Job 15:1-16
Elifaz valt Job hier heftig aan, omdat die wat hij en zijn medegenoten hadden gezegd, heeft tegengesproken en er niet mee heeft ingestemd, zoals zij hadden verwacht. Hoogmoedige mensen zijn licht geneigd om het zeer kwalijk te nemen als het hun niet wordt toegelaten om aan iedereen de wet voor te schrijven, en diegenen te bestraffen als onwetend en halsstarrig en alles wat verkeerd is, die niet met alles wat zij zeggen kunnen instemmen.
Elifaz beschuldigt hier Job van verscheidene grote misdaden, alleen omdat hij niet wilde bekennen een huichelaar te zijn.
I. Hij beschuldigt hem van dwaasheid en ongerijmdheid, vers 2, 3. Hij, die vermaard was om zijn wijsheid, had nu zijn roem als zodanig geheel verbeurd, iedereen zou zeggen dat zijn wijsheid van hem geweken was, zo buitensporig was zijn spreken en zo weinig ter zake. Bildad is hiermede begonnen, Hoofdst. 8:2, en Zofar, Hoofdst. 11:2, 3. Het is het gewone doen van toornige twistredenaars om aldus elkanders redeneringen als ijdel, onhoudbaar en bespottelijk voor te stellen, meer dan er reden voor is, het oordeel vergetende, dat hem treft, die zijn broeder Raka noemt, en Gij dwaas. Het is waar:
1. Dat er in de wereld zeer veel ijdele kennis is, wetenschap, die valselijk aldus wordt genoemd, nutteloos en dus waardeloos is.
2. Dat dit de kennis is, die opgeblazen maakt en waarop de mensen zich in hun dwaze eigenwaan verheffen.
3. Dat, welke ijdele kennis iemand ook in zijn hoofd moge hebben, zo hij voor een wijs man gehouden wil worden, moet hij haar niet uiten, maar haar met zich laten sterven, zoals zij verdient.
4. Dat onnut spreken slecht spreken is. Wij zullen in de grote dag rekenschap hebben te geven, niet alleen van boze woorden, maar ook van ijdele woorden. Redenen dus, die geen goed doen, van geen dienst zijn aan God of onze naaste, of geen recht doen aan onszelf, moesten liever onuitgesproken worden gelaten. Het zou zeer verkeerd zijn om onszelf of anderen te vullen met woorden, die als wind zijn, licht en ledig, inzonderheid dezulken, die als de oostenwind schadelijk en verderflijk zijn, want er zal een zware rekenschap van gevorderd worden.
5. Dat ijdele kennis en onnut spreken bestraft en tegengegaan moet worden, inzonderheid in een wijs man, aan wie zij het minst betamen en die er door het slechte voorbeeld, dat hij geeft, het meeste kwaad mee doet.
II. Hij beschuldigt hem van goddeloosheid, vers 4. "Gij vernietigt de vreze", dat is: "de vreze Gods en de eerbied, die gij voor Hem behoordet te koesteren, en zo "neemt gij het gebed weg." Zie hier waarin de Godsdienst bestaat-God te vrezen en tot Hem te bidden, het eerste is het noodzakelijkste beginsel, het laatste de noodzakelijkste praktijk. Waar geen vreze Gods is, kan geen goeds verwacht worden, en zij, die leven zonder gebed leven gewis zonder God in de wereld. Zij, die het gebed wegnemen, bewijzen dat zij de vreze Gods van zich afwerpen. Diegenen hebben gewis geen eerbied voor Gods majesteit, geen vreze voor Zijn toorn, zijn niet in zorg voor hun ziel, bekommeren zich niet om de eeuwigheid, die zich niet tot God wenden om genade van Hem te verkrijgen. Zij, die leven zonder gebed, leven zonder vreze en zonder genade. Als de vreze Gods afgeworpen is, wordt alle zonde binnengelaten, is de deur opengezet voor allerlei goddeloosheid. Het staat inzonderheid slecht met hen, die enige vreze Gods gehad hebben, maar haar hebben laten varen, dikwijls hebben gebeden, maar nu het gebed voor Gods aangezicht wegnemen. Hoe zijn zij gevallen! Hoe hebben zij hun eerste liefde verlaten! Het geeft een soort van geweld te kennen, dat zij zichzelf hebben moeten aandoen. De vreze Gods zou hun bijgebleven zijn, maar zij werpen haar af, het gebed zou gesproken zijn, maar zij weerhouden het, nemen het weg, en hiermede doen zij hun eigen overtuiging geweld aan. Zij, die of het gebed nalaten, of er zich in hinderen en er zich zonder noodzaak in bekorten, aldus de geest van de aanneming uitblussen en zich de vrijheid ontzeggen, die zij in die plicht konden hebben, nemen het gebed weg. Dit is slecht genoeg, maar nog slechter is het om van anderen het gebed weg te nemen, het gebed te verbieden en tegen te werken, zoals Darius, Daniël 6:8.
