. Christus' antwoord op dit verzoek, vers 22, 23, gericht, niet tot de moeder, maar tot de zonen, die er haar toe aangezet hadden. Hoewel anderen de mond zijn bij hetgeen wij bidden, zal ons toch zelven, in overeenstemming met onzen innerlijken toestand het antwoord worden gegeven. Christus' antwoord is zeer zachtmoedig: zij waren overvallen door de zonde der eerzucht, maar Christus heeft hen door den geest der zachtmoedigheid terecht gebracht. Let er op:
1. Hoe Hij de onwetendheid en dwaling van hun verzoek heeft bestraft, Gijlieden weet niet wat gij begeert.
a. Zij waren zeer in het duister ten opzichte van het koninkrijk, waarop zij het oog hadden. Zij droomden van een tijdelijk koninkrijk, terwijl Christus' koninkrijk niet van deze wereld is. Zij wisten niet wat het was om aan Zijne rechterhand en Zijne linkerhand te zitten, daarvan spraken zij, zoals blinden over kleuren spreken. Onze begrippen van de heerlijkheid, die nog geopenbaard moet worden, zijn als de begrippen, die een kind heeft van de bevorderingen van grote mensen. Indien wij door genade eindelijk tot volkomenheid geraken, dan zullen wij die kinderachtige denkbeelden wegdoen. Als wij er toe komen om te zien van aangezicht tot aangezicht, dan zullen wij kennen wat wij genieten, maar thans weten wij, helaas, niet wat wij vragen: wij kunnen slechts vragen om het goede, zoals het gelegen is in de belofte, Titus 1:2. Wat het zal wezen in het volbrengen, heeft geen oog gezien en geen oor gehoord.
b. Zij waren zeer in duisternis betreffende den weg naar dat koninkrijk. Zij weten niet wat zij vragen, die vragen om het doel, maar de middelen om er toe te geraken voorbijzien, en aldus scheiden wat God saamgevoegd heeft. De discipelen dachten dat, toen zij het weinigje alles, dat zij hadden, om Christus' wille hadden verlaten, en voor een wijle het land waren doorgegaan, predikende het Evangelie des koninkrijks, hun dienst en hun lijden nu voorbij waren, en dat het nu tijd was om te vragen: Wat zullen wij hebben, wat zal ons geworden? Alsof zij thans naar niets anders dan kronen en kransen hadden uit te zien, terwijl hun groter ontbering en moeilijkheden wachtten dan ooit tevoren. Zij waanden dat hun strijd voorbij was, toen hij nog nauwelijks was begonnen, en zij nog slechts met de voetgangers hadden gelopen. Zij verbeeldden zich terstond in Kanaän te komen, en bedenken niet, hoe zij het zullen maken in de verheffing van den Jordaan. Wij zijn allen maar al te zeer geneigd, om, terwijl wij ons nog slechts aangorden, ons te beroemen alsof wij ons reeds losmaakten. Wij weten niet wat wij vragen, als wij vragen om de eer van de kroon te dragen, indien wij niet vragen om de genade van het kruis te dragen op onzen weg er heen.
2. Hoe Hij de ijdelheid en eerzucht van hun verzoek in toom houdt. Zij verlustigden zich in de voorstelling van aan Zijne rechter- en linkerhand te zitten, in grote staatsie. Om dit nu tegen te gaan leidt Hij hun gedachten naar hun lijden, en laat hen in het duister omtrent de heerlijkheid. Hij leidt hun gedachten naar hun lijden, waar zij zich minder mede bezighielden dan zij wel moesten. Zij zagen zo ijverig op de kroon, den prijs, dat zij gereed stonden om zich onvoorbereid en onbesuisd op den ruwen weg te begeven, die er henen voert, en daarom acht Hij het nodig om hen indachtig te maken aan de moeite, de ontbering en het verdriet, die hun te wachten stonden, opdat dezen geen onverwachte verrassing en verschrikking voor hen zijn zouden. Let er op hoe eerlijk en openhartig Hij hun de zaak betreffende deze moeilijkheden voorhoudt, vers 22. Gij dingt naar de eerste ereplaats in het koninkrijk, maar kunt gij den drinbeker drinken, dien Ik drinken zal? Gij spreekt van de grote dingen, die gij hebben moet, als gij uw werk volbracht zult hebben, maar zult gij kunnen volharden ten einde toe? Stelt u de zaak ernstig voor. Deze zelfde twee discipelen hebben eens niet geweten van welken geest zij waren, toen zij gans ontdaan waren van toorn, Lukas 