Mattheus 14:1-12
Wij hebben hier de geschiedenis van Johannes' martelaarschap, waarbij valt te letten op:
I. De gelegenheid, waarbij dit hier verhaald wordt, vers 1 en 2. Hier is:
1. Het bericht, dat aan Herodes werd gebracht van de wonderen, gewrocht door Christus. Herodes, de viervorst, of opperbestuurder van Galilea, hoorde het gerucht van Jezus. In den tijd, toen Zijne landgenoten Hem gering schatten van wege het onaanzienlijke van Zijne omstandigheden, begon Hij vermaard te worden aan het hof. God zal hen eren, die om Zijnentwil veracht worden. En, evenals de zee, wint het Evangelie in de ene plaats wat het verliest in de andere plaats. Christus had nu meer dan twee jaren gepredikt en wonderen gedaan, toch schijnt het, dat Herodes tot nu toe niet van Hem had gehoord, en ook nu pas van Zijne vermaardheid hoorde. Het is het ongeluk van de groten dezer wereld, dat zij meestal buiten den weg zijn, om van de beste en heilzaamste dingen te horen, 1 Corinthiërs 2:8.
Welke niemand van de oversten dezer wereld gekend heeft, 1 Corinthiërs 1:26. Christus' discipelen waren nu uitgezonden om te prediken, en in Zijn naam wonderen te doen, en dit heeft Zijn roem meer dan ooit verbreid, hetgeen ene aanduiding was van de verbreiding des Evangelies door hen na Zijne hemelvaart.
2. De verklaring, die hij hiervan gaf, vers 2. Hij zei tot zijne knechten, die hem van den roem van Jezus verhaalden: Deze is Johannes de Doper, hij is opgewekt van de doden. Het zij nu, dat de zuurdesem van Herodes niet was Sadduceïsme, want de Sadduceeën zeggen, dat er gene opstanding is, Handelingen 23:8, of dat Herodes' schuldig geweten (gelijk dit gewoonlijk gaat met atheïsten) toen de bovenhand had op zijne meningen, thans komt hij tot de gevolgtrekking, -het zij er al of niet ene algemene opstanding is-dat Johannes de Doper voorzeker van de doden is opgestaan, en dat daarom die krachten in hem werken. Zolang Johannes leefde, heeft hij geen wonder gedaan, Johannes 10:4, maar Herodes komt tot de gevolgtrekking, dat hij, opgestaan zijnde van de doden, met groter macht bekleed is, dan toen hij nog leefde. En zeer terecht noemt hij de wonderen, die, naar hij veronderstelt, door hem gedaan worden, niet zijne krachten, maar krachten, die in hem werken. Ten opzichte van Herodes merken wij op: Dat hij teleurgesteld was in hetgeen hij bedoelde met Johannes te onthoofden. Hij dacht dat hij, zo die lastige mens maar eens uit den weg was geruimd, wel voort kon gaan met zijne zonden, ongestoord en onbelemmerd, maar niet zodra heeft hij die daad volbracht, of hij hoort, dat Jezus en Zijne discipelen dezelfde reine leer prediken, die Johannes gepredikt heeft, en wat meer is, zelfs de discipelen bevestigen die leer door de wonderen, die zij doen in den naam huns Meesters. Leraren kunnen tot zwijgen worden gebracht, zij kunnen in de gevangenis worden geworpen, verbannen of gedood worden, maar het woord Gods kan niet te niet worden gedaan. De profeten zullen niet in eeuwigheid leven, maar het woord houdt stand, Zacheria 1:5, 6, 2 Timotheus 2:9. Soms doet God vele getrouwe leraren voortkomen uit de as van een enkele. Die hoop, deze verwachting is er van Gods bomen, al zijn zij ook afgehouwen, Job 14:7-9. Dat hij vervuld was van ongegronde vrees, die slechts uit zijn eigen schuldig geweten voortkwam. Aldus roept het bloed, niet slechts van de aarde, waarop het was uitgestort, maar ook van het hart van hem, die het gestort heeft, en maakt hem Magor-missabib, een schrik rondom, een schrik voor hem zelven. Een schuldig geweten stelt zich allerlei vreselijks voor, en, gelijk een maalstroom, trekt het alles naar zich toe, wat in zijne nabijheid komt. Aldus vlieden de goddelozen daar geen vervolger is, Prediker 28:1, zij zijn met vervaardheid vervaard waar gene vreze is, Psalm 14:5. Door een weinig navragens zou Herodes bevonden hebben, dat deze Jezus bestond, lang voor dat Johannes de Doper ter dood was gebracht, en dat Hij dus niet Johannes redivivus- Johannes in het leven teruggekeerd-kon zijn, en aldus had hij zich zelf uit den droom kunnen helpen, maar God heeft hem rechtvaardiglijk in die dwaze inbeelding laten blijven. Dat hij desniettemin in zijne boosheid verhard bleef, want, hoewel hij er van overtuigd was, dat Johannes een profeet was, van God gezonden, toont hij niet het minste berouw van zijne zonde van hem ter dood te hebben gebracht. De duivelen geloven, en sidderen, maar nooit geloven zij en hebben berouw. Er kan wel de verschrikking wezen van een ontwaakt geweten, waar de waarheid niet is van ene zaligmakende bekering.