Nu beschuldigt Elifaz Job hiervan, hetzij:
1. Als van hetgeen hij zelf deed. Hij dacht dat Job van God sprak met een gemeenzaamheid, alsof hij dacht dat Hij zijn gelijke was en Hem met zoveel heftigheid beschuldigde van hard met hem te handelen, en Hem zo dikwijls uitdaagde om een billijk onderzoek bij hem in te stellen, dat hij alle Godsdienstige eerbied voor Hem scheen afgelegd te hebben. Die beschuldiging was ten enenmale vals, maar toch niet zonder enige schijn van grond. Wij behoren niet slechts zorg te dragen om het gebed en de vreze Gods te onderhouden, maar ook om ons nooit uitdrukkingen te laten ontglippen, welke aan hen, die gelegenheid tegen ons zoeken, aanleiding zouden kunnen geven om onze oprechtheid en standvastigheid in de Godsdienst in twijfel te trekken. Of:
2. Als hetgeen anderen zouden kunnen afleiden uit de leer, die hij voorstond. "Indien het waar is", denkt Elifaz, "wat Job zegt, dat een mens aldus zwaar beproefd kan zijn terwijl hij toch Godvruchtig is, vaarwel dan aan alle Godsdienst, vaarwel aan het gebed en de vreze Gods. Indien alles gelijkelijk wedervaart aan allen en de beste mensen de slechtste behandeling kunnen ondervinden in deze wereld, dan zal iedereen bereid zijn te zeggen: "Het is tevergeefs God te dienen, want wat nuttigheid is het, dat wij Zijn wacht waarnemen?" Maleachi 3:14. "immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd en mijn handen in onschuld gewassen dewijl ik de gehele dag geplaagd ben," Psalm 73:13, 14. Wie zal eerlijk wezen als de tenten van de verwoesters rust hebben? Hoofdst. 12:6. Indien er geen vergeving is bij God, Hoofdst. 7:21, wie zal Hem dan vrezen, Psalm 130:4. Indien Hij de verzoeking van de onschuldigen bespot, Hoofdst. 9:23, als Hij zo moeilijk te naderen is, Hoofdst. 9:32, wie zal dan tot Hem bidden?" Het is een onrecht, waaraan zelfs wijze en goede mannen zich maar al te dikwijls in de warmte van hun twistredenen schuldig maken, om hun tegenstanders verantwoordelijk te stellen voor de gevolgen die zij ten onrechte uit hun denkbeelden hebben afgeleid, en die deze in werkelijkheid verafschuwen. Dit is niet: te doen aan anderen zoals wij wensen dat ons gedaan zal worden.
Op deze gewrongen redenering grondt Elifaz nu zijn zware beschuldiging van goddeloosheid, vers 5. Uw mond leert uw ongerechtigheid. "Gij leert anderen dezelfde harde gedachten te hebben van God en de Godsdienst, die gij zelf hebt." Het is slecht om zelfs een van de minste geboden te ontbinden, maar slechter nog om de mensen alzo te leren, Mattheus 5:19. Als wij ooit een boze gedachte hebben, zo laat ons onze hand op onze mond leggen om die boze gedachte te onderdrukken, Spreuken 30:32, en haar volstrekt niet uiten, want dat is een "imprimatur" er op te zetten, haar met onze toestemming bekend te maken tot oneer van God en tot schade van anderen.
Merk op: Als de mensen de vreze Gods hebben afgeworpen en het gebed hebben weggeworpen, dan spreekt hun mond ongerechtigheid. Zij, die ophouden goed te doen, leren spoedig kwaad te doen. Wat kunnen wij anders dan allerlei ongerechtigheid verwachten van hen, die er zich niet tegen wapenen met de genade Gods? Maar gij hebt de tong van de arglistigen verkoren, dat is: "Gij uit uw ongerechtigheid met een vertoon van vroomheid, enige goede woorden mengende onder de slechte, zoals kooplieden doen met hun waren om ze aan de man te brengen." De mond van de ongerechtigheid zou zonder de tong van de arglistigen zoveel kwaad niet kunnen doen als zij doet. De slang verleidde Eva door schoonspreken, Romeinen 16:18. De tong van de arglistigen spreekt met slim overleg, en daarom kunnen zij, die haar gebruiken gezegd worden haar verkoren te hebben, als die hen beter hun doel zal doen bereiken dan de tong van de oprechten, maar in het eind zal eerlijkheid bevonden worden het wijste te zijn.
