Prediker 10:1-3
In deze verzen toont Salomo
1. Hoe nodig het is voor de wijzen om wel toe te zien, dat zij zich aan generlei dwaasheid schuldig maken, want een kleine dwaasheid is een grote vlek voor hem, die in reputatie is voor wijsheid en eer, en is even schadelijk voor zijn goede naam als een dode vlieg voor een welriekende zalf, daar zij niet alleen de zoete geur ervan wegneemt, maar de zalf doet stinken. Ware wijsheid is ware eer, en zal iemand een reputatie doen verkrijgen, die als een fles met kostelijke, welriekende zalf is, aangenaam en van grote waarde. De reputatie, die met moeite en door zeer veel laksheid verkregen werd, kan gemakkelijk verloren gaan, door een weinig dwaasheid, omdat nijd zich hecht aan uitnemendheid, en de vergissingen en de misdragingen van hen, die beroemd zijn om hun wijsheid, in het schrilste licht stelt en er tot hun nadeel gebruik van maakt, zodat de dwaasheid, die in een ander niet opgemerkt zou worden, in hen zeer streng wordt gehekeld. Zij, die met nadruk belijdenis doen van de godsdienst, hebben het nodig om met grote omzichtigheid te wandelen en alle schijn des kwaads te mijden en alle naderen er toe, omdat vele ogen op hen gericht zijn om hun hinken te zien, hun karakter wordt spoedig bezoedeld, zij hebben een zeer goede neem te verliezen.
2. Hoeveel voordeel een wijs man heeft boven een dwaas in het bestuur van zaken, vers 2. Het hart des wijzen is aan zijn rechterhand zodat hij met handigheid zijn zaken doet, er zijn hand gemakkelijk toe richt, en er vlug doorheen komt, zijn raad en zijn moed blijven hem bij, zijn hem ten dienste wanneer hij ze ook nodig heeft. Maar het hart van een dwaas is aan zijn linkerhand, het is nooit bij de hand moet altijd gezocht worden als hij iets van belang te doen heeft, en daarom gaat hij er links bij te werk, zoals iemand, die links is, spoedig staat hij verlegen en weet niet wat te doen
3. Hoe geneigd dwazen zijn om bij iedere gelegenheid hun eigen dwaasheid bekend te maken en zich bloot te geven, hij, die of zonder verstand, of zonder genade is, dom of goddeloos is, zal, als hij maar even onder de teugel vandaan is en aan zichzelf is overgelaten en dan maar op de weg wandelt, zeer spoedig tonen wat hij is, zijn hart, zijn wijsheid, ontbreekt hem, en door de ene of andere ongepastheid zegt hij tot een iegelijk, die hij ontmoet dat hij een dwaas is, vers 3, hij toont het zo duidelijk, dat het is alsof hij het hun zei. Hij kan het niet verbergen, en hij schaamt er zich niet voor. Zonde is de smaad en schande van de zondaren, waar zij ook heengaan.