17. Er is niemand op aarde, die niet dagelijks veel zondigt; want zij zijn allen in zonde ontvangen en geboren en het gedichtsel van de gedachten huns harten is alleenlijk boos van hun jeugd aan; des te zekerder dit waar is, des te meer wacht u; en wees niet al te goddeloos, 1) laat u uwe aangeboren zwakheid niet verlokken, de grenzen tussen enen armen zondaar, die toch in de vreze Gods wandelt, en enen openbaren goddeloze te overschrijden (
Psalm 1:1 1:1); wacht u voor de paden des inbrekers, of des misdadigers (
Psalm 17:4); noch wees al te dwaas, gelijk zij, die niets van God willen weten, waarom zoudt gij u zelven Gods oordeel op den hals halen en een spoedigen dood sterven buiten uwen tijd, vóór den u door God gestelden tijd (
Spreuken 10:27.
Psalm 55:4.
Job 15:22)?
1) Hoe is dit te verklaren? Alle zonde of goddeloosheid is toch kwaad in de ogen Gods. En daarom is ook deze vermaning niet op te vatten ten opzichte van wat wij gewoon zijn zonde of goddeloosheid te noemen. Goddelozen en dwazen worden hier in één adem genoemd en in verband gebracht met een sterven vóór zijn tijd, d.w.z. in de kracht des levens, of in den jeugdigen leeftijd. Ongetwijfeld heeft de Prediker het oog op den jongeling en op de jeugd. Als hij straks zegt, om de jeugd te genieten, en zich te verblijden in de dagen zijner jongelingschap, maar niet te vergeten, dat God eenmaal de vierschaar spant, zo wil hij ook in beginsel hier niets anders zeggen. Al te goddeloos en dwaas is dan hetzelfde als, al te veel genietende van het leven, van het jeugdig leven inzonderheid, waardoor de frisse kracht geknakt wordt en men oud is en gebroken vóór zijn tijd. De Prediker is niet iemand, die van een jongeling eist, wat van de ouden van dagen verwacht kan worden, maar hij wil het ook niet laten ontbreken aan waarschuwingen, om in dezen den goddelozen weg te bewandelen, en aan vermaningen om ook in de jeugd, in de vreze Gods te wandelen. Het is daarom, dat Hij ook in Vers 18 zegt: want die God vreest, die ontgaat het al. Die rekent ten allen tijde met de wille Gods, ja met God zelven.