Romeinen 15:1-4
De apostel geeft hier twee voorschriften met de redenen om ze te versterken, aantonende dat het plicht van de sterke Christenen is acht te slaan op de zwakken en tot hen af te dalen.
I. Wij moeten de zwakheden der onsterken dragen. Wij hebben allen onze gebreken, maar de zwakken zijn daar meer aan onderhevig dan de anderen, -de zwakken in kennis, het gekrookte riet en de rokende vlaswiek. Wij moeten op deze achtslaan, hen niet vertreden, maar hen aanmoedigen en hun zwakheden dragen. Indien zij door zwakheid ons oordelen en veroordelen, en kwaad van ons spreken, moeten wij hen verdragen, medelijden met hen hebben en hun onze toegenegenheid niet onttrekken. Helaas! het is hun zwakheid en zij kunnen het niet helpen! Evenzo verdroeg Christus Zijn zwakke discipelen en verdedigde hen. Maar er ligt meer in opgesloten, wij moeten ook hun zwakheden verdragen met het oog op hen zelven, om hen, zoveel de gelegenheid toelaat, tot krachten te brengen. Dat is het dragen van elkanders lasten.
II. Wij mogen niet ons zelven behagen, maar onze naasten, verzen 1, 2.. Wij moeten onzen eigen zin en lust opofferen met het oog op de zwakheid en de gebreken van onze broederen.
1. Christenen mogen niet zich zelven behagen. Wij mogen er niet ons werk van maken om al de kleine begeerten en lusten van ons eigen hart in te willigen, het is goed voor ons nu en dan ons zelven tegen te staan, dan zullen wij des te beter den tegenstand van anderen kunnen verdragen. Wij zullen (gelijk Adonia overkwam) verdaan worden indien wij altijd ontevreden zijn. De eerste les, die wij te leren hebben is zelfverloochening, Mattheus 16:24.
2. Christenen moeten hun broederen behagen. Het doel van het Christendom is het gemoed te verzachten en mild te maken, en ons de kunst te leren van beleefdheid en ware inschikkelijkheid, niet de dienstknechten te zijn van ieders luimen, maar van de behoeften en zwakheden onzer broederen, en ons te voegen naar allen met wie wij in aanraking komen, zover dat met een goed geweten mogelijk is. Christenen moeten hun werk er van maken anderen te behagen. Gelijk wij niet ons zelven mogen behagen in het gebruik van onze Christelijke vrijheid, die ons toegestaan is niet voor ons eigen genoegen, maar ter heerlijkheid Gods en ten voordele en tot stichting van anderen, zo moeten wij onze naasten wèl behagen. Welk een beminnelijke en aangename maatschappij zou toch de Christelijke gemeente vormen, indien alle Christenen wilden trachten elkaar te behagen, zoals wij nu zien dat zij er gewoonlijk op uit zijn om elkaar te hinderen, te dwarsbomen en tegen te spreken! Zijn naasten te behagen, niet in alle dingen, het is geen onbeperkt voorschrift, maar ten goede, bepaaldelijk ten goede voor zijne ziel, niet hem behagen door het dienen van zijn slechte begeerten, niet hem bevallig zijn in een zondigen weg, of zijn afdwalingen toestemmen en de zonde in hem dulden. Dat is een lage wijze om zijn naasten te behagen, tot bederf van zijn ziel. Indien wij op die wijze den mensen behagen, zijn wij geen dienstknechten van Christus. Maar hem behagen tot zijn welzijn, ten goede, niet voor ons eigen wereldlijk nut, hem niet tot onze prooi maken, maar tot zijn geestelijk welzijn. Tot stichting, dat is niet alleen tot zijn voordeel, maar ook tot voordeel van anderen, tot opbouwing van het lichaam van Christus, door na te speuren hoe wij elkaar van dienst kunnen zijn. Hoe meer de stenen nauw aaneengesloten liggen, en hoe beter zij aan elkaar passen, des te sterker is het gebouw. Laat ons nu bezien de reden waarom wij, Christenen, elkaar moeten behagen: Want ook Christus heeft zich zelven niet behaagd. De zelfverloochening van den Heere Jezus is de beste bewijsgrond tegen de zelfzucht der Christenen. Merk op: A. Christus heeft zich zelven niet behaagd. Hij heeft zijn eigen wereldlijk aanzien, gemak, veiligheid en genoegen niet geraadpleegd, Hij had niets waarop Hij het hoofd kon neerleggen, leefde van liefdegaven, weigerde toen men Hem koning maken wilde, verwierp geen voorstel met groter afschuw dan dat: Meester, wees Uzelven genadig! Hij zocht niet Zijn eigen wil, Johannes 5:30, wies de voeten Zijner discipelen, verdroeg het tegenspreken der zondaren tegen Hem, bedroefde zich, Johannes 11:33, raadpleegde niet Zijn eigen eer, in een woord: ontledigde zich zelven en maakte zich geen naam. En dat alles om onzentwil, om voor ons ene gerechtigheid te verwerven en ons een voorbeeld te geven. Zijn gehele leven was een leven van zelfverloochening en zelfmishaging. Hij heeft de zwakheden der zwakken gedragen, Heb. 4:15.