II. De geschiedenis zelf van de gevangenschap en den martelaarsdood van Johannes. Het buitengewone lijden van hem, die de eerste prediker was van het Evangelie, toont duidelijk, dat aan de belijders er van banden en beproevingen wachten. Gelijk de eerste Oud-Testamentische heilige, zo sterft ook de eerste Nieuw-Testamentische Evangeliedienaar als martelaar. En indien de voorloper van Christus op die wijze werd behandeld, dan moeten zijne volgelingen niet verwachten door de wereld gestreeld en gekoesterd te worden. Merk hier op:
1. Johannes' getrouwheid in het bestraffen van Herodes, vers 3, 4. Herodes behoorde tot de hoorders van Johannes, Markus 6:20, en daarom kon Johannes des te meer vrijmoedigheid bij hem gebruiken. Leraren, die naar hun ambt bestraffers moeten zijn, zijn zeer bijzonder verplicht hen te bestraffen, die onder hun toezicht staan, en de zonde in hen niet te verdragen. Zij hebben de beste gelegenheid, om hen te vermanen, en kunnen verwachten, dat, hun woord ingang bij hen zal vinden. De zonde, die hij in hem bestrafte, was, dat hij de vrouw van zijn broeder Filippus had gehuwd, niet zijne weduwe (dat zou gene misdaad zijn geweest) maar zijne vrouw. Filippus leefde nog, en Herodes had haar verleid om de zijne te wezen, en hij hield haar. Dit nu was een samenstel van boosheid en goddeloosheid, overspel, bloedschande, behalve nog het onrecht, Filippus aangedaan, die een kind had bij deze vrouw. En het was ene verzwaring van het onrecht, dat hij zijn broeder, zijn stiefbroeder was, de zoon zijns vaders. hoewel niet van zijne moeder. Psalm 50:20. Wegens deze zonde heeft Johannes hem bestraft, niet door stille of zijdelingse toespelingen, maar in duidelijke bewoordingen: Het is u niet geoorloofd haar te hebben. Hij houdt het hem voor als ene zonde, niet: Het is niet achtbaar, of Het is niet veilig, maar Het is u niet geoorloofd, het zondige der zonde, als overtreding van de wet, dat is er het ergste van. Dat was Herodes' ongerechtigheid, zijne boezemzonde, en daarom onderhoudt Johannes de Doper hem hier in het bijzonder over. Hetgeen door de wet Gods aan anderen verboden is, wordt door diezelfde wet ook aan vorsten en de aanzienlijksten der mensen verboden. Zij, die over mensen heersen, moeten niet vergeten, dat zij ook zelf slechts mensen zijn, en onderworpen aan God. Het is u niet geoorloofd, u evenmin als den minste uwer onderdanen, om eens anders vrouw te verleiden. Er is geen kroonrecht, neen, ook niet voor de grootste en eigenmachtigste koningen, om Gods wetten te overtreden. Indien vorsten en aanzienlijken de wet Gods overtreden, dan is het zeer betamelijk, dat zij door bevoegde personen op gepaste wijze hierover aangesproken worden. Daar zij niet boven de geboden van Gods woord staan, staan zij ook niet te hoog om door Gods dienstknechten bestraft te worden. Voorzeker past het niet om tot een koning te zeggen: Gij Belial, Job 34:18, evenmin als om tot een broeder te zeggen: Raca, of Gij dwaas. Het past niet hen te beschuldigen, zolang zij zich binnen de sfeer van hun eigen gezag houden. Maar wèl is het voegzaam, dat hun door hen, wier ambt dit meebrengt, gezegd wordt wat ongeoorloofd is, en dat wel met persoonlijke toepassing, Gij zijt die man, want daarop volgt, in vers, 19, dat God, van wie getrouwe leraren de gezanten zijn, het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent.