9:55, en thans zijn zij zich niet bewust van hetgeen er verkeerds was in hun geest, toen zij zich zo door eerzucht verhieven. Christus ziet den hoogmoed in ons, dien wij zelven niet bespeuren. Merk nu op, ten eerste: dat voor Christus te lijden is een drinkbeker te drinken en met een doop gedoopt te worden. In deze beschrijving van lijden is het waar, dat de beproeving en verdrukking overvloedig zijn. Er wordt verondersteld, dat het een bittere beker is, die gedronken wordt, gevuld met gal en alsem, die wateren eens vollen bekers, die voor Gods volk worden uitgedrukt, Psalm 73:10, een beker der zwijmeling, voorzeker, maar niet van vuur en zwavel, het deel des bekers der goddelozen, Psalm 11:6. Het wordt verondersteld een doop te zijn, ene wassing met de wateren der verdrukking, sommigen worden er in gedompeld, de wateren omgeven hen tot de ziel toe, Jona 2:5, anderen worden er mede besprengd, beiderlei manier is een doop, sommigen worden er door overstelpt als door een stortvloed, anderen worden er in doorweekt tot op de huid, zoals bij een zware regenbui. Maar zelfs hierin is de vertroosting meer dan overvloedig. Het is slechts een beker, geen oceaan, het is slechts een teug, bitter wellicht, maar wij zullen er den bodem van zien, het is een beker in de hand eens Vaders, Johannes 18:11, en hij is vol van mengeling, Psalm 75:9. Het is slechts een doop, indien ene indompeling, het ergste, zo is het toch geen verdrinken, twijfelmoedig, doch niet mismoedig. De doop is ene inzetting, door welken wij ons verenigen met den Heere in het verbond en in gemeenschapsoefening, en aldus ook in het lijden voor Christus, Ezechiël 20:37, Jesaja 48:10. De doop is een uitwendig en zichtbaar teken van innerlijke en geestelijke genade, en dat is ook het lijden voor Christus, want ons is het gegeven. Filippenzen 1:29.
Ten tweede. Het is te drinken van dezelfden beker, dien Christus gedronken heeft, en gedoopt zijn met den doop, waarmee Hij gedoopt was. Christus komt ons voor in lijden, en hierin, evenals in andere dingen, heeft Hij ons een voorbeeld nagelaten.
1. Het duidt aan de neerbuigendheid van den lijdenden Christus, dat Hij zulk een drinkbeker heeft willen drinken, Johannes 18:11, ja, en uit zulk een beek, Psalm 110:7, dat Hij er zo veel en toch zo blijmoedig uit zou drinken, dat Hij met zulk een doop gedoopt zou worden, en er zo naar verlangde, Lukas 12:50. Het was al veel, dat Hij als een gewoon zondaar met water gedoopt wilde worden, hoe veel meer was het niet om als een buitengewoon kwaaddoener met bloed te worden gedoopt. Maar in dit alles is Hij in gelijkheid des zondigen vlezes geworden, en is Hij zonde voor ons gemaakt.
2. Dit duidt ook op de vertroosting van lijdende Christenen, dat zij in gemeenschap met Christus den bitteren beker drinken, deelgenoten zijn in Zijn lijden, en de overblijfselen vervullen van de verdrukking van Christus, Colossenzen 1:24. Daarom moeten wij ons wapenen en met Hem van dezelfde gezindheid zijn, en tot Hem uitgaan buiten de legerplaats. Ten derde. Het is goed voor ons, om ons dikwijls de vraag te stellen, of wij van dezen drinkbeker kunnen drinken, en met dezen doop kunnen gedoopt worden. Wij moeten lijden verwachten, en er niet op zien als iets hards of moeilijks om te lijden, zoals het ons betaamt. Zijn wij instaat blijmoedig te lijden, en ook in de zwaarste tijden vast te houden aan onze oprechtheid? Waarvan kunnen wij blijmoedig om Christus' wil scheiden? In hoever kunnen wij op Hem betrouwen? Zou ik er den moed toe hebben, om een bitteren beker te drinken, en met een bloeddoop gedoopt te worden, veeleer dan Christus op te geven? De zaak is: indien de Godsdienst iets waard is, dan is hij alles waard, maar hij is al zeer weinig waard, indien hij niet waard is om er voor te lijden. Laat ons nu neerzitten en de kosten overrekenen van te sterven voor Christus veeleer dan Hem te verloochenen, en vragen: Kunnen wij Hem op deze voorwaarden aannemen? Zie met hoeveel stoutmoedigheid zij voor zich zelven