Lukas 8:22-39
Wij hebben hier twee grote, majestueuze blijken van de macht van onzen Heere Jezus, die wij tevoren reeds gehad hebben-Zijne macht over de winden, en Zijne macht over de duivelen, zie Markus 4:5.
1. Zijne macht over de winden, die machten der lucht, die zulke verschrikkingen zijn voor den mens, inzonderheid op zee, en den dood van zeer velen veroorzaken. Merk op:
1. Christus gebood Zijnen discipelen in zee te gaan, opdat Hij Zijne heerlijkheid zou openbaren op het water in het stillen der baren, en een daad van vriendelijkheid zou doen aan een armen bezetenen aan de overzijde van het water. "Hij ging in een schip met Zijne discipelen," vers 22. Zij, die Christus' bevelen gehoorzamen, kunnen zich verzekerd houden van Zijne tegenwoordigheid. Als Christus Zijne discipelen zendt, gaat Hij met hen. En zij, met wie Christus is, kunnen overal onbevreesd heengaan. Hij zei: Laat ons overvaren aan de andere zijde van het meer, want Hij had daar een goed werk te verrichten. Hij zou met een kleinen omweg over land hebben kunnen gaan, maar Hij verkoos over het water te gaan, ten einde Zijne wonderwerken te tonen in de diepte.
2. Zij, die bij kalm weer in zee steken, ja zelfs op het woord van Christus, moeten zich toch bereiden op een storm, en op het uiterste gevaar in dien storm. Er kwam een storm van wind op het meer, vers 23, alsof hij daar was en nergens anders. En weldra werd hun schip zo geslingerd door de baren, dat het vol water werd, en zij in nood waren, in levensgevaar. Wellicht had de duivel, die de overste is van de macht der lucht en die onder de toelating Gods winden doet ontstaan, enig vermoeden, naar aanleiding van enige woorden, die Christus wellicht gesproken had van aan de andere zijde van het meer te gaan ten einde het legioen duivelen uit te werpen uit den armen bezetene, en wierp hij daarom dien storm tegen het schip, waarin Hij zich bevond, met het doel, om het zo mogelijk te doen zinken. en alzo Zijne overwinning te voorkomen.
3. Christus sliep in dien storm, vers 23. Een weinig lichamelijke verkwikking is Hem nodig, en Hij wilde die genieten, wanneer dit Hem het minst hinderde in Zijn arbeid. De discipelen van Christus kunnen de genaderijke tegenwoordigheid hebben van Christus op zee, en in een storm, en toch schijnt het alsof Hij slaapt, Hij komt hen wellicht niet dadelijk te hulp, neen, zelfs niet wanneer de nood op het uiterste gekomen schijnt. Aldus wil Hij hun geloof en hunne lijdzaamheid beproeven, en hen er toe brengen om Hem door hun gebed te doen opwaken, en alzo hun uitredding des te meer welkom te doen zijn, als zij ten laatste tot stand wordt gebracht..
4. Een klacht tot Christus wegens ons gevaar en de benauwdheid, waarin Zijne kerk verkeert, is voldoende om Hem te doen opwaken en ons ter hulp te komen, vers 24, Meester, Meester! riepen zij, wij vergaan! Het middel om onze vrees tot bedaren te brengen is, om er mede tot Christus te gaan en ze Hem te kennen te geven. Zij, die in oprechtheid Christus Meester noemen, en Hem met vurigheid van geloof aanroepen als hun Meester, kunnen er van verzekerd wezen dat Hij hen niet zal laten omkomen. Voor arme zielen, die onder bewustheid zijn van schuld en in vrees voor den toorn Gods, is gene verlichting zo kostelijk en afdoend, als om tot Christus te gaan, en Hem Meester te noemen, en te zeggen: "Zo Gij mij niet helpt en redt, moet Ik omkomen." 5. Het is het werk van Christus om stormen tot bedaren te brengen, gelijk het Satans werk is om ze te doen ontstaan. Christus kan dit doen, Hij heeft het gedaan, Hij verlustigt zich er in om het te doen, want Hij is gekomen om vrede op aarde te verkondigen. Hij bestrafte den wind en de watergolven, en onmiddellijk hielden zij op, vers 24, niet zoals op andere tijden, langzamerhand, maar plotseling werd er stilte. Aldus toonde Christus dat Hij, hoe de duivel er ook aanspraak op maakt de overste van de macht der lucht te zijn, hem toch ook hier gebonden houdt.
