1 Samuël 18:6-11
Nu beginnen Davids moeilijkheden, zij volgen niet slechts terstond op zijn triomfen, maar ontstaan er uit, zodanig is de ijdelheid van hetgeen in deze wereld het grootst schijnt.
I. Hij werd door het gewone volk al te zeer verheerlijkt. Enigen tijd na de overwinning deed Saul een triomftocht door de steden Israëls, die het dichtst in zijn nabijheid waren, om de gelukwensen van het land in ontvangst te nemen. En als hij zijn openbaren intocht hield in een plaats, dan waren de vrouwen het ijverigst om hem eer te bewijzen, zoals het toen de gewoonte was bij openbare triomftochten, vers 6, en het schijnt dat zij bij hun dans een lied zongen, vervaardigd door de een of anderen dichter, die een groot bewonderaar was van Davids dapperheid, en meer rechtvaardig dan verstandig was, door zijn daden in de laatsten krijg te verheffen boven die van Saul, waarvan het refrein was: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden. Een verschil als dit werd door Mozes gemaakt in de getallen van Efraïm en Manasse, Deuteronomium 33:17.
II. Dit heeft Saul grotelijks mishaagd, en maakte hem afgunstig op David, vers 8, 9. Hij had moeten bedenken dat zij alleen op de laatste krijgsverrichting doelden, maar volstrekt niet bedoelden Sauls vroegere wapenfeiten te verkleinen, en dat het onbetwistbaar was, dat David in het gevecht, dat zij nu bezongen werkelijk, door Goliath te doden, al de Filistijnen gedood heeft, die op die dag zijn omgekomen, en het gehele leger verslagen heeft, zodat zij aan David slechts gaven wat hem toekwam. Het kan wezen dat hij, die het lied gedicht heeft, zich een dichterlijke vrijheid heeft veroorloofd, maar geen hatelijke vergelijking tussen Saul en David bedoeld heeft, of, zo hij het wel bedoelde, dan was het toch beneden de waardigheid van een groot vorst om notitie te nemen van zo'n blaam, geworpen op zijn persoonlijke eer, als het toch bleek dat de eer van het algemeen oprecht bedoeld was. Maar Saul was zeer vertoornd, en vermoedde dadelijk dat er verraderlijke bedoelingen achter staken: Voorzeker zal nog het koninkrijk voor hem zijn. Dit maakte dat hij het oog op hem had, als iemand op wie hij naijverig was, en tegen wie hij iets zocht, vers 9 , zijn aangezicht was niet meer voor hem zoals het geweest was. Hoogmoedige mensen kunnen het niet verdragen, dat iemand anders dan zijzelf geprezen zal worden, en zij denken dat alle eer verloren is, die langs hen heengaat. Het is een teken, dat de Geest Gods van de mensen geweken is, als zij gemelijk worden in hun toorn over beledigingen, achterdochtig en afgunstig van allen, die hen omringen, kwaadwillig in hun gedrag, want de wijsheid, die van boven is, maakt hen geheel anders.
III. In zijn woede wilde hij David doden vers 10, 11. Jaloersheid is een grimmigheid des mans, zij maakte Saul woedend op David, en ongeduldig om hem uit de weg te ruimen.
1. Zijn aanvallen van razernij keerden terug. Reeds de volgenden dag nadat hij wrok tegen David begon te koesteren, heeft de boze geest van God, die hem tevoren bezeten had, zich weer van hem meester gemaakt. Zij, die zich toegeven in nijd en liefdeloosheid, geven de duivel plaats, en bereiden zich voor het terugkeren van de onreinen geest met zeven anderen, die nog bozer zijn dan hij. Waar nijd is, daar is verwarring. Saul wendde voor in Godsdienstige vervoering te zijn hij profeteerde midden in het huis, dat is: hij nam de manier en houding aan van een profeet, ten einde David in een valstrik te lokken, hem niet op zijn hoede te doen zijn, met het voornemen misschien om, zo het hem gelukte hem te doden, zijn daad aan een Goddelijke aandrift toe te schrijven, haar op rekening te stellen van de geest van de profetie, waardoor hij bezield scheen, maar in werkelijkheid was het een helse woede, die hem dreef. 2. Hoewel David nu tot een veel hoger eerambt was bevorderd, heeft hij het toch niet versmaad, om ten diepste zijns meesters tot zijn harp weer te keren, hij speelde op snarenspel met zijn hand als van dag tot dag. Laat de hoogsten niet denken dat er iets beneden hen is, waarmee zij goed kunnen doen, en hun van dienst kunnen wezen, aan wie zij verplichting hebben.
3. Hij nam deze gelegenheid waar om op Davids leven toe te leggen. Een zwaard in de hand eens waanzinnigen is een gevaarlijk ding, inzonderheid in de hand van zo'n waanzinnige als Saul was, die waanzinnig was van kwaadaardigheid. Maar hij had een schicht of werpspies in zijn hand, waarmee hij poogde David te doden, niet in plotseling opkomende drift, maar met voorbedachten rade: ik zal David aan de wand spitten, met zo'n ontzettende kracht heeft hij haar geworpen. Terecht klaagt David van zijn vijanden, dat zij hem haatten met een wreveliger haat, Psalm 25:19.
Geen leven wordt te kostbaar geacht om aan kwaadaardigheid te worden opgeofferd. Indien een dankbare bewustheid van de groten dienst, die David had bewezen aan het land, Sauls woede niet tot bedaren kon brengen, dan zou men toch denken dat hij de vriendelijkheid moest in aanmerking nemen, die David hem nu persoonlijk bewees, hem verlichting gevende zoals niemand anders het kon, van de ergste van alle kwalen. Diegenen zijn waarlijk door een duivelsen geest bezeten, die goed met kwaad vergelden.
Vergelijk David met zijn harp in zijn hand pogende Saul te dienen, met Saul met zijn werpspies in zijn hand pogende David te doden, en zie de lieflijkheid en nuttigheid voor anderen van Gods vervolgd volk, en de woestheid en wreedheid van hun vervolgers.
"Bloedgierige lieden haten de vrome, maar de oprechten zoeken zijn ziel", Spreuken 29:10.
4. Tweemaal is David gelukkig aan de slag ontkomen, namelijk nu en later, Hoofdstuk 19:10. Hij heeft de spies niet op Saul teruggeworpen, hij trok zich terug, niet vechtende, maar vluchtende tot zijn eigen behoud. Hoewel hij kracht en moed genoeg had, en ook wel schijn van recht om weerstand te bieden en de belediging te wreken, heeft hij toch niets meer gedaan dan zich te beveiligen door het gevaar uit de weg te gaan. David hield ongetwijfeld een waakzaam oog op Sauls hand gericht, en op de werpspies, die er in was, en hij was even kloekmoedig in haar te ontvlieden, als hij geweest is toen hij Goliath tegemoet trad. Toch moet zijn veiligheid toegeschreven worden aan het waakzaam oog van God op hem, die Zijn dienstknecht redde van het verderflijk zwaard, en in zijn ternauwernood ontkomen bleek dat hij voor iets buitengewoons bestemd was.