Mattheus 15:10-20
Christus had aangetoond, dat de discipelen niet gelaakt konden worden wegens het eten met ongewassen handen, als ene overtreding van de inzetting der ouden, en nu toont Hij, dat zij ook niet gelaakt konden worden als hebbende iets gedaan, dat op zichzelf slecht is. In het eerste gedeelte Zijner rede verwierp Hij het gezag dier wet, en nu geeft Hij er de reden van op. Wij hebben te letten op:
I. De plechtige inleiding tot deze rede, vers 10. Als Hij de schare tot zich geroepen had. Zij hadden zich teruggetrokken terwijl Christus tot de Schriftgeleerden en Farizeeën sprak. Waarschijnlijk hebben deze hoogmoedige mannen hun bevolen heen te gaan, onwillig zijnde om met Christus te spreken als zij konden luisteren. Christus moet hun, naar hun believen, een bijzonder onderhoud toestaan. Maar aan Christus ging de schare ter harte. Hij had spoedig afgedaan met de schriftgeleerden en Farizeeën en zond hen heen, en toen nodigde Hij het gemeen, de schare, om Zijne hoorders te zijn. Aldus wordt den armen het Evangelie verkondigd, en het dwaze dezer wereld en het verachte dezer wereld heeft Christus verkoren. De nederige Jezus ontving hen in liefde, op wie de trotse Farizeeën met verachting neerzagen, en dit bedoelde Hij als ene vernedering voor deze hovaardigen. Hij keert zich van hen af als eigenzinnig en onleerzaam, en wendt zich tot de scharen, die, hoewel zwak, ootmoedig waren en wilden leren. Het is tot hen, dat Hij zegt: Hoort en verstaat. Aan hetgeen wij uit den mond van Christus horen moeten wij alle aandacht schenken, teneinde het te verstaan. Niet slechts de geleerden, maar ook de scharen, het gewone volk, moeten hun verstand scherpen om de woorden van Christus te verstaan. Hij wekt hen thans in het bijzonder op om te verstaan, omdat hetgeen Hij hun nu ging leren in tegenspraak was met de denkbeelden, die zij van hun kindsheid af van hun leraren hadden gehoord, en velerlei zeden en gewoonten zou verbreken, waaraan zij gehecht waren, en die zij van groot gewicht waanden. Er is veel aandacht en helderheid van begrip nodig om de mensen te bevrijden van de verdorven grondbeginselen, waarin zij zijn opgevoed, en waaraan zij gewoon zijn geraakt, want in zulk een geval zal het verstand meestal verduisterd zijn door vooroordeel.
II. De waarheid zelf, die hier wordt uitgesproken, vers 11, in twee stellingen, die in tegenspraak waren met de algemeen-heersende dwalingen van dien tijd, en die dus voor de hoorders uiterst vreemd en verrassend moeten geweest zijn.
1. Hetgeen ten monde ingaat, ontreinigt den mens niet. Het is niet de soort of de hoedanigheid van ons voedsel, en ook even min de toestand van onze handen, die een zedelijk verontreinigenden invloed uitoefenen op de ziel.
Het koninkrijk Gods is niet spijs en drank, Romeinen 14:17. Datgene verontreinigt den mens, waardoor men schuldig wordt voor God, verfoeilijkt wordt in Zijne ogen en ongeschikt om gemeenschap met Hem te oefenen. Dit nu geschiedt niet door hetgeen wij eten-zo wij daarbij matigheid betrachten, -want alle dingen zijn rein den reinen, Titus 1:15. Door het eten of niet eten- van deze of gene spijze voerden de Farizeeën de ceremoniële verontreiniging veel verder dan de wet bedoeld heeft, en zij bezwaarden de wet met allerlei toevoegsels van hen zelven, waartegen onze Heiland getuigd heeft met de bedoeling om den weg te banen voor de opheffing der ceremoniële wet te dien opzichte. Thans begon Hij Zijnen volgelingen te leren om niets gemeen of onrein te maken, en indien Petrus, toen hem bevolen werd te slachten en te eten aan dit woord indachtig ware geweest, dan zou hij niet gezegd hebben: Geenszins Heere, Handelingen 10:13-15, 28.