2. De gevangenschap van Johannes om zijne getrouwheid, vers 3. Herodes had Johannes gevangen genomen, toen hij heenging om te prediken en te dopen. Hij maakte een einde aan zijn werk, hij had hem gebonden, en in den kerker gezet, deels om zijne eigene wraaklust te bevredigen, en deels om Herodias te behagen, die nog het meest in woede tegen hem was ontstoken. Het was om harentwil, dat hij het deed. Getrouwe bestraffing zal, zo zij geen goeds werkt, gewoonlijk nog verbitteren. Zij zal dan opgenomen worden als ene belediging, en wie zich onder de bestraffing niet wil buigen, zal den bestraffer trotseren en hem haten, zo als Achab Micha heeft gehaat, 1 Koningen 22:8. Zie Prediker 9:8, 15:10, 12. De waarheid brengt haat teweeg. Het is voor Gods dienstknechten niets nieuws te lijden omdat zij wel doen. Verdrukking is het meest weggelegd voor hen, die het getrouwst en ijverigst hun' plicht vervullen, Handelingen 20:20, 23. Zo was het reeds met de profeten des Ouden-Testaments, 2 Kronieken 16:10, 24:20, 21. Sommigen der vrienden van Johannes hebben wellicht zijn gedrag afgekeurd als onbescheiden, toen hij Herodes bestrafte, en hem gezegd, dat hij beter deed te zwijgen, dan Herodes, wiens karakter zij kenden, te verbitteren, en er toe te brengen hem van zijne vrijheid te beroven. Maar weg met die bescheidenheid, die de mensen zou verhinderen hun plicht te doen als overheidspersonen, bedienaren van het Evangelie, of Christelijke vrienden! Ik geloof, dat Johannes' eigen hart hem er niet om veroordeeld heeft, maar dit getuigenis zijner consciëntie heeft hem zijne banden licht gemaakt, daar hij leed om goed doen, en niet als een, die zich met eens anders doen bemoeit, 1 Petrus 4:15.
3. Het beslag, dat op Herodes was gelegd, waardoor hem voor het ogenblik belet werd verder zijne woede aan Johannes te koelen, vers 5. Hij zou hem ter dood hebben gebracht. Wellicht was dat niet terstond zijne bedoeling geweest, toen hij hem in de gevangenis wierp, maar trapsgewijze heeft zijne zucht naar wraak die hoogte bereikt. De weg der zonde, inzonderheid de zonde der vervolging, loopt langs een hellend vlak, en heeft men den eerbied voor Christus' dienstknechten afgeschud in een geval, dan zal men er ten laatste ook toe komen om datgene te doen, waarvoor men vroeger teruggedeinsd zou zijn met de vraag: Ben ik dan een hond, dat ik mij aan zo iets zou schuldig maken? 2 Koningen 8:13. Hetgeen hem in den weg stond was zijne vrees voor het volk, omdat zij Johannes hielden voor een profeet. Het was niet, omdat hij God vreesde (indien hij de vreze Gods voor ogen had gehad, hij zou hem niet in de gevangenis hebben geworpen) en ook niet omdat hij Johannes vreesde, hoewel hij te voren wel achting en eerbied voor hem had, (zijne boze lusten hadden dien eerbied overwonnen) maar omdat hij het volk vreesde. Hij was bang voor zich zelven, voor zijne veiligheid, en de veiligheid zijner regering, want hij wist, dat zijn misbruik van het gezag hem reeds bij het volk gehaat had gemaakt, en hun toorn was reeds zo zeer tegen hem ontstoken, dat het terdoodbrengen van een profeet hen tot de uiterste woede had kunnen brengen. Tirannen hebben hun angsten. Zij, die de schrik der machtigen zijn, en er naar streven dit te zijn, zijn menigmaal de grootste schrik voor zich zelven, en als zij er het meest naar streven om door het volk gevreesd te worden, zijn zij zelf het meest bevreesd voor het volk. Slechte mensen worden alleen door hun werelds belang, en niet uit eerbied voor God, teruggehouden van de slechtste daden te doen. Bezorgdheid voor hun eigen gemak, aanzien, rijkdom en veiligheid hun heersend beginsel zijnde, zal, gelijk het hen van vele plichten afhoudt, ook van vele zonden terughouden, van welke zij anders niet teruggehouden zouden worden, en dit is