Johannes 2:12-22
Hier hebben wij:
I. Het kort bezoek van Christus aan Kapernaum, vers 12. Het was een grote en volkrijke stad, omtrent ene dagreis van Kana, en zij wordt Zijne stad genoemd, Mattheus 9:1, omdat Hij er in Galilea Zijn hoofdkwartier had en Hij daar de weinige rust genoot, die Zijn voortdurend werk Hem toeliet. Het was een drukke plaats, waar vele mensen kwamen, en Christus heeft haar gekozen, opdat het gerucht van Zijne leer en Zijne wonderen zich vandaar verder verbreiden zou. Let op:
1. Het gezelschap. dat Hem derwaarts volgde: Zijne moeder, Zijne broeders en Zijne discipelen. Waar Christus ook heenging, nergens ging Hij alleen, maar nam hen mede, die zich onder Zijne hoede en leiding hadden gesteld, ten einde hen te onderwijzen en getuigen te doen zijn van Zijne wonderen. Hij kon ook niet alleen gaan, want zij volgden Hem, omdat zij de lieflijkheid beminden van Zijne leer, of het aangename van Zijn wijn, Hoofdstuk 6:26. Zijne moeder, hoewel Hij haar onlangs te verstaan had gegeven, dat Hij in het werk Zijner bediening op haar niet meer acht zou geven dan op ieder ander, is Hem toch gevolgd, niet om voorspraak bij Hem te zijn, maar om van Hem te leren. Ook Zijne broeders en andere verwanten, die op de bruiloft geweest waren, en op wie het wonder, dat aldaar gewerkt was, indruk had gemaakt, benevens de discipelen, die Hem volgden, waar Hij ook heenging. vergezelden Hem. Het schijnt wel, dat Christus' wonderen in den beginne meer indruk maakten op de mensen dan later, toen zij er, als het ware aan gewoon waren geworden, zodat het vreemde er toen voor hen af was.
2. Hij verbleef toen aldaar niet vele dagen, daar Hij nu slechts de kennismaking wilde beginnen, die Hij later zou voortzetten. Christus wilde Zijn werk en Zijne weldaden niet tot ene plaats bepalen, omdat velen Hem nodig hadden. Hij wilde Zijne volgelingen ook leren zich slechts als vreemdelingen en bijwoners in deze wereld te beschouwen, en Zijne dienstknechten om de gelegenheden aan te grijpen en te gaan waar hun werk hen heenvoert. Wij vinden thans Christus niet in de synagogen, maar Hij onderwijst Zijne vrienden, en aldus is Hij trapsgewijze ingegaan tot Zijn werk. Het is goed voor jonge leraren om zich door vrome en stichtelijke toespraken in besloten kring te oefenen, ten einde zich des te beter voor te bereiden op hun arbeid in het openbaar. Hij bleef niet lang te Kapernaum, omdat het Pascha nabij was, en Hij moest het te Jeruzalem vieren, want alles is schoon op zijn tijd. Het mindere goed moet plaats maken voor het grotere, en alle de woningen van Jakob moeten achterstaan bij de poorten van Zion.
