Johannes 9:39-41
Van troost gesproken hebbende tot den armen man, die vervolgd werd, spreekt Christus nu van overtuiging van zonde tot Zijne vervolgers, als ene proeve van de verdeling van beroering en rust op den groten dag, 2 Thessalonicenzen 1:6, 7. Waarschijnlijk heeft Hij die woorden niet gesproken onmiddellijk na Zijn onderhoud met den man, maar gebruikte Hij een volgende gelegenheid om het woord te richten tot de Farizeeën. Hier is:
I. Het bericht, dat Christus geeft van Zijn doel, waarmee Hij in de wereld is gekomen, vers 39:Ik ben tot een oordeel gekomen, om de grote zaken van het koninkrijk Gods onder de mensen te regelen en te besturen, en Ik ben daartoe met rechterlijke macht bekleed, ten einde alles ingevolge en in overeenstemming met den wijzen raad Gods ten uitvoer te brengen. Wat Christus sprak, sprak Hij niet als een prediker op den kansel, maar als een koning op den troon, en een rechter op den rechterstoel.
1. Zijn werk in deze wereld was groot. Hij kwam om rechtszitting te houden en een algemene loslating der gevangenen te bewerken. Hij kwam tot een oordeel, dat is:
a. Om ene leer en ene wet te prediken, die de mensen zouden toetsen, en hen voorgoed zouden schiften en van elkaar onderscheiden, en in alle opzichten geschikt zouden zijn tot een regel, waarnaar zij nu en binnen kort geoordeeld zullen worden.
b. Om een verschil te stellen tussen de mensen door de gedachten van veler hart te openbaren, en hun waar karakter bloot te leggen door dien enen toetssteen, of zij Hem wèl of slecht gezind waren.
c. Om den vorm van bestuur in Zijne kerk te veranderen, de Joodse bedeling op te heffen, het gebouw af te breken, hetwelk wel voor een tijd door de hand van God zelf was opgericht, maar in verloop van tijd verouderd was, en door het ongeneeslijke bederf van de bestuurders er van vermolmd en gevaarlijk was geworden, en een nieuw gebouw, naar een ander voorbeeld, op te richten, nieuwe verordeningen en ambten in te stellen, het Judaïsme op te heffen en het Christendom in te stellen, tot dit oordeel is Hij in de wereld gekomen, en het was een grote omwenteling.
2. Deze grote waarheid verklaart Hij door een zinnebeeld, ontleend aan het wonder, dat Hij kortelings gewrocht had. Opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien blind worden. Van zulk een verschil in Christus' komst wordt dikwijls gesproken, voor sommigen is Zijn Evangelie een reuke des levens ten leven, voor anderen een reuke des doods ten dode.
a. Dat is van toepassing op natiën: opdat de heidenen, die langen tijd ontbloot waren van het licht der Goddelijke openbaring, het mogen zien, en den Joden, die gedurende langen tijd in het genot er van zijn geweest, de dingen, die tot hun vrede dienen, verborgen zouden zijn voor hun ogen, Hosea 1:10, 2:22. De heidenen zien een groot licht, terwijl over Israël blindheid gekomen is en hun ogen verduisterd zijn.
b. Op bijzondere personen. Christus is in de wereld gekomen: a. Met het doel om aan hen, die geestelijk blind zijn, het gezicht te geven, opdat vele kostelijke zielen overgebracht zouden worden van de duisternis tot het licht. Hij kwam tot een oordeel, dat is: om diegenen uit hun duisteren kerker in vrijheid te stellen, die verlost wilden worden, Jesaja 61:1. b. Opdat die zien blind worden, opdat zij, die een hogen dunk hebben van hun wijsheid, en haar stellen tegenover de Goddelijke openbaring, in onwetendheid en ongeloof verzegeld zullen worden. De prediking van het kruis was voor hen, die door de wijsheid God niet kenden, dwaasheid, iets dat het oordeel verzwakt. Christus is in de wereld gekomen tot dit oordeel, om de zaken van een geestelijk koninkrijk in het hart der mensen te regelen. Terwijl in de Joodse kerk de zegeningen en oordelen van Gods regering meestal tijdelijk waren, zal de wijze van bestuur nu veranderd worden, en gelijk de goede onderdanen van Zijn koninkrijk gezegend zullen worden met geestelijke zegeningen in hemelse dingen, zoals zij voortkomen uit een rechte verlichting van den geest, zo zullen de rebellen gestraft worden met geestelijke plagen, geen oorlog, geen pestilentie, geen hongersnood, zoals vroeger, maar zulke als ontstaan uit een gerechtelijke verdwaasdheid en verblindheid, hardheid van hart, verschrikking der consciëntie, ene kracht der dwaling, oneerlijke bewegingen. Op die wijze zal Christus oordelen tussen klein vee en klein vee, Ezechiël 34:17, 22.