instaan. Wij kunnen, zeiden zij, in de hoop van aan Zijne rechter- en linkerhand te zullen zitten, maar intussen hopen zij van harte, dat zij nooit op de proef er van gesteld zullen worden. Gelijk zij tevoren niet wisten wat zij vroegen, zo weten zij nu niet wat zij antwoorden. Wij kunnen, zij zouden wèl gedaan hebben met er bij te voegen: Heere, door Uwe kracht en genade kunnen wij, maar anders niet. Maar diezelfde verzoeking, waardoor Petrus was aangevallen, namelijk op zijn eigen kracht en genoegzaamheid te vertrouwen, was nu ook de verzoeking van Jakobus en Johannes, en het is ene zonde, waartoe wij allen maar al te zeer geneigd zijn. Zij wisten niet wat Christus' drinkbeker was, noch wat zijn doop was, en daarom waren zij stoutmoedig in het beloven. Maar meestal zijn diegenen het meest gerust, die het minst met het kruis vertrouwd zijn. Zie hoe beslist en duidelijk hun lijden hier voorzegd wordt, vers 23, Mijn drinkbeker zult gij wel drinken. Lijden, dat voorzien en dus verwacht wordt, zal des te lichter verduurd worden, inzonderheid als wij het in het rechte licht beschouwen als drinkende Zijn drinkbeker en gedoopt wordende met Zijn doop. Christus begon met te lijden voor ons, en Hij verwacht, dat wij Hem bescheid zullen doen, door nu ook te lijden voor Hem. Christus wil, dat wij op het ergste voorbereid zullen zijn, opdat wij op de beste wijze onzen weg naar den hemel zullen vinden. Gij zult drinken, dat is: gij zult lijden. Jakobus heeft van alle apostelen het eerst den bloedigen drinkbeker gedronken. Handelingen 12:2. Johannes, die, zo wij de kerkelijke geschiedschrijvers mogen geloven, ten laatste in zijn bed gestorven is, heeft toch dikwijls den bitteren beker gedronken, zoals toen hij naar het eiland Patmos werd verbannen, Openbaring 1:9, en toen hij-naar men zegt-te Efeziërs in een ketel met kokende olie werd geworpen, maar wonderdadig bewaard bleef. Evenals de overige apostelen in doodsgevaar menigmaal. Hij nam den beker, bood zich aan tot den doop, en was aangenomen. Hij laat hen in het duister omtrent den trap of de mate hunner heerlijkheid. Om hen goedsmoeds door hun lijden heen te helpen, was het genoeg om er van verzekerd te zijn, dat zij ene plaats in Zijn koninkrijk zouden hebben. De laagste plaats in den hemel is een overvloedige beloning voor het grootste lijden op aarde. Maar wat betreft bevordering, het voegde niet, dat er enigerlei aanduiding zou zijn, voor wie dit was weggelegd, want in de zwakheid van hun tegenwoordigen toestand zouden zij dit niet met kalmte of gelijkmoedigheid kunnen dragen: Het zitten tot Mijne rechter- en tot Mijne linkerhand staat bij Mij niet te geven, en daarom betaamt het u niet het te vragen of te weten, maar het zal gegeven worden dien het bereid is van Mijn Vader. Het is zeer waarschijnlijk, dat er trappen van heerlijkheid zijn in den hemel, want onze Heiland schijnt toe te stemmen, dat sommigen aan Zijne rechter- en linkerhand zullen zitten op de hoogste plaatsen. Gelijk de toekomstige heerlijkheid zelf, zo zijn ook de trappen er van bereid en bestemd in den eeuwigen raad Gods. Evenals de zaligheid in het algemeen, zo zijn ook de bijzondere eerbewijzen vastgesteld, de gehele zaak is reeds lang verordineerd, en er is een zekere mate van de grootte, zowel in genade als in heerlijkheid, Efeze 4:13. In de uitdeling der vruchten, die Hij zelf verkregen heeft, handelt Christus nauwkeurig naar de bedoelíng Zijns Vaders. Het staat niet bij Mij te geven, behalve aan hen (zo zou het ook gelezen kunnen worden) voor wie het bereid is. Christus heeft alleen de macht het eeuwige leven te schenken, maar het is aan al wat Hem gegeven was, Johannes 17:2. Het staat bij Mij niet te geven, dat is: thans te beloven, die zaak is al lang beslist en vastgesteld, en de Vader en de Zoon verstaan elkaar volkomen in deze zaak. Het staat bij Mij niet te geven aan hen, die het zoeken en er eerzuchtig naar zijn, maar aan hen, die door groten ootmoed en zelfverloochening er voor toebereid zijn.