II. Hij hield het pascha te Jeruzalem. Het was het eerste na Zijn doop, en de evangelist houdt aantekening van ieder pascha, dat Hij daarna gehouden heeft, vier in getal, het vierde, waarop Hij geleden heeft (drie jaren na dit) en het was nu een half jaar na Zijn doop. Christus, geworden zijnde onder de wet, heeft het pascha te Jeruzalem gehouden, zie Exodus 23:17. Aldus leerde Hij ons door Zijn voorbeeld een stipt waarnemen der Goddelijke inzettingen en een vlijtig bijwonen van de Godsdienstige bijeenkomsten. Hij ging op naar Jeruzalem toen het pascha nabij was, ten einde daar te zijn met de eersten. Het wordt het pascha der Joden genoemd, omdat het bijzonder het hun was, (Christus is ons Pascha), weldra zal God het niet meer als het Zijne erkennen. Christus heeft jaarlijks het pascha te Jeruzalem gehouden, van dat Hij twaalf jaren oud was, in gehoorzaamheid aan de wet, maar nu Hij Zijn openbaren dienst heeft aangevangen, kunnen wij iets meer van Hem verwachten dan tevoren. Er worden ons hier twee dingen meegedeeld, die Hij gedaan heeft: 1. Hij reinigde den tempel, vers 14-17. Merk hier op:
a. De eerste plaats, waar wij Hem te Jeruzalem vinden, is de tempel, en Hij scheen zich niet in het openbaar vertoond te hebben, voordat Hij dáár was, want Zijne tegenwoordigheid en prediking aldaar vormden de heerlijkheid van dat laatste huis, die groter zou wezen dan van het eerste, Haggai 2:9. Er was voorzegd: Maleachi 3:1:Ik zal Mijn engel (of bode) zenden, Johannes de Doper, hij heeft nooit in den tempel gepredikt, maar snellijk zal tot Zijn tempel komen die Heere, dien gijlieden zoekt, snellijk na de verschijning van Johannes de Doper, zodat dit de tijd, en de tempel de plaats was, wanneer en waar de Messias verwacht moest worden.
b. Het eerste werk, waaraan wij Hem bezig zien in den tempel, was de reiniging er van, want aldus was het voorzegd, Maleachi 3:2, 3. Hij zal zitten louterende, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen. Nu was de tijd der reformatie gekomen. Christus kwam om de grote Hervormer te zijn, en, naar de wijze der hervormende koningen van Juda, heeft Hij eerst het verkeerde uitgezuiverd, (en ook dat placht pascha-werk te zijn, zoals in den tijd van Hizkia, 2 Kronieken 30:14, 15, en van Josia, 2 Koningen 23:4 en verder.), en hun daarna geleerd te doen wat recht is. Zuiver eerst den ouden zuurdesem uit, en houd dan het feest. Christus' doel, waarmee Hij in de wereld is gekomen, was de wereld te hervormen, en Hij verwacht, dat allen, die tot Hem komen, hun hart en leven zullen hervormen, of reinigen, Genesis 35:2. Dat heeft Hij ons geleerd door den tempel te reinigen. Zie hier wat het bederf was, dat uitgezuiverd moest worden. In een der tempel-voorhoven vond Hij ene markt, en wel in dien, welke het voorhof der heidenen genaamd werd binnen den berg van dat huis. Daar verkochten zij ossen, en schapen, en duiven, voor de offers, naar wij veronderstellen, niet voor gewoon gebruik, maar voor het gemak van hen, die van buiten kwamen en hun offers niet in natura konden medebrengen, Deuteronomium 14:24-26. Die mar kt werd wellicht bij het badwater van Bethesda gehouden, Hoofdstuk 5:2, maar werd door de overpriesters toegelaten in den tempel, om den wille van vuil gewin, want ongetwijfeld was de huur der staanplaatsen voor de verkopers en hetgeen betaald moest worden door hen, die er de offerdieren kwamen kopen, en voor het bewijs, dat die dieren zonder gebrek waren, een