In zijn eerste rede had Elifaz tegen Job gesproken naar blote gissing, naar een bloot vermoeden, Hoofdst. 4:6, 7, maar nu heeft hij bewijzen tegen hem uit hetgeen hijzelf gesproken heeft, vers 6 :uw mond verdoemt u, en niet ik. Maar hij had in aanmerking moeten nemen dat hij en zijn medegenoten hem geprikkeld hadden om te zeggen hetgeen, waarvan zij nu gebruik maakten tegen hem, en dat was niet billijk. Diegenen zijn het krachtigst veroordeeld die reeds door zichzelf veroordeeld zijn, Titus 3:11, Lukas 19:22. Menigeen heeft niet anders nodig om hem in de grond te helpen, dan dat zijn eigen tong hem doet aanstoten
III. Hij beschuldigt hem van ondraaglijke laatdunkendheid en eigenwaan. Het was een rechtmatig, redelijk en bescheiden woord, dat Job gezegd heeft, Hoofdst. 12:3, ik heb ook een hart zoals gijlieden, maar zie nu hoe zij gelegenheid tegen hem zoeken, want dat wordt nu voorgesteld alsof hij voorgaf wijzer te zijn dan ieder ander. Omdat hij niet wil toegeven dat zij het monopolie van de wijsheid hebben, laten zij het voorkomen, alsof hij het voor zichzelf opeist, vers 7-9. Alsof hij dacht dat hij alle mensen overtrof:
1. In langdurigheid van bekendheid met de wereld, waardoor de mensen zoveel ervaring opdoen: zijt gij de eerste een mens geboren, en bijgevolg ouder dan wij en beter instaat om de zin van de oudheid weer te geven en het oordeel van de eerste, de wijste en zuiverste tijden? Waart gij voor Adam?" (zo kan de volzin gelezen worden). "Heeft hij niet geleden wegens zonde, en zult gij, die zo groot een lijder zijt, dan niet erkennen een zondaar te zijn? "Zijt gij, gelijk de Wijsheid zelf, voor de heuvelen voortgebracht?" Spreuken 8:23 en verv. Moet Gods raad, die als de bergen is, onverzettelijk als de eeuwige heuvelen, onderworpen zijn aan uw begrippen en er voor buigen? Weet gij meer van de wereld dan iemand onzer? Neen, gij zijt evenals wij, slechts van gisteren, Hoofdst. 8:9. Of:
2. In gemeenzame bekendheid met God, vers 8.
a. Hebt gij de verborgen raad Gods gehoord? Pretendeert gij tot de kabinetsraad des hemels te behoren, zodat gij betere redenen voor Gods handelingen kunt geven dan anderen? Er zijn verborgenheden Gods, die niet voor ons zijn en waaraan wij dus geen verklaring moeten willen geven, die dit doen, maken zich schuldig aan vermetele aanmatiging. Hij stelt hem ook voor als aanspraak makende op een kennis, zoals niemand anders ze had: "Hebt gij de wijsheid naar u getrokken, alsof niemand anders dan gij wijsheid bezat?" Job had gezegd, Hoofdst. 13:2. Gelijk gijlieden het weet weet ik het ook, en nu geven zij hem, naar de gewoonte van vurige twistredenaars, die wanen het voorrecht te hebben om zichzelf te mogen prijzen, het wederantwoord: Wat weet gij dat wij niet weten? Hoe natuurlijk zijn zulke antwoorden in het vuur van de twistrede! Maar hoe onnozel zijn zij bij nadere beschouwing!