II. De Farizeeën maken hier vittende aanmerkingen op. Zij "waren bij Hem", niet begerig om iets goeds van Hem te leren, maar om kwaad tegen Hem te beramen, en zij zeiden: Zijn wij dan ook blind? Toen Christus zei, dat zij, die zien, door Zijne komst blind gemaakt zouden worden, begrepen zij, dat Hij hen bedoelde, die de zieners des volks waren en zich op hun verstand en doorzicht lieten voorstaan. "Wij weten", zeggen zij, "dat het gemene volk blind is, maar zijn wij ook blind? Wij? De rabbijnen, de leraren, de wetgeleerden, de gegradueerden, zijn wij ook blind?" Dit is scandalum magnatum, een smaden van de groten. Dikwijls gebeurt het, dat zij, die het meest bestraffing nodig hebben en verdienen, wel genoeg schranderheid hebben om een stilzwijgende bestraffing te begrijpen, maar niet genoeg genade om haar te kunnen dragen. Deze Farizeeën vatten die bestraffing op als een smaad, gelijk de wetgeleerden, Lukas 11:45. Zijn wij dan ook blind? Durft gij zeggen, dat wij blind zijn, wij, wier oordeel door ieder geëerbiedigd, gewaardeerd en gevolgd wordt?" Niets versterkt het verdorven hart des mensen meer tegen de overtuiging des woords dan de goede mening, die anderen van hen koesteren, alsof alles wat den lof en de goedkeuring der mensen heeft verkregen, ook door God aangenomen en goedgekeurd moet worden, terwijl toch niets meer vals en bedrieglijk is, want God ziet niet zoals de mens ziet.
III. Christus' antwoord op die aanmerking, dat, zo het hen al niet overtuigde, hen toch tot zwijgen bracht: Indien gij blind waart, zo zoudt gij gene zonde hebben, maar nu zegt gij: Wij zien, zo blijft dan uwe zonde. Zij roemden, dat zij niet blind waren, zoals het gemene volk, niet zo lichtgelovig en volgzaam als zij, maar dat zij uit eigen ogen wilden zien, gaven en bekwaamheden hebbende-naar zij tenminste dachten-om zich zelven te kunnen leiden en besturen, zodat zij daar niemand anders voor nodig hadden. Juist datgene, waarin zij roemden, zegt Christus hun, was hun schande en hun ondergang. Want:
1. Indien gij blind waart, zo zoudt gij gene zonde hebben.
a. "Indien gij wezenlijk onwetend waart, uwe zonde zou niet zo ontzettend verzwaard zijn, gij zoudt niet zoveel voor uwe verantwoording hebben, als gij nu hebt. Indien gij blind waart, zoals de arme heidenen en velen van uw arme onderdanen, van wie gij den sleutel der kennis hebt weggenomen, gij zoudt, vergelijkenderwijs gesproken, gene zonde hebben". De tijden der onwetendheid heeft God voorbijgezien, onoverkomelijke onwetendheid rechtvaardigt wel gene zonde, maar verontschuldigt haar, vermindert er de schuld van. Het zal draaglijker zijn voor hen, die omkomen uit gebrek aan gezicht, dan voor hen, die wederstrevers des lichts zijn.
b. "Indien gij u van uwe blindheid bewust waart geweest, indien gij, niets anders kunnende zien, uwe behoefte gezien had aan een leidsman, dan zoudt gij wel spoedig Christus daartoe hebben aangenomen en dan zoudt gij gene zonde gehad hebben, gij zoudt u onderworpen hebben aan een Evangelische gerechtigheid, en in een toestand gebracht zijn van gerechtvaardigd te wezen". Zij, die van hun ziekte overtuigd zijn, zijn goed op weg om genezen te worden, want er is geen groter hinderpaal voor de verlossing van zielen dan zelfgenoegzaamheid.
2. "Maar nu zegt gij: Wij zien, nu gij kennis hebt, in de wet zijt onderwezen, nu is uwe zonde verzwaard, en nu gij u beroemt op die kennis, en denkt uwen weg beter te zien, dan iemand hem u wijzen kan, zo blijft dan uwe zonde, uw toestand is verschrikkelijk en uwe ziekte ongeneeslijk". En gelijk zij het blindst zijn, die niet willen zien, zo is de blindheid van hen het gevaarlijkst, die zich inbeelden dat zij zien. Gene kranken zijn zo moeilijk te behandelen als zij, die in hun waanzin zeggen, dat zij wèl zijn, en dat hun niets scheelt. De zonde van hen, die verwaand zijn en vol van zelfvertrouwen, blijft, want zij verwerpen het Evangelie der genade, en daarom blijft de schuld hunner zonde onvergeven, en zij verbeuren den Geest der genade, en daarom blijft de macht hunner zonde onverbroken. Hebt gij een man gezien, die wijs in zijne ogen is? Hoort gij de Farizeeën zeggen: "Wij zien?" Van een zot is meer verwachting, van een tollenaar en ene hoer meer dan van dezulken.