III. Hier zijn ook de bestraffing en het onderricht van Christus aan de overige tien discipelen wegens hun misnoegen over het verzoek van Jakobus en Johannes. Hij had veel in hen allen te dragen, zij waren zo zwak in kennis en genade, toch heeft Hij hun zeden verdragen.
1. De gemoedsstemming der discipelen, vers 24. Zij namen het zeer kwalijk van de twee broeders, niet omdat zij bevordering en verheffing wensten, hetgeen hun zonde was en de reden, waarom Christus misnoegd op hen was, maar omdat zij wensten bevorderd te worden boven hen, hetgeen een blaam was voor hen. Velen schijnen verontwaardigd te zijn over de zonde, maar het is niet om de zonde, maar omdat zij er door getroffen of benadeeld worden. Zij zullen iemand aanklagen wegens vloeken, maar het is slechts omdat hij op hen vloekt, hen beledigt, niet omdat hij God onteert. Deze discipelen waren toornig wegens de eerzucht hunner broederen, hoewel zij zelven, of liever omdat zij zelven even eerzuchtig waren. Het is iets heel gewoons, dat de mensen zich vertoornen om de zonden van anderen, terwijl zij zelven zich in die zonden toegeven. Zij, die zelf trots en hebzuchtig zijn, zien dit niet gaarne in anderen. Niets sticht meer kwaad onder broederen, of is meer oorzaak van toorn en twist, dan eerzucht en begeerte naar grootheid. Nooit zien wij Christus' discipelen twisten onder elkaar, of iets van dien aard was er de oorzaak van.
2. Het verwijt, dat Christus tot hen richtte, en dat zeer zacht was, ja het was veeleer ene onderrichting hoe zij behoorden te zijn, dan ene bestraffing van hetgeen zij waren. Diezelfde zonde had Hij tevoren in hen bestraft, Hoofdstuk 18:3, en hun gezegd, dat zij nederig behoorden te zijn als de kinderkens: toch vervielen zij er weer in, en toch heeft Hij hen op zo zachtmoedige wijze er om bestraft.
Hij riep hen tot zich, hetgeen grote tederheid en gemeenzaamheid aanduidt. Hij heeft hen niet toornig geboden om uit Zijne tegenwoordigheid weg te gaan, neen, in liefde riep Hij hen om in Zijne tegenwoordigheid te komen, want daarom is Hij geschikt om te onderwijzen, en worden wij uitgenodigd om van Hem te leren, dat Hij nederig en zachtmoedig van hart is. Wat Hij t e zeggen had betrof zowel de twee als de tien discipelen, en daarom wil Hij hen allen tezamen hebben. En Hij zegt hun dat, terwijl zij vroegen wie van hen heerschappij zou hebben in een tijdelijk koninkrijk, er in werkelijkheid zodanige heerschappij voor niemand hunner bestemd was. Want
a. Zij moeten niet wezen als de oversten der volken. Christus' discipelen moeten niet wezen als de heidenen, neen, niet als de oversten, of vorsten, der heidenen. Heerschappij voegt even weinig aan leraren, als heidendom aan Christenen. Merk op wat de wijze van doen is van de oversten der volken, vers 25 :zij voeren heerschappij en gebruiken macht over hun onderdanen, en-zo zij slechts door geweld de bovenhand kunnen verkrijgen-ook over elkaar. Wat hen daarbij steunt is dat zij groot zijn, en grote mannen denken, dat hun alles vrijstaat. Heerschappij en macht is hetgeen de oversten der volken najagen, zij willen overal hun zin in doordrijven, willen dat ieder zich naar hen schikt, dat elke schoof zich voor de hun zal buigen. Zij willen dat er voor hen worde uitgeroepen: Buig de knie, gelijk Nebukadnezar, die naar zijn welgevallen doodde en in het leven liet blijven. Wat ten opzichte van Zijne apostelen en Evangeliedienaren de wil van Christus in dezen is.