een der middelen, dat de zondaren weerhoudt van al te goddeloos te zijn, Prediker 7:17. Het gevaar der zonde, dat alleen door de zinnen waargenomen wordt, of tot de verbeelding spreekt, heeft groter invloed op de mensen dan dat, hetwelk door het geloof bespeurd wordt. Herodes vreesde, dat de terdoodbrenging van Johannes ene muiterij onder het volk zou doen ontstaan, hetgeen niet geschied was, maar hij heeft nooit gevreesd ene muiterij in zijn eigen geweten te doen ontstaan, en die heeft wel plaats gehad, vers 2. De mensen vrezen gehangen te zullen worden voor ene daad, die hen niet doet vrezen er voor verdoemd te zullen worden. Op wat wijze het er toch toe kwam, dat Johannes ter dood gebracht werd. Langdurig was zijne gevangenschap, men berekent, dat hij anderhalf jaar in strenge opsluiting had doorgebracht, dus ongeveer evenveel tijd als hij in zijn openbaren predikdienst van zijn eerste optreden af had besteed. Nu hebben wij hier het bericht van zijne bevrijding door den dood, het einde van al de moeite en het verdriet eens Godvruchtigen, dat al de gevangenen samen brengt in rust, zodat zij de stem des drijvers niet horen, Job 3:18. Herodias maakte het complot. In hare wraakzucht dorstte zij naar het bloed van Johannes, en wilde zich met niets minder tevreden stellen. Sta vleselijke lusten tegen, en zij zullen zich in de meest barbaarse hartstochten verkeren. Het was ene vrouw, ene hoer en de moeder van hoererijen, die dronken was van het bloed der heiligen, Openbaring 17:5, 6. Herodias heeft het plan van den moord op Johannes zo listig en kunstig beraamd, dat het aanzien van Herodes er niet door leed, en het volk dus op die wijze werd tevreden gesteld. Ene zwakke verontschuldiging is beter dan gene verontschuldiging. Ik ben echter geneigd te denken, dat Herodes zelf in het complot was, en dat hij, met al zijn voorgeven van overrompeld te zijn en er bedroefd om te wezen, van de zaak op de hoogte was, en dus te voren wel wist wat gevraagd zou worden. En zijn beroep op zijn eed en den eerbied voor zijne gasten-het was alles geveinsdheid. Maar al was hij er ook toe verstrikt, moet hij toch, daar hij de zaak had kunnen voorkomen, maar dit niet gewild heeft, schuldig verklaard worden aan het gehele complot. Al is het ook Isebel, die Naboth van het leven berooft, is het toch Achab, als hij bezit neemt van den wijngaard, die gedood heeft. Zo ook hier: al is het Herodias, die het plan heeft beraamd om Johannes te onthoofden, toch is Herodes, die er in toestemt en er een welbehagen in heeft, niet slechts medeplichtig, maar de voornaamste moordenaar, de hoofdschuldige. Maar laat ons nu zien hoe het plan ten uitvoer werd gelegd. Aan Herodes werd genoegen bezorgd door den dans van het meisje op zijn geboortefeest. Het schijnt, dat dit feest met enige plechtigheid gevierd werd. Ter ere van dien dag moet er, als naar gewoonte, een hofbal plaats hebben, en om die plechtigheid te verhogen en er bevalligheid aan bij te zetten, voerde de dochter van Herodias een dans voor hen uit, waartoe zij zich, als de dochter der koningen, gewoonlijk niet verwaardigde. Tijden van vleselijke vrolijkheid en wereldse pret zijn zeer geschikt tot het ten uitvoer brengen van boze aanslagen tegen Gods volk. Toen de koning ziek gemaakt werd door verhitting van den wijn, strekte hij zijne hand voort met de spotters. Hosea 7:5, want het is een deel van het spel van den zot, schandelijkheid te doen. Prediker 10:23. Toen het hart der Filistijnen vrolijk was, riepen zij Simson om hem te bespotten. De Parijse algemene moord had plaats bij gelegenheid ener bruiloft. De dans van dit jonge meisje behaagde aan Herodes. Er wordt ons niet gezegd wie met haar danste, maar geen dans behaagde aan Herodes zoals de hare. Een ijdel en goddeloos hart schept behagen in de lusten van het vlees en der ogen, en dan valt men in nog verdere verzoeking, want dat is voor Satan de gelegenheid om zulke harten in bezit te nemen, Spreuken 23:31-33. Herodes was nu in een vrolijke stemming, en niets was hem aangenamer dan hetgeen zijne ijdelheid streelde. 