aanzienlijke bron van inkomsten voor hen. Door liefde tot het geld ontstaat groot bederf in de kerk, 1 Timotheus 6:5, 10. Dáár werd ook geld gewisseld ten gerieve van hen, die elk jaar een halven sikkel moesten betalen voor den dienst des tabernakels, Exodus 30:12, en ongetwijfeld behaalden zij daar winst mede. De maatregel, door onzen Heere gevolgd, om dat bederf uit te zuiveren. Hij had dit alles in den tempel gezien, toen Hij er als particulier in kwam, maar nooit heeft Hij die lieden uitgedreven, voor Hij openlijk als Profeet was opgetreden. Hij bracht gene klacht in bij de overpriesters, want Hij wist, dat zij deze misbruiken steunden. Maar Hij zelf heeft: Ten eerste de schapen en de ossen en hen, die ze verkochten, "uitgedreven uit den tempel". Hij heeft nooit geweld gebruikt om iemand den tempel in te drijven, maar alleen om hen uit te drijven, die hem ontwijdden. Hij heeft de schapen en de ossen niet voor zich zelven genomen, Hij heeft ze niet in beslag genomen of verbeurd verklaard, hoewel zij in Zijns Vaders huis en erf schade en nadeel aanrichtten. Hij dreef ze slechts uit, en hun eigenaars er bij. Hij maakte een gesel van touwtjes, waarmee zij waarschijnlijk hun schapen en ossen voortgeleid hadden, maar op den grond hadden geworpen, waar Christus ze opnam. Zondaars bereiden zelven de gesels, waarmee zij uitgedreven zullen worden van den tempel des Heeren. Hij heeft geen gesel gemaakt om de overtreders te kastijden (Zijne straffen zijn van een anderen aard) doch slechts om het vee er mede uit te drijven, Hij bedoelde slechts hen te hervormen, of te verbeteren, Romeinen 13:3, 4, 2 Corinthiërs 10:8. Ten tweede. Het geld der wisselaars stortte Hij uit, to kerma -het klein geld -het Nummorum Famulus. Door dat uitstorten van het geld toonde Hij er Zijne minachting van, Hij wierp het op den grond, ter aarde, gelijk het zelf ook aarde of slijk was. Door het omkeren der tafelen toonde Hij Zijn misnoegen jegens hen, die den Godsdienst voor werelds gewin gebruiken. Geldwisselaars in den tempel zijn er ene ergernis. Het is goed om bij hervormingen grondig te werk te gaan, Hij dreef ze allen uit den tempel. Hij stortte niet slechts het geld uit, maar, door de tafelen om te keren, heeft Hij ook dat bedrijf van daar uitgeworpen.
Ten derde. Hij zei tot degenen, die de duiven (de offers der armen) verkochten: Neemt deze dingen van hier weg. Hoewel de duiven minder plaats besloegen dan de ossen en schapen, en ook minder hinderlijk waren, mochten zij daar toch niet toegelaten worden. De musjes en de zwaluwen waren welkom, die werden overgelaten aan Gods voorzienigheid, Psalm 84:4, maar niet de duiven, die tot gewin der mensen gebruikt werden. Gods tempel moet tot geen duivenslag gemaakt worden. Maar let op Christus' voorzichtigheid in Zijn ijver. Toen Hij de ossen en schapen uitdreef, konden hun eigenaars ze volgen, toen Hij het geld uitstortte, konden zij het weer oprapen, maar als Hij de duiven had laten vliegen, dan zouden zij ze wellicht niet terug hebben gekregen, daarom zei Hij tot degenen, die de duiven verkochten: Neemt deze dingen van hier weg. Onze ijver moet altijd met voorzichtigheid gepaard gaan, opdat wij zelven niet iets doen, dat onbetamelijk is, of schade berokkent aan anderen.
Ten vierde. Hij gaf hun een goede reden voor hetgeen Hij deed: Maakt niet het huis Mijns Vaders tot een huis van koophandel. Kracht van bestraffing moet vergezeld gaan van redenen ter overtuiging.