Ten eerste. Alzo zal het onder u niet zijn. De grondwet van het geestelijk koninkrijk is gans anders. Gij hebt de onderdanen van dit koninkrijk te onderwijzen, te vermanen en te smeken, te raden en te vertroosten, u moeite voor hen te geven en met hen te lijden, niet heerschappij en macht over hen uit te oefenen. Gij moet gene heerschappij voeren over het erfdeel des Heeren, 1 Petrus 5:3, maar er onder arbeiden. Dit verbiedt niet slechts tirannie en misbruik van macht, maar snijdt ook aanspraak af op zulk wereldlijk gezag als door de oversten der heidenen wettiglijk uitgeoefend wordt. Het is voor ijdele mensen, en zelfs voor vrome mensen, zo moeilijk om zodanige macht te hebben en er niet door opgeblazen te worden, en er dus meer kwaad dan goed mede te doen. dat onze Heere Jezus het voegzaam achtte om haar geheel en al uit Zijne kerk te bannen. Paulus zelf ontkende heerschappij te hebben over iemands geloof, 2 Corinthiërs 1:24. De praal en pracht van de oversten der volken voegen slecht aan de discipelen van Christus. Indien het nu niet de bedoeling was, dat zulke eer en macht in de kerk zou bestaan, dan was het ook onzinnig van hen om er naar te streven. Zij wisten niet wat zij vroegen. Ten tweede. Hoe dan zal het onder Christus' discipelen wezen? Iets van grootheid onder hen had Christus zelf te kennen gegeven, en hier geeft Hij er de verklaring van: Wie onder u zal willen groot worden, dat ís, wie onder u de voornaamste wil wezen, dat wezenlijk wil zijn, en ten laatste ook aldus bevonden wil worden, die zij uw dienaar, vers 26, 27. Hier is nu op te merken:
1. Dat het de plicht is van Christus' discipelen elkaar te dienen tot onderlinge stichting. Dit sluit zowel nederigheid als bruikbaarheid in. De volgelingen van Christus moeten bereid zijn tot de geringste diensten der liefde tot welzijn van elkaar. Zij moeten allen elkaar onderdanig zijn, 1 Petrus 5:5, Efeze 5:21, en elkaar stichten, Romeinen 14:19, elkaar behagen ten goede, Romeinen 15:2. De grote apostel heeft zich tot aller dienstknecht gemaakt, 1 Corinthiërs 8:19.
2. Het is de waardigheid van Christus' discipelen om dezen plicht getrouwelijk te volbrengen. Het middel om groot te wezen is nederig en dienstvaardig te zijn. De zodanige zullen in de kerk het meest geacht en geëerd worden door allen, die een recht begrip hebben der zaken, niet zij, die slechts met schoonklinkende namen en titels pronken, zoals de groten der aarde, die zich met pracht en staatsie voordoen, en zich dienovereenkomstig macht en gezag aanmatigen, maar wèl zij, die het nederigst zijn, het verst zijn in zelfverloochening, er zich het meest op toeleggen om goed te doen, al is het ook met verkleining van zich zelven. Dezen eren God het meest, en dezen zullen door Hem geëerd worden. Gelijk hij, die wijs wil zijn, dwaas moet worden, zo moet hij, die de voornaamste wil zijn, een dienstknecht worden. Paulus was hier een groot voorbeeld van, hij heeft overvloediger gearbeid dan zij allen, hij heeft zich, zoals sommigen het zouden noemen, afgesloofd, en is hij niet de voornaamste? Noemen wij hem niet eenstemmig den groten apostel, hoewel hij zich zelven den allerminste noemde? En wellicht had onze Heere Jezus het oog op hem, toen Hij zei, er zijn laatsten, die de. eersten zullen zijn, want Paulus was een ontijdig geborene, 1 Corinthiërs 15:8, niet slechts het jongste kind van het gezin der apostelen, maar een posthumus, d. i. een na den dood des vaders geborene, en toch werd hij de grootste. En wellicht was hij het, voor wie de eerste ereplaats in Christus' koninkrijk was bestemd en bereid door Zijn Vader, niet voor Jakobus, die haar zocht, en daarom heeft Gods voorzienigheid het zo beschikt, dat even voor dat Paulus vermaard begon te worden, Jakobus afgesneden werd, Handelingen 12:2, opdat Paulus zijne plaats in het college der twaalven zou innemen. Zij moeten wezen als de Meester zelf, en het is zeer voegzaam dat zij dit zijn, dat zij, zolang zij in de wereld waren, zijn zouden zoals Hij was, toen Hij in de wereld was, want voor beiden is de tegenwoordige toestand een staat van vernedering, de kroon en de heerlijkheid waren voor