2. De roekeloze en dwaze belofte, die Herodes aan dit ijdele, lichtzinnige meisje gedaan heeft, haar te geven wat zij ook vragen zou, en die belofte nog door een eed heeft bevestigd, vers 7. Het was wel ene buitensporige verplichting, die Herodes hier op zich nam, en die volstrekt niet betaamde aan een voorzichtig man, die vreest verstrikt te worden in de woorden zijns monds, Prediker 6:2, en nog veel minder aan een goed man, die den eed vreest, Prediker 9:2. Haar een wissel in blanco in handen te geven, en haar dien naar haar eigen zin en lust te laten invullen, was veel te groot ene beloning, voor zo armzalige verdienste, en ik ben geneigd te denken, dat Herodes zich wel niet aan zulk een ongerijmdheid zou hebben schuldig gemaakt, indien hij niet even goed als het dochtertje door Herodias ingelicht was. Zulke belovende eden zijn valstrikken, en als zij roekeloos en zonder nadenken gedaan worden, dan zijn zij het voortbrengsel van innerlijk bederf, en de aanleiding tot velerlei verzoekingen. Daarom zweer ganselijk niet, opdat gij niet zoudt behoeven te zeggen: dat het ene dwaling was. Prediker 5:5. De bloeddorstige eis, dien deze jonge maagd deed, het hoofd van Johannes den Doper, vers 8. Te voren was zij door hare moeder onderricht. Het is wel een zeer treurige toestand, waarin kinderen zich bevinden, wier ouders hun raadgevers zijn om goddelooslijk te handelen, zoals dit met Ahazia het geval was, 2 Kronieken 22:3, hen onderrichten in, en aanmoedigen tot, zonde, en hun een slecht voorbeeld geven, want de verdorvene natuur zal eerder opgewekt worden door slechte leringen, dan teruggehouden worden door goede leringen. Kinderen behoren hun ouders niet te gehoorzamen tegen den Heere, indien zij hun bevelen te zondigen, dan moeten zij, gelijk Levi, tot vader en moeder zeggen: Ik zie hen niet. Gemachtigd door Herodes en onderricht door Herodias, eist zij het hoofd van Johannes den Doper in een schotel. Wellicht heeft Herodias gevreesd, dat Herodes haar moede zou worden, en dat hij dan de bestraffing van Johannes den Doper als een voorwendsel zou aangrijpen om haar weg te zenden. Om dit te voorkomen wil zij Herodes verharden in de zonde door hem tot den moord op Johannes te doen besluiten. Johannes moet dus onthoofd worden, dat is de dood. door welken hij God moet verheerlijken. En daar hij nu het eerst op deze wijze stierf na het begin des Evangelies, wordt zij, hoewel de martelaren op zeer verschillende manieren ter dood zijn gebracht, en niet altijd op zo eervolle en gemakkelijke wijze, toch als type voor al de anderen genomen, Openbaring 20:4, waar wij lezen van de zielen, dergenen, die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus. Maar dit is nog niet genoeg, er moet niet slechts aan de wraak voldaan worden, maar ook grillen worden ingewilligd, het moet haar gegeven worden in een schotel, opgedaan in het bloed, als een vleesschotel op een feestmaal, het moet als nagerecht worden gegeven, waarop men zeldzame spijzen ronddient. Er moet geen gerechtelijk onderzoek plaats hebben, gene openbare rechtszitting, gene vormen van wet of gerechtigheid moeten plechtigheid bijzetten aan zijn dood, hij wordt, als in een adem verhoord, veroordeeld en terechtgesteld. Het was kostelijk voor hem, dat hij der wereld zo was afgestorven, dat de dood, hoe plotseling ook, hem niet kon overvallen. Het moet haar gegeven worden, en zij zal het ene beloning achten voor haar dansen, en niets meer begeren. Herodes' inwilliging van dien eis, vers 9.