A. Hier is ene reden, waarom zij den tempel niet moesten ontwijden, omdat hij Gods huis was, en dus niet tot een huis van koophandel gemaakt moest worden. Koophandel is goed op de beurs, maar niet in den tempel. Het was datgene te vervreemden, hetwelk aan de ere Gods gewijd was, het was heiligschennis, het was God te beroven. Het was datgene, hetwelk heilig en plechtig was, te verlagen en gemeen te maken. Het was een hinderen en verstoren van Godsdienstplechtigheden, waarbij men ernstig en aandachtig behoorde te zijn. Het was inzonderheid een smaad en belediging van de vreemdelingen, om bij hun aanbidding gedwongen te wezen om onder schapen en ossen te zijn, en gestoord te worden door het rumoer en gedruis van de markt, want deze markt werd in het voorhof der heidenen gehouden. Het was den Godsdienst dienstbaar te maken aan wereldse belangen, want het gewijde der plaats zal de markt bevorderlijk geweest zijn. Diegenen maken Gods huis tot een huis van koophandel, wier hart vervuld is van wereldse zaken, als zij de Godsdienstoefening bijwonen, zoals die van wie gesproken wordt in Amos 8:5, en in Ezechiël 33:31. Evenzo ook diegenen, die den Goddelijken eredienst verrichten voor vuil gewin, en de gaven des Heiligen Geestes verkopen, Handelingen 8:18.
B. Hier is ene reden, waarom het voor Hem van zo veel belang was om het te reinigen, het was het huis Zijns Vaders. Daarom had Hij ook macht en gezag om het te reinigen, want Hij was, als de Zoon, getrouw in geheel Zijn huis, Hebreeën 3:5, 6. Door God Zijn Vader te noemen, geeft Hij te kennen, dat Hij de Messias was, van wie gezegd is: Die zal Mijn naam een huis bouwen, en Ik zal hem zijn tot een Vader. 2 Samuël 7:13, 14. Daarom had Hij ijver om het te reinigen: "Het is Mijns Vaders huis, en daarom kan Ik het niet dragen om het ontheiligd en Hem onteerd te zien". Indien God onze Vader in de hemelen is, en indien het dus onze begeerte is, dat Zijn naam worde geheiligd, dan kan het niet anders of het moet ons een grievende smart zijn, Hem onteerd te zien. Christus' tempelreiniging kan dus met recht tot Zijn grote werken gerekend worden. "Onder al de grote werken van Christus", zegt Hiëronymus, "schijnt dit mij het grootste". In aanmerking genomen:
a. Dat Hij het deed zonder den bijstand van een Zijner vrienden. Waarschijnlijk zou het niet moeilijk geweest zijn om het gepeupel, dat een grote verering had voor den tempel, tegen de ontwijders er van op te doen staan, maar Christus heeft nooit iets aangemoedigd, dat wanordelijk was of tot oproer kon leiden. Er was niemand om Hem te ondersteunen, maar Zijn eigen arm heeft het gewrocht.
b. Dat Hij het deed zonder tegenstand te ontmoeten van Zijne vijanden, hetzij van de marktlieden zelf, of van de overpriesters, die er hen toelieten, en de posse templi -de tempelmacht, tot hun beschikking hadden. Maar het misbruik was te duidelijk om gerechtvaardigd of verdedigd te kunnen worden, het eigen geweten der zondaars is de beste vriend van de hervormers. Toch was dat niet alles: er ging een Goddelijke kracht van uit, ene macht, die den geest der mensen beheerste, en in hun lijdelijkheid, hun geen weerstand bieden, was dat woord der Schrift, Maleachi 3:2, 3, vervuld: Wie zal bestaan als Hij verschijnt? Ten vijfde hebben wij hier ene opmerking Zijner discipelen hieromtrent, vers 17:Zij werden indachtig, dat er geschreven is: De ijver van Uw huis heeft mij verslonden. Zij waren eerst wel ietwat verwonderd om Hem, op wie zij gewezen waren als op het Lam Gods, in zulk een gloed van verontwaardiging te zien, en Hem, dien zij geloofden de koning Israël's te zijn, zo weinig statigheid te zien aannemen, om zelf zodanig een werk te gaan verrichten, maar er kwam hun een Schriftwoord in de gedachte, waardoor zij deze handelwijze zeer goed in overeenstemming konden brengen, zowel met de zachtmoedigheid van het Lam Gods, als met de majesteit van den koning Israël's, want David, sprekende van den Messias, merkt dien ijver op voor Gods huis, en ziet dat die ijver zo sterk is, dat hij Hem verteerde, hij vergat er zich zelven door, Psalm 69:10. Merk nu op:
1. Dat de discipelen de betekenis verstonden van hetgeen Christus deed, door zich de Schrift te herinneren: Zij werden indachtig dat er geschreven is. Het woord van God en de werken van God verklaren en verduidelijken elkaar. Duistere Schriftuurplaatsen worden opgehelderd door hare vervulling in den weg van Gods voorzienigheid, en moeilijke wegen van Gods voorzienigheid worden geëffend en gemakkelijk gemaakt door ze te vergelijken met de Schrift. Zie van hoe groot nut het is voor de discipelen van Christus om tehuis te zijn in ja machtig te zijn in de Schrift. Schriftwaarheden in hun geheugen te hebben, waardoor zij tot alle goed werk volmaakt worden toegerust.