beiden weggelegd in den toekomenden staat. Laat hen bedenken, dat de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen, vers 28. Onze Heere Jezus stelt zich hier Zijn discipelen ten voorbeeld van de twee hoedanigheden, die Hij tevoren had aanbevolen: ootmoed en dienstvaardigheid. Nooit is er zulk een voorbeeld van nederigheid en vriendelijke voorkomendheid geweest, als er -n het leven van Christus was, die niet kwam om gediend te worden, maar om te dienen. Toen de Zoon van God in de wereld kwam, als Zijn gezant bij de kinderen der mensen, zou men gedacht hebben, dat Hij gediend zou worden, dat Hij in den glans en luister zou verschijnen, die in overeenstemming zijn met Zijn persoon en waardigheid, maar dat deed Hij niet. Hij maakte gene vertoning, had geen schitterend gevolg van hoge staatsdienaren, en ook was Hij niet met sierlijke plechtgewaden bekleed, want Hij heeft de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen. Wèl is Hij gediend geworden, maar als een arme, hetgeen deel uitmaakte van Zijne vernedering, er waren er, die Hem dienden van hare goederen, Lukas 8:2, 3, maar nooit werd Hij gediend als een grote der aarde, Hij voerde geen groten staat, Hij werd niet bediend aan tafel. Eens heeft Hij de voeten der discipelen gewassen, maar wij lezen niet, dat zij ooit Zijne voeten hebben gewassen. Hij is gekomen om hulpe te bieden aan allen, die in nood of benauwdheid waren: Hij heeft zich den dienstknecht gemaakt van kranken en lijdenden, Hij was even bereid en gewillig om te doen wat zij Hem verzochten, als ooit een dienstknecht op het gebod eens meesters geweest is, en Hij heeft zich evenveel moeite gegeven om hen te dienen, terwijl Hij zich zelven voedsel en rust ontzei om hen te blijven dienen. Nooit was er zulk een voorbeeld van weldadigheid en nuttig dienstbetoon, als er was in den dood van Christus, die Zijn leven heeft gegeven tot een rantsoen voor velen. Hij leefde als een dienstknecht, en ging het land door goed doende, maar Hij stierf als een offer, en daarmee heeft Hij het meeste en grootste goed gedaan. Hij is in de wereld gekomen met het doel Zijn leven te geven tot een rantsoen, dat stond bovenaan in Zijn voornemen. De eerzuchtige oversten der volken stellen het leven van velen tot een rantsoen voor hun eigen eer, en offeren het wellicht op aan hun eigen grillen. Christus doet dit niet, het bloed Zijner onderdanen is Hem dierbaar, en Hij verspilt het niet, Psalm 72:14, integendeel, Hij stelt Zijne eer en ook Zijn leven tot een rantsoen voor Zijne onderdanen. Jezus Christus heeft Zijn leven gegeven tot een rantsoen. Ons leven was door de zonde verbeurd aan de Goddelijke gerechtigheid. Door Zijn leven te geven, heeft Christus verzoening gedaan over de zonde, en alzo ons leven gered. Hij is zonde voor ons gemaakt, een vloek voor ons geworden, en Hij stierf, niet slechts tot ons welzijn, maar in onze plaats, Handelingen 20:28, 1 Petrus 1:18, 19. Het was een rantsoen voor velen, genoegzaam voor allen, van kracht en uitwerking voor velen, en, indien voor velen, dan zegt de arme, bekommerde ziel: Waarom dan ook niet voor mij? Het was voor velen, omdat door Hem velen gerechtvaardigd zouden worden. Deze velen waren Zijn zaad, waar Zijne ziel in arbeid om was, Jesaja 53:10, 11, voor velen, dat zullen zij blijken te zijn, als zij allen samenkomen, hoewel zij thans slechts een klein kuddeken schijnen te wezen. Nu is dit een goede reden, waarom wij niet om den voorrang behoren te twisten, want het kruis is onze banier en de dood onzes Meesters is ons leven. Het is een goede reden, waarom wij er ons op moeten toeleggen om goed te doen en, overwegende de liefde van Christus in Zijn sterven voor ons, niet moeten aarzelen ons leven te stellen voor de broeders, 1 Johannes 3:16. Evangeliedienaren behoren de eersten te zijn, om voor het welzijn der zielen te arbeiden en te lijden, zoals Paulus gedaan heeft, Handelingen 20:24, Filippenzen 2:17. Hoe meer ons allen de ootmoed en de vernedering van Christus aangaan, hoe meer wij er zelven door bevoorrecht en bevoordeeld worden, hoe zorgzamer en bereidwilliger wij moeten wezen, om Hem hierin na te volgen.