De koning werd bedroefd, nam er ten minste den schijn van aan, doch om de eden, gebood hij, dat het haar zou gegeven worden. Hier is: Ene voorgewende droefheid om Johannes.
De koning was bedroefd. Menigeen zondigt met tegenzin, met spijt, die echter noch spijt, noch berouw heeft gehad van zijne zonde, het doet hem leed te zondigen, maar hij is toch volkomen vreemd aan droefheid naar God, hij zondigt met weerzin, maar blijft zondigen. Er is de mening geopperd dat een reden, waarom Herodes bedroefd was, hierin bestond, dat het zijn geboortefeest was, en het zou een slecht voorteken zijn om op dien dag bloed te vergieten, die, gelijk andere vreugdedagen, gekenmerkt placht te worden door daden van goedertierenheid. Wij vieren het geboortefeest, laat er geen twist of strijd zijn. Een voorgewend gewetensbezwaar om zijn eed, met ene schoonschijnende vertoning van eerlijk woord te willen houden. Hij moet iets doen om den wille van zijn eed. Het is ene grote dwaling te denken, dat een goddeloze eed ene goddeloze daad kan rechtvaardigen. Het lag er zo blijkbaar in opgesloten, dat hij alles voor haar wilde doen wat eerlijk en geoorloofd was, dat dit niet er bij gezegd behoefde te worden, en toen zij nu om iets vroeg, dat noch eerlijk, noch geoorloofd was, had hij behoren te zeggen, en dit zou hij eervol hebben kunnen zeggen, dat die eed van nul en gene waarde was, en de verplichting er van had opgehouden. Niemand kan zich de verplichting opleggen om te zondigen, daar God reeds aan een iegelijk de sterke verplichting heeft opgelegd, om tegen de zonde te strijden. Ene wezenlijke laaghartigheid in dit toegeven aan slechte metgezellen. Herodes gaf toe, niet zo zeer om den eed, maar omdat hij openlijk was gedaan, en uit beleefdheid jegens hen, die met hem aanzaten. Hij stond den eis toe, om voor hen den schijn niet te hebben van zijn eed te breken. Het punt van eer is voor sommige mensen van veel groter gewicht dan ene gewetenszaak. Zij, die met hem aanzaten, vonden waarschijnlijk even veel genoegen in den dans van het meisje als hij, en wensten dus, dat zij haar zin zou krijgen, en wellicht zagen zij het ook even zo gaarne als zij, dat Johannes de Doper onthoofd zou worden. Hoe dit zij, niemand hunner was eerlijk genoeg, om tussenbeide te treden, gelijk zij hadden behoren te doen, om het te beletten, zoals de vorsten van Jojakim deden, Jeremia 36:25. Indien enigen van het gemene volk daar geweest waren, zij zouden dezen Jonathan gered hebben, 1 Samuël 14:45. Op den bodem van deze concessie was ene wezenlijke boosaardigheid tegen Johannes, want anders zou hij uitvluchten genoeg gevonden hebben, om aan zijne belofte te ontkomen. Hoewel een goddeloos hart nooit om ene verontschuldiging verlegen is, is het toch waar dat een iegelijk wordt verzocht, als hij van zijne eigene begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt, Jakobus 1:14. Wellicht heeft Herodes weldra de gedachte bij zich voelen opkomen, dat zij ene zeer grote soms gelds van hem zou kunnen eisen, dat hij oneindig meer beminde dan hij Johannes den Doper beminde, en was hij dus blijde er zo goedkoop af te komen, waarom hij onmiddellijk bevel geeft Johannes den Doper te onthoofden, een mondeling, geen schriftelijk bevel, naar het schijnt. Van zo weinig belang werd dit kostbaar leven geacht.
