Markus 8:22-26
Deze genezing wordt alleen door dezen evangelist verhaald, en er is iets bijzonders in de omstandigheden er van.
I. Een blinde wordt door zijne vrienden tot Christus gebracht met de bede, dat Hij hem zou aanraken, vers 22. Hier komt net geloof uit van hen, die hem brachten-zij twijfelden niet, of die ene aanraking van Christus' hand zou hem het gezicht wedergeven, maar de blinde zelf toonde niet die grote begeerte naar, of verwachting van, ene genezing, welke andere blinden wèl betoond hadden. Indien zij, die geestelijk blind zijn, niet bidden voor zich zelven, zo laat dan toch hun vrienden en betrekkingen voor hen bidden, dat het Christus moge behagen hen aan te raken.
II. Hier is Christus den blinde leidende, vers 23. Hij gebood zijnen vrienden niet hem te leiden, maar-en hieruit blijkt Zijn neerbuigende goedheid-Hij zelf nam hem bij de hand en leidde hem, om ons te leren te zijn wat Job geweest is: den blinde tot ogen, Job 29:15. Nooit had de blinde zulk een leidsman. Hij leidde hem buiten het vlek. Indien Hij daarmee slechts afzondering op het oog had, dan zou Hij hem in de binnenkamer van een huis hebben kunnen leiden om hem daar te genezen, maar Hij bedoelde dit als een verwijt voor Betsaïda wegens de krachten, die tevergeefs in haar geschied zijn, Mattheus 11:21, tevens te kennen gevende, dat die stad niet waardig was, dat nog meerdere wonderen binnen hare muren zouden plaatshebben. Het kan ook wezen, dat Christus den blinde buiten het vlek leidde om hem op het open veld een ruimer uitzicht te geven dan hij in de enge straten kon hebben, ten einde alzo zijn gezicht te beproeven.
III. Hier is de genezing van den blinde door dien gezegenden oogarts, die in de wereld is gekomen om den blinden het verkrijgen van het gezicht te prediken, Lukas 4:19, en om wat Hij predikte te geven. Bij deze genezing kunnen wij opmerken:
1. Dat Christus een teken gebruikte, Hij spoog in zijne ogen, en legde de handen op hem. Hij kon hem hebben genezen zoals Hij de anderen heeft genezen, door een woord te spreken, maar het behaagde Hem op die wijze het geloof van den blinde, dat zwak was' te ondersteunen en zijn ongeloof te hulp te komen. En dit speeksel betekende de ogenzalf, waarmee Christus de ogen zalft van hen, die geestelijk blind zijn, Openbaring 3:18.
2. Dat de genezing trapsgewijze plaatshad, hetgeen bij Christus' wonderen gewoonlijk niet voorkwam. Hij vroeg hem of hij iets zag, vers 23. Laat hem ter wille van de omstanders zeggen in welken toestand zijne ogen zijn. En hij, opziende, in zover had hij dus het gezicht reeds teruggekregen, dat hij zijne ogen kon openen-zei: Ik zie de mensen, want ik zie hen als bomen wandelen. Hij kon de mensen nog niet onderscheiden van de bomen, niet anders tenminste, dan in zover hij hen zag bewegen. Hij had ene flikkering van licht in zijne ogen, en tussen hem en de lucht kon hij een mens rechtop zien staan als een boom, maar den vorm of de gedaante er van kon hij niet onderscheiden, Job 4:16. Maar:
3. De genezing was weldra voltooid. Christus deed Zijn werk nooit ten halve, noch laat Hij er van af totdat Hij kan zeggen: Het is volbracht. Daarna legde Hij de handen wederom op zijne ogen, om de nog overgebleven duisternis te verdrijven, en toen zei Hij hem weer op te zien. En hij werd hersteld, en zag hen allen ver en klaar, vers 25. Christus heeft nu deze wijze van doen gevolgd: a. Omdat Hij zich aan generlei methode wilde binden, maar Zijne vrijheid van handelen wilde tonen in hetgeen Hij deed. Zo kan de Voorzienigheid hetzelfde doel door verschillende middelen bereiken, opdat de mensen een onbepaald geloof en vertrouwen zullen hebben in hare werkingen.
b. Omdat het voor den lijder moest wezen naar zijn geloof, en het geloof van dien man was wellicht in den beginne zeer zwak, en is later krachtiger geworden, en dienovereenkomstig was zijne genezing. Niet dat Christus altijd naar dien regel heeft gehandeld, maar aldus heeft Hij soms diegenen willen bestraffen, die twijfelende tot Hem gekomen zijn.
c. Aldus heeft Christus willen tonen hoe en op wat wijze diegenen door Zijne genade zijn genezen, die van nature geestelijk blind zijn. In het eerst is hun kennis verward, zij zien mensen als bomen wandelen, maar het is er mede als met het licht van den morgen, dat voortgaat, lichtende tot den vollen dag toe, Spreuken 4:18. Laat ons dus onderzoeken, of wij iets zien van de dingen, waarvan het geloof het wezen en het bewijs is, en als wij door genade daar iets van zien, dan kunnen wij hopen, dat wij er al meer en meer van zullen zien, want Jezus Christus zal in eeuwigheid volmaken hen, die geheiligd zijn.
IV. Het bevel door Christus gegeven aan den man, dien Hij had genezen, om het aan niemand in Bethsaïda te zeggen, ja hij moest niet eens in het vlek gaan, waar hij waarschijnlijk terug verwacht werd door hen, die gezien hadden dat Christus hem naar buiten geleid had, maar die, ooggetuigen geweest zijnde van zo vele wonderen, niet eens de nieuwsgierigheid gehad hebben om Hem te volgen. Zij, die aan Christus niet eens den eerbied betoonden om buiten de stad te gaan ten einde dit wonder te zien plaatshebben, zijn ook niet waardig te zien, dat de genezing gewerkt was. Christus verbiedt hem niet om het aan anderen te zeggen, maar hij moet het aan niemand in het vlek zeggen. Christus' gunsten gering te schatten is ze te verbeuren, en Christus zal hen de waarde hunner voorrechten doen beseffen door ze hen te doen ontberen, als zij ze niet op een andere wijze willen kennen. In den dag der genaderijke bezoeking wilde Bethsaïda niet bekennen hetgeen tot haren vrede diende, en nu is het verborgen voor hare ogen. Zij willen niet zien, en daarom zullen zij niet zien.