Mattheus 16:5-12
Wij hebben hier het gesprek van Christus met Zijne discipelen betreffende brood, waarin Hij, gelijk in vele andere van Zijne redenen, hun spreekt van geestelijke dingen onder een beeld of gelijkenis, en zij Hem misverstaan, denkende, dat Hij hun van vleselijke dingen spreekt. De aanleiding hiertoe was hun vergeten, om hun schip te provianderen, en provisie mede te nemen voor de andere zijde. Gewoonlijk namen zij wèl brood mede, omdat zij zich soms in woeste plaatsen ophielden, en al was dit niet het geval, dan was het medenemen van brood toch geen last. Maar nu vergaten zij het, wij willen hopen, dat het was, omdat hun hart en hoofd vervuld waren van betere dingen. Christus' discipelen zijn dikwijls mensen, die niet veel werelds overleg hebben.
1. Wij hebben nu de waarschuwing, die Christus hun geeft: Wacht u van den zuurdesem der Farizeeën. Hij had nu met de Farizeeën en Sadduceeën gesproken, en gezien, dat het mensen waren van zulk een geest en gezindheid, die het nodig maakten Zijne discipelen te waarschuwen om niets met hen te doen te hebben. Discipelen lopen het meest gevaar van geveinsden, tegen hen, die openlijk slecht zijn, zijn zij van zelf op hun hoede, maar tegen Farizeeën, die zo grote vroomheid voorwenden, en Sadduceeën, die bogen op een vrij en onpartijdig onderzoek naar de waarheid, zijn zij gewoonlijk niet op hun hoede, daarom geschiedt de waarschuwing in dubbelen vorm: Ziet toe, en wacht u. De verdorvene beginselen en praktijken van de Farizeeën en Sadduceeën worden vergeleken bij zuurdesem, zij verzuurden, en deden opzwellen en verspreidden zich gelijk zuurdesem, zij gisten, overal waar zij kwamen.
II. Hun misvatting van die waarschuwing, vers 7. Zij dachten, dat Christus hen berispte vanwege hun zorgeloosheid en vergeetachtigheid, dat zij zo vervuld waren van hetgeen Hij met de Farizeeën besprak, dat zij er hun eigene zaken om vergaten. Of wel: geen brood medegenomen hebbende, zullen zij zich tot vrienden hebben te wenden om er te verkrijgen, maar Hij wilde niet, dat zij er de Farizeeën en Sadduceeën om zouden vragen, of van hen aalmoezen zouden aannemen, opdat, onder voorgeven van hen te spijzigen, zij hun geen leed zouden aandoen. Of wel, zij namen het als ene waarschuwing op, om niet gemeenzaam om te gaan met de Farizeeën en Sadduceeën, niet met hen te eten, Prediker 23:6, daar het gevaar niet schuilde in hun brood (Christus zelf heeft met hen gegeten, Lukas 7:36, 11:37, 14:1), maar in hun beginselen.
III. De bestraffing, die Christus hun hierom gaf.
1. Hij bestraft hun mistrouwen van Zijne macht en bereidwilligheid, om voor hen te voorzien in deze verlegenheid, vers 8. " Gij kleingelovigen, waarom zijt gij in zulk ene verlegenheid, omdat gij gene broden medegenomen hebt, dat gij aan niets anders kunt denken, en waant, dat uw Meester hier even van vervuld is als gij zelven, en alles wat Hij zegt, hiermede in verband brengt?" Hij berispt hen niet vanwege hun zorgeloosheid, gelijk zij dachten dat Hij zou doen. Ouders en meesters moeten zich niet vertoornen wegens de vergeetachtigheid van hun kinderen en dienstboden, niet meer dan nodig is, om hen een volgenden keer beter te doen opletten, wij zijn allen maar al te zeer geneigd onzen plicht te vergeten. Het behoort als verontschuldiging te dienen voor ene fout: misschien is het een feil. Zie, hoe gemakkelijk Christus de zorgeloosheid Zijner discipelen vergaf, hoewel het zulk ene gewichtige zaak als het medenemen van brood betrof, en doe gij desgelijks. Waar Hij hen wèl om berispt, is hun klein geloof. Hij wilde, dat zij op Hem zouden rekenen voor de voorziening in den nood, al was het ook in de woestijn, en zich niet zouden ontrusten met angstige gedachten hieromtrent. Hoewel Christus' discipelen tot gebrek vervallen door hun eigene zorgeloosheid en onnadenkendheid, toch moedigt Hij hen aan, om op Hem te vertrouwen voor hulp en uitkomst. Wij moeten het dus niet als ene verontschuldiging van onze hardheid en liefdeloosheid jegens de wezenlijk armen gebruiken, dat zij beter op hun zaken hadden moeten letten, daar zij dan niet in nood zouden gekomen zijn. Dit kan wel waar wezen, maar daarom moet men hen toch niet van honger en gebrek laten omkomen. Hij is misnoegd over hun bezorgdheid in deze zaak. De zwakheid en onbeholpenheid van vrome mensen in hun wereldlijke aangelegenheden is