Hij gebood, dat het haar gegeven zou worden. De terechtstelling van Johannes ingevolge deze volmacht, vers 10. Hij zond heen, en onthoofde Johannes in den kerker. Waarschijnlijk was de gevangenis zeer nabij, aan de poort van het paleis, derwaarts werd een beambte heengezonden, om dien edelen, Godvruchtigen man het hoofd af te houwen. Het moet in der haast geschieden, om Herodias te bevredigen, die zich in een ongeduldig verlangenden toestand bevond, totdat de daad volbracht was. Het geschiedde in den nacht, want het was omtrent den tijd van het avondmaal, waarschijnlijk na afloop daarvan. Het geschiedde in de gevangenis, niet op de gewone plaats der terechtstelling, uit vrees voor oproer. Zeer veel onschuldig bloed, bloed van martelaren, is aldus in duistere hoeken vergoten, hetwelk, als God komt om de bloedstortingen te zoeken, de aarde ontdekken, en niet langer bedekken zal, Jesaja 26:21, Psalm 9:13. Aldus werd die stem tot zwijgen gebracht, die brandende en lichtende kaars uitgeblust: aldus is deze profeet, deze Elia des Nieuwen Testaments, gevallen als een offer van den toorn ener heerszuchtige, overspelige vrouw. Aldus is hij, die in de ogen des Heeren groot was, gestorven als een dwaas, zijne handen waren gebonden, zijne voeten in boeien gedaan, en hij is gevallen gelijk men valt voor het aangezicht van de kinderen der verkeerdheid. Hij is gevallen als een waar martelaar in alle opzichten, gestorven, niet om de belijdenis van zijn geloof, maar wegens het volbrengen van zijn plicht. Evenwel, ofschoon zijn werk spoedig gedaan was-het was gedaan, en zijne getuigenis was geëindigd, want eerder wordt niemand van Gods getuigen gedood. En God heeft er dit goede uit doen voortkomen, dat hier door zijne discipelen, die, zolang hij leefde, zij het ook in de gevangenis, zich dicht bij hem hielden, zich na zijn dood van harte bij Jezus Christus hebben aangesloten. 5. De beschikking over de overblijfselen van dezen gezegenden heilige en martelaar, nadat het hoofd van het lichaam gescheiden was. In triomf bracht het dochtertje het hoofd aan hare moeder, als een trofee van de overwinning harer boosaardigheid en wraak, vers 11. Hiëronymus en Ruffinus verhalen, dat Herodias, toen haar het hoofd gebracht werd, zich het barbaarse vermaak gunde, om met ene naald in de tong te prikken, zoals Fulvia met die van Tullia gedaan heeft. Bloeddorstige harten scheppen vermaak in bloedige tonelen, waarvoor zij, die een teer gemoed bezitten, sidderend terugdeinzen. Soms heeft zich de ontembare woede van bloeddorstige vervolgers tot aan de dode lichamen der heiligen uitgestrekt, zodat zij er een spel mede dreven, Psalm 79, 2. Als de getuigen gedood worden, zullen zij, die op de aarde wonen, over hen verblijd zijn, en vreugde bedrijven, Openbaring 11:10. De discipelen begroeven het lichaam, en kwamen met tranen er het bericht van brengen aan Jezus. De discipelen van Johannes hadden dikwijls gevast terwijl hun meester in de gevangenis was, hun bruidegom was van hen weggenomen, en zij baden vurig om zijne bevrijding, zoals de gemeente voor Petrus' bevrijding gebeden heeft, Handelingen 12:5. Zij hadden vrijen toegang tot hem in de gevangenis, hetgeen hun ene vertroosting was, maar zij wensten hem in vrijheid te zien, opdat hij voor anderen zou kunnen prediken, doch nu was hun hoop plotseling verijdeld. Discipelen wenen en treuren als de wereld zich verblijdt. Laat ons zien wat zij deden. Zij begroeven het lichaam. Wij zijn eerbied verschuldigd aan de dienstknechten van Christus, niet slechts zo lang zij leven, maar ook aan hun lichaam en hun nagedachtenis, als zij gestorven zijn. Van de eerste twee Nieuw-Testamentische martelaren, wordt in het bijzonder vermeld, dat zij met betamelijkheid werden begraven, Johannes de Doper door zijne discipelen, en Stefanus door enige Godvruchtige mannen, Handelingen 8:2. Maar er was geen wegsluiten van hun gebeente, of andere overblijfselen, in ene relikwieënkast om er Godsdienstige eer aan te bewijzen, ene bijgelovigheid, welke lang daarna ontstond, toen de vijand onkruid had gezaaid. Dit al te veel in het bewijzen van eer aan het lichaam der heiligen, is een bederven van die ere. Hun dood lichaam moet niet gesmaad, maar ook evenmin vergood worden.