2. Maar hetgeen ten monde uitgaat, dat ontreinigt den mens. Wij worden ontreinigd, niet door de spijze, die wij eten met ongewassen handen, maar door de woorden, die wij spreken uit een ongeheiligd hart. Aldus is het, dat de mond ons vlees doet zondigen, Prediker 5:5. In ene vorige rede had Christus veel gewicht en nadruk gelegd op onze woorden, Hoofdstuk 12:36, 37, en dat was bedoeld als ene bestraffing van hen, die Hem bedilden, hier is het bedoeld als ene bestraffing van hen, die vittende aanmerkingen maakten op de discipelen. Niet de discipelen verontreinigen zich door hetgeen zij eten, maar de Farizeeën verontreinigen zich door hun spijtig en berispend spreken van hen. Zij, die anderen schuld ten laste leggen wegens het overtreden van geboden van mensen, brengen veel zwaardere schuld over zich zelven, door met hun roekeloos oordelen de wet van God te overtreden. Diegenen verontreinigen zich het meest, die het ijverigst de verontreinigingen van anderen bestraffen.
III. De ergernis, die deze waarheid heeft opgewekt, en de mededeling er van aan Christus, vers 12. De discipelen zeiden tot Hem: Weet Gij wel, dat de Farizeeën, deze rede horende, geërgerd zijn geweest? En hebt gij niet voorzien, dat zij dit zijn zouden, en er te slechter gedachten om zouden hebben van U en van Uwe leer, en er des te meer in toorn tegen U om zouden ontstoken zijn?
1. Het was niet vreemd, dat de Farizeeën zich aan deze eenvoudige waarheid zouden ergeren, want die mensen waren een en al dwaling en vijandschap en boosaardigheid. Ontstoken ogen kunnen geen helder licht verdragen, en voor trotse bedriegers is er niets meer prikkelend en ergerlijk, dan het inlichten van hen, die zij eerst geblinddoekt en daarna verdrukt hadden. Het schijnt, dat de Farizeeën, die de inzettingen der ouden zeer stipt onderhielden, meer geërgerd waren dan de schriftgeleerden, die hun leraars waren, en wellicht waren zij even verbitterd over het laatste gedeelte van Christus' leer, die nauwgezetheid eiste in het beheersen der tong, als over het eerste gedeelte, dat onverschilligheid leerde ten opzichte van het wassen der handen. Grote strijders voor de vormen van den Godsdienst, zijn gewoonlijk ook grote minachters van het wezen er van.
2. De discipelen vonden het vreemd, dat hun Meester zou zeggen wat zo veel ergernis zou geven. Hij placht dit anders niet te doen. Voorzeker, denken zij, indien Hij had bedacht hoe hen dit moest ergeren, Hij zou het niet gezegd hebben. Maar Hij wist wel wat Hij zei en tot wie Hij het zei, en wat er de uitwerking van zou wezen. En Hij wilde ons leren, dat wij, hoewel wij moeten schromen om ten opzichte van onverschillige zaken onnodig ergernis te geven, toch uit vreze daarvoor aan de waarheid en aan onzen plicht niet mogen te kort doen. De waarheid moet betuigd, en de plicht gedaan worden, en zo iemand zich daaraan ergert, dan is dit zijne eigene schuld. Dit is ergernis genomen, niet gegeven. Wellicht hebben de discipelen zelf zich gestoten aan het woord door Christus gesproken, dat zij wel wat stoutmoedig vonden en niet overeen wisten te brengen met het verschil door de wet van God gesteld tussen reine en onreine spijzen, en daarom maakten zij deze tegenwerping ten einde door Christus beter onderricht te worden. Zij schijnen ook enigszins begaan te zijn met de Farizeeën, hoewel dezen zulke vittende aanmerkingen op hen hadden gemaakt, hetgeen ons leert om vergiffenis te schenken aan onze vijanden, vervolgers en lasteraars, en het goede, voornamelijk het geestelijk goede, voor hen te zoeken. Zij wilden niet gaarne, dat de Farizeeën zouden weggaan, misnoegd over iets, dat Christus had gezegd, en hoewel zij niet wensen, dat Hij het herroepen of terugnemen zou, hopen zij toch, dat Hij het verklaren, verbeteren of wijzigen zal. Zwakke hoorders zijn wel eens meer bezorgd dan zij behoorden te zijn, dat slechte hoorders geërgerd zullen worden. Maar als wij mensen behagen door de waarheid te verbergen, en door aan hun dwalingen en verdorvenheden toe te geven, dan zijn wij de dienstknechten van Christus niet.
