14. De dwaas maakt wel vele woorden, daar toch zijne woorden, die van zijn onverstand (
vers 13) getuigen, weinigen moeten zijn. Bovendien spreekt hij het liefst over die dingen, welke hij in het geheel niet weten en beoordelen kan, namelijk over de duistere toekomst; maar hoe zou hij de toekomst kennen; want toch de mens op zich zelf weet reeds niet, wat het zij, dat geschieden zal; en een voorspeller van de toekomst is er evenmin; want wat na hem geschieden zal, wie onder de mensen zal het hem te kennen geven (
Prediker 6:12)? 1)
1) De ongerijmdheden van den veelprater worden bevestigd door algemene onwetendheid en menselijke onmacht, welke echter voornamelijk heersende, is bij de onkundige dwazen.
Duidelijk gispt hier de Prediker het spreken over dingen, waarvan men niets weet met zekerheid, en vooral het spreken van den dwaze daarover, van den onwetende. Deze wil liefst voor een alleswetende doorgaan, terwijl hij toch in den grond der zaak niets weet.