2. De Schriftuurplaats, waaraan zij indachtig werden gemaakt, was zeer gepast en dienstig: De ijver van Uw huis heeft mij verslonden. Hierin is David een type geweest van Christus, dat hij ijverde voor Gods huis, Psalm 132:2.
3. Wat hij er voor deed, deed hij uit al zijne kracht, 1 Kronieken 29:2. Het laatste gedeelte van dat vers, Psalm 69:10, wordt toegepast op Christus, Romeinen 15:3, gelijk het eerste gedeelte er van hier op Hem wordt toegepast. Al de gaven der genade, welke in de Oud-Testamentische heiligen gevonden werden, blonken in de hoogste mate uit in Christus, inzonderheid die van ijver voor Gods huis, en gelijk zij hierin typen waren van Christus, zo zijn zij er voorbeelden in voor ons. Merk op: a. Jezus Christus was met ijver aangedaan voor het huis Gods, Zijne kerk. Hij heeft het liefgehad en heeft steeds geijverd voor deszelfs eer en welvaren.
b. Deze ijver heeft Hem verteerd, hij heeft Hem zich doen vernederen, te koste geven, zich doen blootstellen aan gevaar. Mijn ijver heeft mij doen vergaan, Psalm 119:139. IJver voor Gods huis verbiedt ons te rade te gaan met onze eigen eer, ons gemak en onze veiligheid, als die onzen plicht en den dienst van Christus in den weg staan, en soms zal die ijver onze ziel zo ver en zo snel wegvoeren op den weg des plichts, dat ons lichaam er geen gelijken tred mede kan houden, en ons even doof maken als onze Meester geweest is voor hen, die Hem aanmaanden om zich zelven te sparen, medelijden te hebben met zich zelven. Het misbruik, waartegen hier geijverd werd, zou men wel als klein en onbeduidend hebben kunnen beschouwen, iets dat wel oogluikend toegelaten kon worden, maar Christus' ijver was zo groot, dat Hij hen zelfs niet kon dragen of dulden, die in den tempel kochten en verkochten. "Indien Hij nu eens dronkaards in den tempel had gevonden," zegt Augustinus, "hoe veel zwaarder zou dan niet Zijn misnoegen geweest zijn!" 2. Na aldus den tempel gereinigd te hebben, gaf Christus aan hen, die er Hem om vroegen, een teken, om te bewijzen op wiens gezag Hij het gedaan had. Merk hier op:
a. Hun vragen om een teken. De Joden antwoordden dan, dat is: de scharen en hun leiders. Joden zijnde, hadden zij veeleer aan Zijne zijde moeten staan, Hem hulp moeten verlenen om de ere huns tempels hoog te houden, maar neen, zij komen er tegen op. Zij, die zich met allen ernst tot het werk der reformatie begeven, moeten tegenstand verwachten. Als zij niets tegen de zaak zelf weten in te brengen, stellen zij Zijn recht om het te doen in twijfel. Wat teken toont gij ons, om te bewijzen, dat gij gemachtigd zijt om deze dingen te doen? Het was voorzeker een goed werk om den tempel te reinigen, maar wat had hij het op zich te nemen om het te doen, hij, die hier generlei ambt bekleedde? Zij beschouwden het als ene uitoefening van rechtsmacht, en zij vonden, dat Hij moest bewijzen een profeet te zijn, ja meer dan een profeet. Maar was dan de zaak zelf niet reeds een teken? Zijne macht om zo velen van hun plaats te verdrijven, zonder tegenstand te ontmoeten, was een bewijs van Zijn gezag, Hij, die met zo Goddelijke macht was gewapend, was voorzeker ook met een Goddelijke opdracht gewapend. Wat was dezen kopers en verkopers, dat zij vloden, dat zij achterwaarts keerden? Voorzeker was het "voor het aangezicht des Heeren," Psalm 114:5, 7, geen mindere tegenwoordigheid dan deze.