IV. Het oordeel over de Farizeeën en hun verdorvene inzettingen, dat hier voorkomt als ene reden, waarom Christus niet schroomde hen te ergeren, en waarom dus ook de discipelen hier niet voor moeten schromen, daar zij een geslacht van mensen waren, die het haatten om zich te laten verbeteren, en dus ten verderve waren overgegeven. Hen betreffende voorzegt Christus hier twee dingen.
1. Ten eerste, de uitvoering van hen en van hun inzettingen, vers 13, Alle plant, die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden. Niet slechts de verdorvene meningen en bijgelovige praktijken van de Farizeeën, maar ook hun sekte, hun ganse inrichting waren gene planten, die God geplant heeft. De regelen van hun belijdenis had Hij niet ingesteld, maar vonden hun oorsprong in hun hoogmoed en formalisme. Het volk der Joden was geplant als een edele wijnstok, maar zij zijn nu ene ontaarde planting van een' vreemden wijnstok geworden, God erkende hen niet als Zijne planting. In de zichtbare kerk is het niets vreemds planten te vinden, die onze hemelse Vader niet geplant heeft. Hierin ligt opgesloten, dat al wat er goed is in de kerk door God geplant werd, Jesaja 41:19. Maar hoe zorgzaam de landman ook is, er zal altijd min of meer onkruid van zelf uit den grond opschieten, en er is een vijand, die er op uit is onkruid te zaaien. Wat verdorven is, kan wel door God zijn toegelaten, maar is niet door Hem geplant, Hij zaait niets dan goed zaad in Zijn akker. Laten wij dus niet in de dwaling verkeren, dat alles wat wij in de kerk vinden goed moet zijn, en dat alle personen en zaken, die wij in den hof onzes Vaders vinden, er door Hem geplant zijn. Geloof niet een' iegelijk geest, maar beproeft de geesten, zie Jeremia 19:5, 23:31, 32. Die van dezelfden geest, dezelfde gezindheid zijn als de Farizeeën, hoogmoedig, vormelijk, misleidend, hoe zij zich ook voordoen, en tot welke kerkgemeenschap zij ook behoren, God zal hen niet als Zijne planting erkennen. Aan hun vruchten zult gij ze kennen. De planten, die niet door God geplant zijn, zullen ook niet door Hem beschermd worden, maar ontwijfelbaar worden uitgeroeid. Wat van God niet is, zal geen stand houden, Handelingen 5:38. Alles wat onschriftuurlijk is, zal verdorren en van zelf sterven, of rechtvaardiglijk door de kerken uitgedreven worden, maar in den groten dag zal dit verdervende onkruid saamgebonden worden voor het vuur. Wat is er geworden van de Farizeeën en hun inzettingen? Zij zijn reeds sedert lang verlaten, maar groot is het Evangelie der waarheid, en het zal stand houden. Het kan niet worden uitgeroeid.