iets, waarom men zo licht geneigd is hun te veroordelen, maar in Christus' oog is dit gebrek niet zo erg als hun buitensporige zorg en angst ten opzichte van deze dingen. Wij moeten trachten het midden te houden tussen de uitersten van zorgeloosheid en overbezorgdheid, maar van die twee, is de overmaat van bezorgdheid ten opzichte van de wereld het minst betamelijk in Christus' discipelen. "Gij kleingelovigen, waarom zijt gij zo ontrust wegens gebrek aan brood?" Christus te mistrouwen en ons zelven te ontrusten, als wij in nood of verlegenheid zijn, is een blijk van de zwakheid van ons geloof, dat indien het naar behoren geoefend werd, ons zou bevrijden van den last der zorge, door ze op den Heere te werpen, die voor ons zorgt. Hun wantrouwen werd nog verzwaard door de ervaring, die zij nog zo kort geleden hadden opgedaan van de macht en goedheid van Christus, door voor hen te voorzien, vers 9, 10. Zij hadden geen brood bij zich, maar zij hadden Hem, die hen van brood kon voorzien. Zo zij al den waterbak niet hadden, zij hadden de Bron. Verstaat gij nog niet? Christus' discipelen zijn dikwijls te laken wegens hun gebrek aan verstand en hun slecht geheugen. "Hebt gij de veelvuldige voorbeelden vergeten van genadige en wonderdadige voorziening, vijf duizend gespijzigd met vijf broden, en vier duizend met zeven broden, en die genoeg hadden en nog overhielden? Gedenkt hoe vele manden gij opnaamt." Deze manden moeten dienen tot herinnering, tot gedenktekenen, om de barmhartigheid in het geheugen te bewaren, gelijk de kruik met manna, die in de ark bewaard bleef, Exodus 16:32. De overgeschoten brokken van toen, zouden thans een feestmaal opleveren, en Hij, die hen toen van zulk een overschot kon voorzien, kon hen thans ongetwijfeld van het nodige voorzien. Die spijze voor hun lichaam was bestemd om spijze te zijn voor hun geloof, Psalm 74:14, waarop zij dus hadden moeten leven en teren, nu zij vergeten hadden brood mede te nemen. Wij zijn verlegen en verbijsterd onder onze tegenwoordige zorgen en ons mistrouwen, omdat wij ons niet behoorlijk onze vorige ervaringen van de Goddelijke macht en goedheid herinneren.
2. Hij bestraft hen om hun misverstaan van de waarschuwing, die Hij hun gaf, vers 11, Hoe verstaat gij niet? -Christus' discipelen kunnen zich wel schamen wegens hun traag begrip van Goddelijke dingen, inzonderheid als zij reeds lang van de middelen der genade hebben genoten, -dat Ik u van geen brood gesproken heb. Hij duidde hun ten kwade
a. dat zij Hem even bekommerd dachten te zijn om brood als zij zelven waren, terwijl toch Zijne spijs en drank was den wil Zijns Vaders te doen.
b. Dat zij zo weinig bekend waren met Zijne wijze van prediken, om letterlijk op te vatten, wat Hij bij wijze van gelijkenis sprak, en aldus gelijk te worden aan de schare, die, als Christus in gelijkenissen tot hen sprak, ziende, niet zagen, en horende, niet hoorden, Hoofdstuk 13:13.
IV. Het herstel van deze misvatting door Zijne bestraffing, vers 12. Toen verstonden zij wat Hij bedoelde. De reden waarom Christus onze dwaasheid en zwakheid bestraft, is ons op te wekken, om de dingen recht in te zien. Hij zei hen niet in zo vele woorden wat Hij bedoelde. Hij herhaalde slechts wat Hij gezegd had, nl. dat zij zich moesten wachten voor den zuurdesem, en zo noodzaakte Hij hen door dit te vergelijken met Zijne andere gezegden en redevoeringen, zelven tot Zijne bedoeling door te dringen. Aldus onderwijst Christus door den Geest der wijsheid in het hart, het verstand openende door den Geest der openbaring in het woord. En die waarheden zijn het dierbaarst en kostbaarst, waar wij aldus naar hebben moeten graven, en die wij, na ons vergist te hebben, eindelijk ontdekken. Hoewel Christus het hun niet duidelijk en openlijk zei, begrepen zij nu toch, dat Hij met den zuurdesem der Farizeeën en Sadduceeën hun leer en hun wijze van doen bedoelde, die verdorven en slecht waren, en die zij in het hart der mensen wisten te doen doordringen als zuurdesem, en doen voort-eten gelijk de kanker. Zij waren voorgangers en werden in ere gehouden, en dat maakte het gevaar der besmetting met hun dwalingen des te groter. In onzen tijd kunnen wij het atheïsme en deïsme als den zuurdesem der Sadduceeën beschouwen, en het Roomse bijgeloof als den zuurdesem der Farizeeën, tegen beiden behoort de Christen op zijne hoede te zijn.