b. Christus' antwoord op deze vraag, vers 19. Hij heeft niet terstond een wonder gedaan om hen te overtuigen, maar gaf hun een teken in iets dat later gebeuren zou, waarvan de waarheid zou blijken uit de gebeurtenis zelf, overeenkomstig Deuteronomium 18:21, 22. Het teken nu, dat Hij hun geeft, is Zijn eigen dood en opstanding. Hij verwijst hen naar hetgeen: Ten eerste. Zijn laatste teken zou wezen. Indien zij niet overtuigd zouden worden door hetgeen zij zagen en hoorden, zo laat hen wachten. Ten tweede. Het grote teken, waardoor Hij bewezen werd de Messias te zijn, want van Hem was voorzegd, dat Hij verwond zou worden, Jesaja 53:5, uitgeroeid, Daniël 9:26, en dat Hij toch gene verderving zou zien, Psalm 16:10. Deze dingen zijn vervuld in den gezegenden Jezus, en dus was Hij in waarheid de Zoon van God, en kon Hij gezag oefenen in den tempel, het huis Zijns Vaders. Hij voorzegt Zijn dood en opstanding, niet in duidelijke bewoordingen, maar in overdrachtelijke uitdrukkingen, evenals toen Hij later hun een teken gaf, en het noemde het teken van Jonas den profeet, zo ook hier: Breekt dezen tempel, en in drie dagen zal Ik dezelve oprichten. Aldus heeft Hij in gelijkenissen gesproken tot hen, die moedwillig onwetend waren, opdat zij niet zouden bemerken, Mattheus 13:13, 14. Zij, die niet willen zien, zullen niet zien. Ja, die overdrachtelijke zegswijze bleek zulk een struikelblok voor hen te zijn, dat zij als getuigenis tegen Hem werd aangevoerd om te bewijzen, dat Hij een Godslasteraar was, Mattheus 26:60, 61. Indien zij Hem nederig naar de betekenis hadden gevraagd van Zijne woorden, Hij zou het hun gezegd hebben, en dan zou het hun een reuke des levens ten leven geweest zijn, maar zij waren besloten om te vitten, en zo bleek het hun dan een reuke des doods ten dode te wezen. Zij, die niet overtuigd wilden wezen, werden verhard, en de wijze van uitdrukking van deze voorzegging heeft de vervulling der voorzegging teweeggebracht. Ten eerste. Hij voorzegt Zijn dood door de boosaardigheid der Joden in deze woorden: Breekt dezen tempel, dat is: "Gij zult hem breken, Ik weet, dat gij het zult. Ik zal u toelaten hem te breken." Bij den aanvang Zijner openbare bediening heeft Christus helder en duidelijk voorzien al wat Hij bij het einde er van te lijden zou hebben, en toch is Hij er goedsmoeds mede voortgegaan. Het is goed om reeds bij den aanvang op het ergste voorbereid te zijn. Ten tweede. Hij voorzegt Zijne opstanding door Zijn eigen kracht: In drie dagen zal Ik dezelve oprichten. Er waren anderen, die opgericht werden, maar Christus heeft zich zelven opgericht, heeft zelf het leven hernomen. Hij heeft die zaak uitgedrukt door breken en weder oprichten van den tempel. Ten eerste. Omdat Hij zich nu ging rechtvaardigen voor Zijne reiniging van den tempel, dien zij hadden ontwijd, alsof Hij gezegd had: Gij, die den enen tempel ontheiligt, zult een anderen tempel breken, en Ik zal Mijn gezag doen blijken, door te reinigen wat gij ontreinigd hebt, en door op te richten wat gij zult breken en neerwerpen". Den tempel te ontwijden is hem neer te werpen, en hem te hervormen is hem weer op te richten. Ten tweede. Omdat de dood van Christus in waarheid het verwoesten is geweest van den Joodsen tempel, de teweegbrenging er van, en Zijne opstanding was de oprichting van een anderen tempel, de Evangeliekerk, Zacheria 6:12. De wegneming van hun plaats en volk, Hoofdstuk 11:48, was de rijkdom der wereld, Amos 9:11, Handelingen 15:16.