b. Als zich stellende tegen de stroom van de oudheid, een eerwaardige naam, onder welks schaduw alle twistende partijen zich zoeken te beschutten. "Onder ons is ook een grijze, ja een stokoude, vers 10. Wij hebben de vaderen aan onze zijde, al de leraren van de kerk zijn vanouds her van ons gevoelen geweest." Iets, dat spoedig gezegd maar niet zo spoedig bewezen is, en als het bewezen is, is daarom de waarheid nog niet zo spoedig er door ontdekt en bewezen als de meeste mensen denken. David gaf de voorkeur aan rechte Schriftkennis boven de kennis van de oudheid, Psalm 119:100. "Ik versta meer dan de ouden, omdat ik Uwe bevelen bewaard heb." Of misschien was een of meer, indien niet alle drie van deze vrienden van Job ouder dan hij, Hoofdst. 32:6, weshalve zij dachten dat hij gehouden en verplicht was te erkennen dat zij gelijk hadden. Ook dit is iets, waarvan twistredenaars veel ophef maken, maar waarmee zij niets bewijzen en de zaak niet verder brengen. Als zij ouder zijn dan hun tegenstanders, en zeggen kunnen: "dit of dat heb ik geweten vóór gij waart geboren," dan zal dit dienen om hen aanmatigend en heerszuchtig te maken, terwijl toch de oudsten niet altijd de wijsten zijn, Hoofdst. 32:9.
IV. Hij beschuldigt hem van minachting voor de raad en de vertroostingen, die zijn vrienden hem gaven, vers 11. Zijn de vertroostingen Gods u te klein?
1. Elifaz neemt het euvel op dat Job de vertroostingen niet waardeerde, die hij en zijn vrienden hem hadden toegediend, en niet ieder woord, dat zij zeiden, welkom heeft geheten als waar en van gewicht. Het is waar: zij hadden enige zeer goede dingen gezegd, maar in hun toepassing ervan op Job waren zij moeilijke vertroosters. Wij zijn geneigd datgene groot en van belang te achten wat wijzelf zeggen, terwijl anderen het misschien, en met goede reden, onbeduidend en beuzelachtig vinden. Paulus bevond dat zij, die geacht waren wat te zijn, hem niets toegebracht hebben.
2. Hij stelt dit voor als een geringachting van de vertroostingen Gods in het algemeen, alsof die van weinig belang voor hem waren, maar in werkelijkheid waren zij dit niet, indien hij ze niet hogelijk gewaardeerd had, hij zou onder zijn beproevingen zich niet zo staande hebben kunnen houden, als hij er zich staande onder gehouden heeft. De vertroostingen Gods zijn in zichzelf niet klein. Goddelijke vertroostingen zijn grote dingen, dat is: de vertroosting, die van God is, en inzonderheid de vertroosting, die in God is. De vertroostingen Gods niet klein zijnde in zichzelf, is het zeer slecht als zij ons te klein zijn. Het is een grote belediging van God en een blijk van een ontaard verdorven gemoed, om geestelijke genietingen te minachten of te onderschatten en het gewenste land te versmaden. "Hoe!" zegt Elifaz, "schuilt er enige zaak bij u? Bezit gij een hartsterking, waarmee gij u ondersteunt, een "Proprium," een "Arcanum," waarop niemand anders bogen kan, of ook maar iets van weet?" Of "is er ook een geheime zonde, die gij aanhoudt en die de werking van de Goddelijke vertroosting in de weg staat?" Niemand minacht de vertroostingen Gods dan zij, die in het verborgen de wereld en het vlees aanhangen. V. Hij beschuldigt hem God zelf en de Godsdienst tegen te staan, vers 12,13. " Waarom rukt uw hart u weg, wordt gij vervoerd om zulke onbetamelijke, ongodsdienstige uitdrukkingen te gebruiken?" "Een ieder wordt verzocht als hij van zijn begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt," Jakobus 1:14. Indien wij weglopen van God en onze plicht, of uitbreken in iets verkeerds te doen, dan is het ons eigen hart dat ons wegrukt. Zijt gij een spotter, gij zult het alleen dragen. Er is een geweld, een onweerstaanbare aandrift in de ziel, het verdorven hart voert de mensen als het ware met geweld weg, tegen hun overtuigingen. Wat is het, waar uw ogen naar wenken? vers 12. Waarom geeft gij geen acht op hetgeen er tot u gezegd wordt, het horende alsof gij half in slaap waart? Waarom minacht gij zo wat wij zeggen, alsof het beneden uw aandacht was? Wat hebben wij gezegd, dat verdient aldus geminacht te worden? Ja, dat gij uw geest keert tegen God?" Het was slecht dat zijn hart weggerukt was van God, maar het was nog veel slechter dat het zich keerde tegen God. Maar zij, die God verlaten, zullen spoedig in openlijke vijandschap tegen Hem uitbreken. Doch hoe bleek dit? "Gij laat zulke woorden van uw mond uitgaan, met afkeuring sprekende van God, van Zijn gerechtigheid en goedheid." Het is de aard van de goddelozen, dat zij "hun mond zetten tegen de hemel," Psalm 73:9, hetgeen een stellige aanduiding is dat hun geest tegen God gekeerd is. Hij dacht dat Jobs gemoed tegen God verzuurd was, en daardoor afgekeerd, en dat hij verbitterd was wegens Zijn handelingen met hem. Aan Elifaz ontbrak onbevooroordeeldheid en liefde, anders zou hij niet zo'n harde uitlegging hebben gegeven aan de redenen van iemand, die een zo gevestigde naam had voor vroomheid en zich nu in verzoeking bevond. Dit was in werkelijkheid de zaak ten voordele van Satan uit te wijzen, en te erkennen dat Job gedaan had wat Satan zei dat hij doen zou, God in Zijn aangezicht had gevloekt.