2. Het verderf over hen en hun volgelingen, die zoveel bewondering hadden voor hun personen en hun beginselen, vers 14, waar Christus Zijnen discipelen gebiedt hen te laten varen. Hebt gene gemeenschap met hen, en laat u aan hen niet gelegen liggen. Zoekt hun gunst niet, en vreest hun ongenoegen niet. Bekommert er u niet om, als zij geërgerd zijn, zij willen in alles hun eigen weg gaan, laat hen gaan, laat hen varen. Zoekt geen geslacht van mensen te behagen, die God niet behagen, 1 Thessalonicenzen 2:15, en die in niets anders behagen kunnen scheppen dan onbepaald en onbeperkt over u en uw geweten te heersen. Evenals Efraïm zijn zij vergezeld met de afgoden, Hosea 4:17, de afgoden van hun eigene inbeeldingen, laat hen varen. Dat zij nog vuil worden, Openbaring 22:11. Zeer treurig voorwaar is de toestand van die zondaren, daar Christus Zijnen dienaren beveelt hen te laten varen. Hij geeft hier twee redenen voor op, Laat hen varen, want, 1. Zij zijn hoogmoedig en onwetend, twee slechte hoedanigheden, die dikwijls samengaan, en die den mens ongeneeslijk maken in zijne zotheid, Prediker 26:12. Zij zijn blinde leidslieden der blinden. Zij zijn grof onwetend in de dingen Gods, vreemdelingen voor den geestelijken aard der Goddelijke wet, en daarbij nog zo hoogmoedig, dat zij meer en beter denken te zien dan anderen, en het dus ondernemen de leidslieden te zijn van anderen, om hun den weg naar den hemel te wijzen, terwijl zij zelf geen stap kennen van dien weg, en dies aan allen de wet voorschrijven, en hen in den ban doen, die hen niet willen volgen. Zij waren blind, maar indien zij dit hadden erkend, en tot Christus waren gekomen om ogenzalf, dan zouden zij ziende hebben kunnen worden, maar het denkbeeld daarvan hebben zij minachtend afgewezen, Johannes 9:40. Zijn wij dan ook blind? Zij betrouwden zich zelven leidslieden te zijn der blinden, Romeinen 2:19, 20, zij waren bestemd om dit te zijn, en er toe geschikt-naar zij zich inbeelden-zodat alles wat zij zeiden als ene Godsspraak en wet beschouwd moest worden. Daarom: Laat hen varen, hun toestand is niet meer te verhelpen, laat u niet in met hen, gij zoudt hen spoedig ergeren en verbitteren, maar hen nooit overtuigen. In hoe ellendigen toestand bevond zich nu de Joodse kerk, daar hun leidslieden blind waren, zo laatdunkend en dwaas, dat zij gans peremptorisch optraden in hun handelingen, als voor gene afkeuring vatbaar, terwijl het volk zo verdwaasd was van hen te volgen met onvoorwaardelijk geloof en gehoorzaamheid, gewillig wandelende naar hun gebod, Hosea 5:11. Nu was de profetie vervuld, Jesaja 29:10, 14. En men kan zich gemakkelijk voorstellen wat er het einde van zal zijn, als de profeten valselijk profeteren, en de priesters heersen door hun handen, en het volk het gaarne alzo heeft. Jeremia 5:31. 2 Zij haasten zich ten verderve, en zullen er weldra in neergestort worden, zij zullen beiden in de gracht vallen. Dat moet er het einde van wezen, indien beiden zo blind zijn, en toch zo roekeloos, dat zij voorwaarts gaan en geen gevaar bespeuren. Beiden zullen besloten zijn in de algemene verwoesting, die over de Joden komen zal, beiden zullen omkomen in het eeuwige verderf, de blinde leidslieden en de blinde volgelingen. In Openbaring 22:15 1) vinden wij, dat de hel het deel is dergenen, die ene leugen maken en dergenen, die haar liefhebben, als zij gemaakt is. De dwalende en die doet dwalen, zijn hatelijk in Gods ogen. Merk nu op, ten eerste, dat zij, die door hun listigheid anderen tot zonde en dwaling verlokken, met al hun list en behendigheid toch zelf aan het verderf niet zullen ontkomen. Indien beiden te zamen in de gracht vallen, dan zullen de blinde leidslieden onderaan liggen, en er het ergst aan toe zijn. Zie Jeremia 14:15, 16. De profeten zullen het eerst verteerd worden, en dan het volk, tot hetwelk zij profeteren, Jeremia 20:6, 28:15, 16. Ten tweede: De zonde en het verderf dergenen, die doen dwalen, zal gene beveiliging wezen voor hen, die zij hebben doen dwalen. Hoewel de leidslieden van dit volk hen doen dwalen, worden toch zij, die zich door hen lieten leiden, ingeslokt, Jesaja 9:15, omdat zij hun ogen gesloten hebben voor het licht, dat hun hun dwaling zou hebben doen onderkennen. De val van beiden te zamen zal den val voor beiden verergeren, want daar zij wederkerig elkanders zonde hebben verzwaard, zullen zij ook elkanders verderf verzwaren.