c. Hun vitterij op dat antwoord: Zes en veertig jaren is over dezen tempel gebouwd, vers 20. "Tempelwerk ging altijd langzaam, en kunt gij dit dan zo vlug bewerkstelligen?" Nu tonen zij hier enige kennis, zij wisten te zeggen hoe lang er over den tempel gebouwd was. Dr. Lightfoot berekent, dat er juist zes en veertig jaren verlopen waren tussen de fondamentlegging van Zerubbabels tempel in het tweede jaar van Cyrus, en de volledige vestiging van den tempeldienst in het 32ste jaar van Artaxerxes, en evenzo van den aanvang van Herodes' tempelbouw in het 18de jaar zijner regering tot aan diezelfden tijd, toen de Joden zeiden, dat het juist zes en veertig jaren was oolikodomêthê, is over dezen tempel gebouwd. Zij tonen echter nog meer onwetendheid. Ten eerste. Van de betekenis van Christus' woorden. Men begaat dikwijls grote vergissingen door letterlijk op te vatten hetgeen, waarvan de Schrift in figuurlijken zin spreekt. Hoe zeer veel kwaad is er niet gesticht door aan de woorden: Dit is Mijn lichaam, een lichamelijke en vleselijke uitlegging te geven! Ten tweede. Van de almacht van Christus, alsof Hij niet meer kon doen dan een ander. Hadden zij geweten, dat Hij het was, die alle dingen in zes dagen geschapen heeft, zij zouden het niet zo ongerijmd hebben geacht, dat Hij den tempel in drie dagen weder oprichten kon.
d. De verdediging van Christus' antwoord tegen hun vitterij. De moeilijkheid wordt spoedig weggenomen door de verklaring van de uitdrukkingen: Hij zei dit van den tempel Zijns lichaams, vers 21. Hoewel Christus in Zijne reiniging van den tempel een groten eerbied er voor aan den dag heeft gelegd, wil Hij toch, dat wij zullen weten, dat de heiligheid des tempels, waarvoor Hij zo ijverde, slechts typisch was, en ons er toe leiden moet om te denken aan een anderen tempel, waarvan deze slechts de afschaduwing was, terwijl Christus er het wezen van is, Hebreeën 9:9, Colossenzen 2:17. Sommigen denken, dat Hij, toen Hij zei: Breekt dezen tempel, op Zijn eigen lichaam wees, of er de hand op legde, dit is zeker: Hij sprak van den tempel Zijns lichaams". Het lichaam van Christus is de ware tempel, waarvan die te Jeruzalem het type was. Evenals de tempel, was het gebouwd door onmiddellijke aanwijzing Gods: Gij hebt mij het lichaam toebereid, Hebreeën 10:5. Evenals de tempel, was het een heilig huis, het wordt genoemd dat heilige. Evenals de tempel was het de woning van Gods heerlijkheid, dáárin heeft het eeuwige Woord gewoond, de ware Shechina. Hij is EMMANUEL -God met ons. De tempel was de plaats en het middel van gemeenschap tussen God en Israël: daar heeft God zich aan hen geopenbaard, dáár hebben zij zich en hun dienst Hem voorgesteld. Zo spreekt God tot ons door Christus, en wij spreken tot Hem. Zij, die aanbaden, zagen heen naar dat huis, 1 Koningen 8:30, 35. 1) Zo moeten wij God aanbidden met het oog op Christus.