B. Daarin is de Schrift vervuld geworden: Gelijk geschreven is: de smadingen dergenen, die u smaden, zijn op Mij gevallen. Dat is een aanhaling van Psalm 69:10. Het eerste gedeelte van dat vers wordt op Christus toegepast in Johannes 2:17 :De ijver van Uw huis heeft Mij verteerd, en het tweede gedeelte hier, want David was een type van Christus en zijn lijden een type van het lijden van Christus. Het wordt aangehaald om te bewijzen dat Christus er zo ver vandaan was om zich zelven te behagen, dat Hij in den hoogsten graad zich zelven mishaagd heeft. Niet alsof Zijn werk, het geheel in aanmerking genomen, een taak van droefheid voor Hem was, want Hij was daarin zeer gewillig en zeer liefderijk, maar in Zijne vernedering werden de bevrediging en vervulling van natuurlijke neigingen voortdurend gedwarsboomd en verloochend. Hij verkoos ons welzijn boven Zijn eigen gemak en genoegen. De apostel geeft er de voorkeur aan om dit in de taal der Schrift uit te drukken, want hoe kan van de dingen, die des Geestes Gods zijn, beter gesproken worden dan met de eigen woorden van Gods Geest? En daarom neemt hij deze plaats: De smaadheden dergenen die u smaden, zijn op Mij gevallen.
a. De schande van de smaadheden, die Christus onderging. De oneer, die God aangedaan werd, was een droefheid voor den Heere Jezus. Hij werd bedroefd door de hardheid van de harten der mensen, Hij was met smart en tranen in een zondige plaats. Wanneer de heiligen werden vervolgd, mishaagde Christus zich zelven in zo hoge mate, dat Hij rekende alsof het Hem zelf aangedaan werd: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? Christus zelf verdroeg de grootste beledigingen, er was veel versmading in Zijn lijden.
b. De zondigheid van deze versmadingen, voor welke Christus op zich nam voldoening aan te brengen, zo vatten sommigen het op. Elke zonde is een versmaden van God, voornamelijk opzettelijke zonden, welnu, de schuld van deze zonden viel op Christus, want Hij werd zonde gemaakt, dat is: een offerande, en schuldoffer gemaakt voor ons. Toen de Heere ons aller ongerechtigheden op Hem legde, en Hij onze zonden in Zijn eigen lichaam op het hout droeg, toen vielen zij op Hem als onze borg. Op mij zij de vloek! Dat was het grootste bewijs van zelfmishaging, dat gegeven kon worden, in aanmerking genomen de oneindige vlekkeloze reinheid en heiligheid van Hem, en de oneindige liefde des Vaders voor Hem, en Zijn eeuwige belangstelling in des Vaders heerlijkheid. Niets kon Hem meer tegenstaan en meer tegen Hem ingaan, dan dat Hij om onzentwil tot zonde en vloek gemaakt werd en dat daardoor de versmadingen van God op Hem vielen, voornamelijk wanneer men bedenkt dat Hij aldus zich zelven mishaagde voor vreemden, vijanden en verraders, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, 1 Pet. 3:18. Dat moet voor ons een goede reden zijn om de zwakheden der onsterken te dragen. Wij zijn schuldig niet ons zelven te behagen want ook Christus heeft zich zelven niet behaagd, wij zijn schuldig de zwakheden der onsterken te dragen want Christus droeg de smaadheden dergenen die God versmaadden. Hij droeg de schuld der zonde en haar vloek, wij worden alleen geroepen om een weinig van haar droefheid te dragen. Hij droeg de opzettelijke zonden van de godlozen, wij worden alleen geroepen om de zwakheden der onsterken te dragen. Ook Christus, kai gar ho Christos. Ook Hij die oneindig gelukzalig was in de genieting van zich zelven, die aan ons noch aan onze diensten behoefte had, ook Hij, die het geen roof achtte Gode evengelijk te zijn, die reden genoeg had om zich zelven te behagen, en geen reden om beschouwd te worden als onzer een, veel minder om tegengestaan te worden om onzentwil, - ook Hij behaagde zich zelven niet, ja Hij droeg onze zonden. En zouden wij dan niet nederig zijn en zelf verloochenend en bereid om elkaar te ontzien, wij die elkanders leden zijn?