Zij gingen en boodschapten het Jezus, niet zo zeer opdat Hij nu voor Zijne eigene veiligheid zou zorgen-ongetwijfeld had Hij er reeds door anderen van gehoord, daar deze tijding door het gehele land had weerklonken-maar om troost van Hem te erlangen, en nu onder Zijne discipelen opgenomen te worden. Wanneer ons te eniger tijd leed wedervaart, dan is het onze plicht en ons voorrecht, om er Christus mede bekend te maken. Het zal ene verlichting wezen voor ons bezwaard gemoed, om ons hart uit te storten voor een' vriend, met wie we vertrouwelijken omgang hebben. Er is een bloedverwant of vriend gestorven, of onvriendelijk voor ons geworden, iets, dat ons lief en dierbaar was, hebben wij verloren, hetgeen ons leven veraangenaamd heeft, is nu ene verbittering van ons leven, ga heen en zeg het aan Jezus, die onze ziel in benauwdheden kent, maar toch wil, dat wij met die benauwdheden tot Hem zullen gaan. Wij moeten ook wèl toezien, opdat met onze leraren ook de Godsdienst en de belijdenis er van niet sterve. Toen Johannes dood was, zijn zijne discipelen niet een iegelijk tot het zijne teruggekeerd, neen, zij besloten er bij te blijven. Als de herders geslagen worden, behoeven de schapen, zo lang zij zich tot den groten Herder der schapen kunnen begeven, niet verstrooid te worden, Hebreeën 13:8, 20. Als de leraren worden weggenomen, moet ons dit dichter bij Christus brengen, in meer onmiddellijke gemeenschap met Hem doen komen. Liefelijkheden en vertroostingen des levens, anderszins hogelijk te waarderen, worden ons soms daarom ontnomen, omdat zij zich tussen ons en Christus stellen, en allicht de liefde en den eerbied voor zich nemen, die Hem alleen toekomen. Johannes had zijne discipelen reeds voor lang naar Christus verwezen, hen aan Hem overgedaan, maar zo lang hij leefde, konden zij hun ouden meester niet verlaten: daarom wordt hij nu weggenomen, opdat zij tot Jezus zouden gaan, op wie zij soms wel eens afgunstig zijn geweest om Johannes' wil. Het is beter om door gebrek en verlies tot Jezus getrokken te worden, dan in het geheel niet tot Hem te komen. Indien onze heren van ons hoofd worden weggenomen, dan is dit onze vertroosting, dat wij een Heere in den hemel hebben, die zelf ons Hoofd is. Josephus maakt melding van dit verhaal van den dood van Johannes den Doper , en hij voegt er bij, dat ene noodlottige vernieling van het leger van Herodes in zijn oorlog met Aretas, koning van Petrea (wiens dochter Herodes' echtgenote was, die hij had verstoten om plaats te maken voor Herodias) door de Joden algemeen voor een rechtvaardig oordeel over hem gehouden werd, vanwege zijne terdoodbrenging van Johannes den Doper. Daar Herodes op aansporing van Herodias den keizer had beledigd, werd hij van de regering ontzet, en zijn zij beiden naar Lyon in Frankrijk verbannen, hetgeen, zegt Josephus ene rechtvaardige straf over hem was, wijl hij aan hare wensen had toegegeven. Eindelijk: men verhaalt van deze dochter van Herodias, dat, toen zij op een winter over het ijs ging, het ijs brak, en zij in het water viel en er tot aan den hals in bleef, en de scherpe ijskant haar het hoofd afsneed. God eiste haar hoofd, voor dat van Johannes den Doper, hetgeen zo het waar is, wel ene opmerkelijke beschikking van Gods voorzienigheid was.