e. Ene opmerking der discipelen hierover, welke lang daarna hier ingelast werd ter opheldering van deze geschiedenis, vers 22. Als Hij opgestaan was van de doden, werden Zijne discipelen gedachtig, dat Hij dit tot hen gezegd had. In vers 17 zagen wij, dat zij indachtig werden wat tevoren van Hem geschreven was, en hier zien wij, hoe zij zich herinnerden wat zij van Hem hadden gehoord. Het geheugen van Christus' discipelen moet wezen gelijk aan den schat van dien heer des huizes, voorzien van nieuwe en oude dingen, Mattheus 13:52. Merk nu op: wanneer zij zich deze woorden herinnerden: als Hij opgestaan was van de doden. Het schijnt, dat zij op dat ogenblik Christus' bedoeling niet ten volle hebben begrepen, want zij waren nog slechts kinderkens in kennis, maar zij bewaarden die woorden in hun hart, en later zijn zij hun even verstaanbaar als nuttig geworden. Het is goed op te merken en te horen wat hierna zal zijn, Jesaja 42:23. De jongeren in jaren en belijdenis moeten al die waarheden als een schat bewaren, waarvan zij nu de betekenis nog niet recht verstaan, want zij zullen hun later nuttig zijn, als zij meer gevorderd zijn zullen. Van de leerlingen van Pythagoras zei men, dat zijne voorschriften in hen schenen te bevriezen tot zij veertig jaren oud waren, en dan begonnen zij te ontdooien, en zo is ook dit gezegde van Christus weer opgeleefd in de herinnering Zijner discipelen, als Hij van de doden was opgestaan, en waarom toen? Ten eerste. Omdat toen de Geest was uitgestort om dingen in hun herinnering terug te roepen, die Christus tot hen gezegd had, Hoofdstuk 14:26. Op den eigen dag, dat Christus van de doden is opgestaan, heeft Hij hun verstand geopend, Lukas 24:45. Ten tweede. Omdat dit woord van Christus toen vervuld werd. Toen de tempel Zijns lichaams gebroken en, ten derden dage, weder opgericht was, toen hebben zij, onder andere woorden van Christus, zich ook dit herinnerd. Een nauwkeurig acht geven op de vervulling der Schrift is zeer bevorderlijk aan het rechte verstaan der Schrift. De profetie wordt verklaard door de gebeurtenis. Welk gebruik zij er van maakten: Zij geloofden de Schrift en het woord, dat Jezus gesproken had, hun geloof hieraan werd bevestigd en ontving er nieuwe kracht en steun door. Zij waren traag van hart om te geloven, Lukas 24:25, maar als zij dan tot geloof kwamen, was het ook een vast, onwrikbaar geloof. De Schrift en het woord van Christus zijn hier samengevoegd, niet omdat zij nauwkeurig overeenkomen of samenstemmen, maar omdat zij zich wederkerig ophelderen en versterken. Toen de discipelen hetgeen zij in het Oude Testament hadden gelezen en uit Christus' eigen mond hadden gehoord vervuld zagen in Zijn dood en opstanding, zijn zij er des te meer door bevestigd geworden in hun geloof er aan.