Vl. Hij legt hem ten laste dat hij zich dermate had gerechtvaardigd, alsof hij zijn aandeel in het algemene bederf van de menselijke natuur ontkende, vers 14. Wat is de mens, dat hij zuiver zou zijn, dat hij zou voorgeven dit te zien, of dat iemand zou verwachten hem aldus te vinden? Wat is hij, die van een vrouw geboren is, een zondige vrouw dat hij rechtvaardig zou zijn? Rechtvaardigheid is zuiverheid, zij maakt ons welbehaaglijk aan God gerust en welgemoed in onszelf, Psalm 18:25. In zijn gevallen toestand kan de mens er geen aanspraak op maken zuiver en rechtvaardig te zijn voor God, hetzij om door Gods gerechtigheid vrijgesproken te worden, of zich van Zijn gunst aan te bevelen. Hij moet geacht worden onzuiver en onrechtvaardig te wezen, omdat hij van een vrouw is geboren, aan wie hij een verdorven natuur ontleent, hetgeen beide zijn schuld en zijn verontreiniging is. Met deze eenvoudige, duidelijke waarheden denkt Elifaz Job te overtuigen, terwijl deze toch zoëven hetzelfde gezegd heeft, Hoofdst. 14:4. Wie zal een reine geven uit de onreine? Maar volgt hier nu uit dat Job een geveinsde is en een goddeloze hetgeen alles is dat hij ontkent? Volstrekt niet. Hoewel de mens, als van een vrouw geboren, niet rein is, als wedergeboren door de Geest is hij het wèl.
Om dit nog nader te bewijzen, toont hij aan:
A. Dat de schitterendste schepselen onvolmaakt en onrein zijn voor God, vers 15. Noch in heiligen noch in engelen stelt God vertrouwen, beide gebruikt Hij, maar aan geen van beide vertrouwt Hij Zijn dienst toe, zonder hun opnieuw kracht en wijsheid er voor te geven, wetende dat zij in zichzelf er niet meer of beter bekwaam toe zijn dan Zijn genade er hen bekwaam toe maakt. Zelfs in de hemelen vindt Hij geen voldoening: hoe rein zij ons ook toeschijnen, Zijn oog ontwaart er menige vlek, menig gebrek in, de hemelen zijn niet zuiver in Zijn ogen. Indien de sterren zegt Caryl, geen licht hebben in het gezicht van de zon, welk licht heeft de zon dan in het gezicht van God? Zie Jesaja 24:23.
B. Dat de mens dit nog veel meer is vers 16. Hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende. Indien op heiligen niet gebouwd kan worden, veel minder dan nog op zondaren. Indien de hemelen zelf niet zuiver zijn, die zijn zoals God ze gemaakt heeft, veel minder nog is de mens zuiver, die ontaard is. Ja hij is gruwelijk en stinkende voor God, en als hij ooit tot inkeer, tot bekering komt, dan is hij het ook in zijn eigen ogen, en daarom verfoeit hij zichzelf. Zonde is iets hatelijks en maakt de mens hatelijk. Het lichaam van de zonde is dit, en wordt daarom een dood lichaam genoemd, iets dat weerzinwekkend is. Zodanig is de vuilheid van de mens, dat hij onrecht (het verfoeilijke, hetwelk door de Heere gehaat wordt) met evenveel graagte en genot indrinkt als waarmee een dorstig man water drinkt. Het is zijn gewone drank, het is voor zondaren natuurlijk onrecht te plegen. Het streelt, maar bevredigt de lusten niet van de oude mens. Het is als water voor iemand, die aan waterzucht lijdt. Hoe meer de mensen zondigen, hoe meer zij willen zondigen.