Job 16:17-22
Jobs toestand was hoogst beklagenswaardig, maar was er niets dat hem ondersteunde, niets dat hem vertroostte? Voorzeker wel, en hier zegt hij ons wat het was.
I. Hij had het getuigenis van zijn geweten voor hem, dat hij in oprechtheid had gewandeld, zich nooit in grove zonden had toegegeven. Niemand is ooit meer dan hij bereid geweest om zijn zonden van zwakheid te erkennen en te belijden, maar als hij zijn eigen hart onderzocht en zijn leven naging, dan kon hij zich van generlei zware misdaad beschuldigen, om welke hij ongelukkiger gemaakt moest worden dan andere mensen, vers 17. Hij had zichzelf geoefend om altijd een onergerlijk geweten te hebben:
1. Jegens de mensen, vers 17. "Daar toch geen wrevel in mijne handen is, geen rijkdom, die ik door onrecht verkregen of behouden heb." Elifaz had hem voorgesteld als een tiran en verdrukker. "Neen," zegt hij, "ik heb nooit iemand onrecht aangedaan, maar altijd het gewin van de verdrukking versmaad."
2. Tegenover God. Mijn gebed is zuiver, maar gebed kan niet zuiver zijn, zolang onze handen vol zijn van bloed of onrechtvaardigheid, Jesaja 1:15. Elifaz had hem beschuldigd van huichelarij in de Godsdienst, maar hij vermeldt in het bijzonder het gebed, de grote handeling van de Godsdienst, en hij verklaart dat hij daarin rein was, wel niet van alle zwakheid, maar toch wel van heersend bedrog. Zijn gebed was niet als dat van de Farizeen, die er niets anders mee op het oog hadden dan om door mensen gezien te worden, en er hun wereldse belangen door te bevorderen.
Deze verklaring van zijn oprechtheid ondersteunt hij door een plechtige inroeping van smaad en schande over zichzelf, zo zij onwaar was, vers 18..
a. Indien er ongerechtigheid in zijn handen was, dan wenst hij dat zij niet verborgen blijve: o aarde! bedek mijn bloed niet, dat is: het onschuldige bloed van anderen dat ik, naar hun boze verdenking van mij, vergoten zou hebben." Moord komt altijd aan het licht. "Laat hem aan het licht komen", zegt Job, "indien ik er mij ooit aan schuldig gemaakt heb," Genesis 4:10, 11. De dag komt wanneer "de aarde haar bloed zal ontdekken," Jesaja 26:21, en het is er verre vandaan, dat een goed man die dag zou vrezen.
b. Indien er enigerlei onzuiverheid was in zijn gebeden dan wenst hij dat zij niet verhoord zullen worden: voor mijn geroep zij geen plaats. Hij wenste geoordeeld te worden naar die regel: "Had ik naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, de Heere zou niet gehoord hebben," Psalm 66:18. Er kan ook een andere zin aan deze woorden gegeven worden, namelijk dat hij hiermede als het ware zijn dood wijt aan zijn vrienden, die met hun harde bestraffingen zijn hart hebben gebroken, hij legt hun zijn bloed ten laste, en bidt dat God het zal wreken, en dat het geroep van zijn bloed geen plaats mocht hebben, waar het verborgen ligt, maar mocht opgaan naar de hemel om gehoord te worden door Hem, die de bloedstortingen zoekt.
II. Hij kon zich voor zijn oprechtheid op Gods alwetendheid beroepen, vers 10. De getuige in ons eigen hart zal ons weinig baten indien wij niet ook een getuige hebben in de hemel, want God is groter dan ons hart, en wij moeten onze eigen rechters niet wezen, dit dus is Jobs triomf: in de hemel is mijn getuige. Het is voor een Godvruchtige, die onder de afkeuring ligt van zijn broederen, een onuitsprekelijke vertroosting dat er een God is in de hemel die zijn oprechtheid kent, en haar vroeg of laat aan het licht zal brengen. Zie Johannes 5:31, 37. Deze ene getuige geldt meer dan duizend anderen.