V. Het onderwijs aan de discipelen betreffende de waarheid, door Christus neergelegd, vers 10. Hoewel Christus de moedwillig onwetenden verwerpt. die zich niet willen laten onderwijzen, kan Hij toch medelijden hebben met de onwetenden, die gewillig zijn om te leren, Hebreeën 5:2. Indien de Farizeeën, die de wet krachteloos maken, geërgerd worden, zo laat hen geërgerd zijn, maar die Zijne wet beminnen, hebben den grote vrede, dat zij geen aanstoot hebben, Psalm 119:165. Op de ene of andere wijze zal de aanstoot voor hen worden weggenomen. Hier is 1. Hun begeerte om beter onderricht te worden in deze zaak, vers 15. Voor dit verzoek, gelijk als voor vele anderen, was Petrus de woordvoerder. Waarschijnlijk hebben de overigen hem tot spreken gedrongen en hem hun instemming er mede te kennen gegeven.
Verklaar ons deze gelijkenis. Wat Christus gezegd had, was duidelijk, het kwam echter niet overeen met de denkbeelden, die zij van hun vroegste kindsheid af hadden gekoesterd, en hoewel zij het niet wilden tegenspreken, noemen zij het toch ene gelijkenis, en kunnen het niet begrijpen. Een zwak verstand is allicht geneigd eenvoudige waarheden voor gelijkenissen te houden, aan iets ingewikkelds of moeilijks te denken, waar alles eenvoudig en gemakkelijk te begrijpen is. De discipelen hebben dit dikwijls gedaan, zoals in Johannes 16:17. Een zwakke maag wordt zelfs door ene sprinkhaan bezwaard, en kinderkens in het verstand kunnen geen krachtig voedsel verdragen.
2. Waar in een zwak hoofd betreffende een woord van Christus twijfel opkomt, zal een oprecht hart onderricht zoeken. De Farizeeën waren geërgerd, maar hielden dit voor zich, zij wilden gene reformatie van hun leven en bestaan, en evenmin verlangden zij naar informatie voor hun verstand, maar de discipelen, hoewel geërgerd, zochten inlichting te verkrijgen, de ergernis toeschrijvende niet aan de leer, die hun was voorgehouden, maar aan het bekrompene van hun bevattingsvermogen. 2. De bestraffing, die Christus hun gaf wegens hun zwakheid en onwetendheid, vers 16. Zijt ook gijlieden als nog onwetende? Zo wie Christus liefheeft en onderwijst, bestraft Hij. Zeer onwetend voorwaar! zijn zij, die niet verstaan, dat zedelijke ontreiniging oneindig erger en gevaarlijker is dan ceremoniële ontreiniging. Hun stompzinnigheid wordt nog verzwaard door twee zaken.
a. Dat zij discipelen waren van Christus. Zijt ook gijlieden alsnog onwetende? Gijlieden, die Ik in zo grote gemeenzaamheid met Mij heb toegelaten, zijt gijlieden nog zo onervaren in het woord der gerechtigheid? De onwetendheid en dwaling van hen, die den Godsdienst belijden, het voorrecht hebben van leden der kerk te zijn, zijn ene rechtmatige grief voor den Heere Jezus.