C. Daarom moeten wij heengaan en desgelijks doen. Want alles wat geschreven is, dat is tot onze lering tevoren geschreven.
a. Hetgeen van Christus geschreven is, betreffende Zijn zelfverloochening en Zijn lijden, is tot onze lering geschreven, Hij heeft ons een voorbeeld achtergelaten. Indien Christus zich zelven verloochend heeft, dan moeten wij ook zeker ons zelven verloochenen, uit het beginsel van verstand en dankbaarheid, en voornamelijk in gelijkvormigheid aan Zijn voorbeeld. Het voorbeeld van Christus in hetgeen Hij gedaan en gezegd heeft, is ons ter navolging meegedeeld.
b. Alles wat in het algemeen in de boeken des Ouden Testaments geschreven is, werd geschreven tot onze lering. Wat David van zich zelven gezegd heeft, past Paulus nu rechtmatig toe op Christus. In plaats dat dit moet gehouden worden voor een verwringing van de Schrift, geeft hij ons hier een uitnemenden regel in het algemeen, dat al de Schriften des Ouden Testaments (veel meer nog die van het Nieuwe) zijn geschreven voor onze lering, en niet moeten aangezien worden als van eigen uitlegging te zijn. Hetgeen met de Oud-Testamentische heiligen gebeurde, overkwam hun als voorbeelden, en de schriften van het Oude Testament hebben velerlei vervulling. Die schriften zijn ons overgeleverd als een vasten regel, zij zijn geschreven, om te blijven bestaan tot ons gebruik en ons ten zegen.
Ten eerste. Tot onze lering. Er kunnen vele dingen uit de Schriften geleerd worden, en dat is de beste lering, welke getrokken wordt uit deze bronnen. Zij, die deze het meest geleerd hebben, zijn machtig in de Schrift. Wij moeten derhalve moeite doen niet alleen om de letterlijke betekenis van de Schrift te begrijpen, maar ook om er uit te leren hetgeen goed voor ons zal zijn, en wij moeten daartoe niet alleen den steen weg wentelen maar ook het water putten, want op vele plaatsen is de wel diep. Practicale opmerkingen zijn nuttiger dan kritische beschouwingen.
Ten tweede. Opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hoop hebben zouden. De hoop, welke het eeuwige leven tot voorwerp heeft, wordt hier voorgesteld als het doel van het leren uit de Schriften. De Schriften werden geschreven opdat wij zouden weten wat wij van God te hopen hebben, en op welken grond en op welke wijze. Dit moet ons de Schrift aanbevelenswaardig maken, dat zij op bijzondere wijze bevriend is met de Christelijke hoop. De wijze, om deze hoop deelachtig te worden, is door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften. Lijdzaamheid en vertroosting onderstellen lijden en droefheid, die zijn het deel der heiligen in deze wereld, en indien dat niet zo ware, dan zou er geen plaats voor lijdzaamheid en vertroosting zijn. Deze beide zijn bevriend met de hoop, die het leven onzer zielen is. De lijdzaamheid werkt bevinding, en de bevinding hoop, en de hoop beschaamt niet, Hoofdstuk 5:3-5. Hoe meer lijdzaamheid wij oefenen onder de verdrukkingen, des te hoopvoller mogen wij uit onze verdrukkingen uitzien, niets is meer onbestaanbaar met hoop dan ongeduld. En de vertroosting der Schriften, de vertroosting, die ontspringt uit het Woord van God-welke de zekerste en zoetste vertroosting is, -is evenzo een grote steun voor de hoop als zij een onderpand is van het goede, waarop wij hopen. De Geest, die onze vertrooster is, is evenzo het onderpand onzer erfenis.