III. Hij had een God, tot wie hij kon gaan en voor wie hij zijn hart kon uitstorten, vers 20, 21. Zie hier:
1. Hoe de zaak stond tussen hem en zijn vrienden. Hij wist niet hoe hij vrij en openhartig met hen kon zijn, hij kon ook niet verwachten met billijkheid en onpartijdigheid door hen aangehoord te worden of door hen te worden behandeld. "Mijne vrienden-- zo noemen zij zich- verachten mij, vers 20. Zij weerstaan mij niet slechts, maar stellen mij tentoon, zij beraden zich tegen mij, gebruiken al hun kunst en welsprekendheid" -dat is de betekenis van het woord-"om mij terneder te werpen." De smaad van vrienden is grievender dan van vijanden, maar wij moeten hem verwachten en er ons op bereiden.
2. Hoe het stond tussen hem en God. Hij twijfelde niet of God:
a. Nam nu kennis van zijn leed. Mijn oog druipt tot God, of (naar de Engelse overzetting) mijn oog stort tranen voor God. In vers 16 had hij gezegd, dat hij veel weende, hier zegt hij ons in welk kanaal zijn tranen vloeiden, en waarheen zij gericht waren: zijn droefheid was niet die van de wereld, het was een droefheid naar God, hij weende voor het aangezicht des Heeren, en offerde Hem de offerande van een verbroken hart. Zelfs tranen zullen, als zij Gode geheiligd zijn, verlichting geven aan een ontroerd en ontrust gemoed, en als de mensen onze smart gering achten, dan kan het ons troosten dat God er acht op slaat.
b. Dat Hij ter bestemder tijd zijn onschuld aan het licht zal brengen, vers 21, Och, mocht men richten voor een man met God! Indien hij nu slechts dezelfde vrijheid voor Gods rechterstoel kon hebben, die de mensen gewoonlijk voor de rechterstoel van de burgerlijke magistraat hebben, dan twijfelde hij niet of hij zou zijn rechtszaak winnen, want de Rechter zelf was een getuige van zijn oprechtheid. De taal van zijn wens is die van Jesaja 50:7, 8:"ik weet dat ik niet zal beschaamd worden, want Hij is nabij, die mij rechtvaardigt." Sommigen geven een Evangelische betekenis aan dit vers, en het oorspronkelijke laat dit ook zeer wel toe: "en hij zal pleiten" (dat is: er is een, die zal pleiten) "voor de mens bij God," namelijk de Zoon des mensen voor Zijn vriend, of nabestaande, hoewel zij, die hun tranen uitstorten voor God, vanwege hun afstand en hun gebreken niet voor zichzelf kunnen pleiten, hebben zij toch een vriend, die voor hen pleit, namelijk de Zoon des mensen, en daarop moeten wij onze hoop gronden om in gunst door God te worden aangenomen.
IV. Hij had een vooruitzicht op de dood die een einde zal maken aan al zijn lijden. Hij had zo'n vast vertrouwen op God, dat het hem aangenaam was om aan de nadering des doods te denken, wanneer hij in de eeuwige staat zal overgaan, niet twijfelende of alles zal dan wèl met hem wezen. Want weinige jaren in getale zullen nog aankomen (het vastgestelde aantal jaren, dat mij toebeschikt is) en ik zal het pad henengaan, waardoor ik niet zal wederkeren. Sterven is henengaan op de weg, door welke wij niet zullen wederkeren, het is een reis te gaan doen, een lange reis, een laatste reis, om van hier heen te gaan naar een ander land, van de wereld van de zinnen naar de wereld van de geesten, het is een reis naar ons langdurig tehuis, er zal geen terugkomen zijn naar onze staat in deze wereld en er zal generlei verandering zijn van onze staat in de andere wereld. Wij allen moeten stellig en binnen kort deze reis ondernemen, en voor hen, die een onergerlijk geweten hebben is het troostrijk om er aan te denken, want het is de kroon hunner oprechtheid.