Geen wonder, dat de Farizeeën deze leer niet verstaan, die niets weten van het koninkrijk van den Messias, maar gijlieden, die er van gehoord hebt, en het zelven hebt aangenomen, en het aan anderen hebt gepredikt, zijt gijlieden nog zulke vreemdelingen aan den geest van dit koninkrijk?
b. Dat zij gedurende langen tijd het onderwijs van Christus hadden genoten, Zijt gijlieden alsnog onwetende? Indien zij slechts sedert gisteren bij Christus ter schole waren geweest, het zou wat anders zijn, maar gedurende zo vele maanden Christus' voortdurende hoorders te zijn geweest, en nu nog zonder begrip te zijn, was een smaad voor hen Christus verwacht kennis en genade, en wijsheid in ons te vinden in evenredigheid van den tijd en de middelen, die ter onzer beschikking waren. Zie Johannes 14:9, Hebreeën 5:12, 2 Timotheus 3:7, 8.
3. De verklaring, die Christus hun gaf van deze leer der verontreiniging. Hoewel Hij hen berispte om hun stompzinnigheid, heeft Hij hen toch niet afgewezen, maar medelijden met hen gehad, en hen onderricht, zoals in Lukas 24:25-27. Hier toont Hij hun: In hoe luttel gevaar wij verkeren van ontreinigd te worden door hetgeen ten monde ingaat vers 17. Een ongeregelde eetlust, onmatigheid en overdaad in spijs en drank, komen voort uit het hart en zijn verontreinigend, maar de spijze op zich zelf is dit niet. gelijk de Farizeeën ten onrechte dachten. Voor het schuim, de onreinheid, die in ons voedsel aanwezig is, heeft de natuur (of liever de God der natuur) een uitweg bereid om er ons van te ontdoen, Wat ten monde ingaat, komt in den buik, en wordt in de heimelijkheid uitgeworpen, en dan blijft er ons niets dan zuiver voedsel van over. Op zo vreselijke wijze en wonderbaarlijk zijn wij gemaakt en worden wij bewaard, en onze ziel in het leven behouden. Het uitstotend vermogen is voor het lichaam even noodzakelijk als ieder ander vermogen, voor het ontlasten van hetgeen overtollig is, of schadelijk, zo gelukkig is de natuur in staat gesteld zich zelf te helpen, en voor haar welvaren te zorgen. Hierdoor is er niets, dat ontreinigt. Als wij met ongewassen handen eten, en op die wijze iets onreins met ons voedsel vermengd wordt, dan zal de natuur dit afscheiden, en het uitwerpen, en dan is het gene ontreiniging voor ons. Het kan ene daad van zindelijkheid wezen, maar gene gewetenszaak, om zich te wassen eer men aan tafel gaat, en wij dwalen, als wij daar Godsdienstige waarde aan hechten. Het is niet de handeling zelf, maar de mening, waarop zij berust, die door Christus wordt veroordeeld, alsof de spijze ons Gode aangenaam maakte, 1 Corinthiërs 8:8, daar toch het Christendom in de naleving van zulke voorschriften niet bestaat. In hoe groot gevaar wij verkeren van ontreinigd te worden door de dingen, die ten monde uitgaan, vers 18, uit den overvloed des harten, hoofdstuk 12:34. In de voortbrengselen van Gods milddadigheid is gene verontreiniging, maar wel in de voortbrengselen van ons bederf. Nu hebben wij hier: De verdorven fontein van hetgeen ten monde uitgaat, het komt voort uit het hart, de bron en oorsprong van alle zonde, Jeremia 8:7. Het is het hart, dat arglistig en boos is, Jeremia 17:9, want er is gene zonde in woord of daad, die niet eerst in het hart was, dat is de wortel der bitterheid, die gal en alsem draagt. Het is het binnenste van een zondaar, dat enkel verderving is, Psalm 5:10. Alle kwaadspreken komt voort uit het hart, en is ontreinigend, uit het verdorven hart komt het vuile spreken. Sommigen van de verdorvene stromen, die uit deze bron voortkomen, worden hier genoemd. Hoewel zij niet allen uit den mond voortkomen, komen zij toch allen voort uit den mens, en zij zijn de vruchten van die ongerechtigheid, die in het hart is, en aldaar gewerkt wordt, Psalm 58:3. Ten eerste, Boze bedenkingen, zonden tegen al de geboden. Daarom stelt David ijdele gedachten tegenover de ganse wet . Dezen zijn de eerstgeborenen van de verdorvene natuur, het beginsel harer macht, en gelijken haar het meest. Dezen, evenals de zoon en erfgenaam, wonen en verblijven in het huis. Er is zeer veel zonde, die begint en eindigt in het hart, en niet verder gaat. Vleselijke verbeeldingen zijn boze bedenkingen, boosheid in het uitdenken, boze complotten en raadslagen om anderen kwaad te doen, Micha 2:1.
Ten tweede, Doodslagen. Zonden tegen het zesde gebod. Dezen komen voort uit boosaardigheid in het hart tegen het leven van onzen broeder, of minachting er van. Vandaar dat hij, die zijn broeder haat, gezegd wordt een doodslager te zijn, voor Gods rechterstoel is hij het. 1 Johannes 3:15, Zijn hart is krijg. Psalm 55:22, Jakobus 4:1. Ten derde Overspelen en hoererijen, zonden tegen het zevende gebod. Dezen komen voort uit het wulps, onrein, vleselijk hart, en de lust, die er in heerst, is er ook in ontvangen, en baart deze zonden. Jakobus 1:15. Eerst is er overspel in het hart, en dan in de daad, Hoofdstuk 5:28. Ten vierde, Dieverijen. Zonden tegen het achtste gebod: bedriegerijen, onrecht, roverij, en alle schadelijke contracten. De fontein van dit alles is in het hart, dat is het, wat geoefend is in gierigheid, 1 Petrus 2:14, dat is het, hetwelk gezet is op rijkdom. Psalm 62:11. Achan kreeg lust, en nam, Jozua 7:20, 21. Ten vijfde. Valse getuigenissen, zonden tegen het negende gebod. Dit komt voort uit een mengsel van leugen en begeerlijkheid, of leugen en boosaardigheid in het hart. Indien waarheid, liefde en heiligheid, waaraan God lust heeft in ons binnenste, heersten, zoals zij behoorden te heersen, er zou geen vals getuigenis gegeven worden. Psalm 64:7, Jeremia 9:8. Ten zesde. Lasteringen, kwaad spreken van God, zonden tegen het derde gebod, kwaad spreken van den naaste, zonde tegen het negende gebod, dezen komen voort uit minachting van beiden in het hart, vandaar komt ook lastering tegen den Heiligen Geest, Hoofdstuk 12:31, 32. Dat is het overvloeien der gal in het binnenste. Dit nu zijn de dingen, die den mens ontreinigen, vers 20. Zonde verontreinigt de ziel, maakt haar onliefelijk en verfoeilijk in de ogen van den reinen en heiligen God, ongeschikt om gemeenschap met Hem te oefenen, en van Hem te genieten in het Nieuwe Jeruzalem, waarin niets inkomen zal, dat ontreinigt en gruwelijkheid doet. Het hart en het geweten worden ontreinigd door de zonde, en hierdoor worden ook alle andere dingen onrein, Titus 1:15. Deze ontreiniging door de zonde was aangeduid, door de ceremoniële ontreinigingen, waaraan de Joodse schriftgeleerden nog hebben toegedaan, maar die zij niet hebben begrepen. Hebreeën 9:13, 14, 1 Johannes 7. Dit nu zijn de dingen, die wij zorgvuldig hebben te mijden met alles wat daartoe nadert, maar aan het wassen der handen moet niet zoveel gewicht worden gehecht. Christus heft de wet nog niet op betreffende de onderscheiding der spijzen (dat geschiedde niet voor Handelingen 10), maar de inzetting der ouden, die aan deze wet was toegevoegd, wijst Hij af, en daarom komt Hij tot de gevolgtrekking: Het eten met ongewassen handen ontreinigt den mens niet. Indien hij zijne handen (en daarover liep het geschil) wast, is hij er voor God niet beter om, indien hij ze niet wast, is hij er niet slechter om.