6. Als ons gevaar voorbij is, dan betaamt het ons ons te schamen om onze vrees, en aan Christus de eer te geven van Zijne macht. Toen Christus storm en watergolven tot bedaren had gebracht, waren zij verblijd omdat zij gestild waren, Psalm 107:30.. En toen
a. Bestraft Christus hen om hun buitensporige vrees: Waar is uw geloof? vers 25. Er zijn velen, die wel waar geloof hebben, maar zij moeten het nog zoeken, als zij het reeds hebben te oefenen. Zij sidderen en zijn ontmoedigd, als de omstandigheden er dreigend voor hen uitzien. Een kleinigheid maakt hen moedeloos, en waar is dan hun geloof?
b. Zij geven Hem de eer Zijner macht: Zij, bevreesd zijnde, verwonderden zich. Zij, die den storm hadden gevreesd, hebben, nu het gevaar voorbij was, met goede reden Hem gevreesd, die den storm had gestild, en zij zeiden tot elkaar: Wie is toch deze! Wèl hadden zij mogen zeggen: "Wie is een God gelijk Gij?" Want het is Gods kroonrecht het bruisen der zeeën te stillen, het bruisen harer golven, Psalm 65:8.
II. Zijne macht over den duivel, den overste van de macht der lucht. In de gebeurtenis, die nu verhaald zal worden, komt Hij tot sterker worsteling met hem, dan toen Hij de winden gebood. Nadat de storm gestild was, kwamen zij terstond tot de haven hunner begeerte, in "het land der Gadarenen", en gingen er aan land, vers 26, 27, en weldra ontmoette Hij wat Zijn werk was, om hetwelk te verrichten Hij het wèl der moeite waard heeft geacht om den storm te trotseren. Wij hebben zeer veel te leren uit dit verhaal betreffende deze wereld van helse, boze geesten, die, hoewel zij nu gewoonlijk niet op dezelfde wijze werken als toen, ons toch wel reden geven om er ten allen tijde op onze hoede tegen te zijn.
1. Deze boze geesten zijn zeer talrijk. Zij, door welke deze enkele man was bezeten, noemden zich Legio, vers 30, want vele duivelen waren in hem gevaren, van over langen tijd was hij met duivelen bezeten geweest, vers 27. Maar zij, die hem reeds lang hadden bezeten, hebben wellicht, -daar zij op de een of andere wijze de komst van den Zaligmaker hadden voorzien, om hen aan te vallen, en bevindend, dat zij dit door den storm, dien zij hadden verwekt, niet hadden kunnen voorkomen, -om versterking gezonden, daar zij nu tot een beslissenden slag wilden komen, in de hoop van Hem nu te sterk te zullen zijn, die reeds zoveel onreine geesten had uitgeworpen, en Hem thans de nederlaag te doen lijden. Zij waren, of wilden tenminste geacht worden, een legioen te zijn, schrikkelijk als slagorden met banieren, en nu tenminste te zijn, wat het twintigste legioen van het Romeinse leger, dat gedurende langen tijd te Chester in garnizoen lag, heette legio victrix -een overwinnend legioen.
2. Zij hebben een ingewortelden haat tegen den mens en zijne vertroostingen en gerieflijkheden. Deze man, die zolang door de duivelen was bezeten, onder hun invloed zijnde, was met geen klederen gekleed en bleef in geen huis, vers 27, hoewel kleding en woning twee van de noodzakelijke steunsels dezes levens zijn. En dewijl de mens een natuurlijke vrees heeft voor de woningen der doden, dwongen zij dien mens in de graven te verblijven, ten einde hem aldus des te meer een verschrikking te doen zijn voor zich zelven en voor allen, die hem omringden, zodat zijne ziel evenveel reden had als de ziel van wie ook, om het leven moede te zijn en "verworging en dood te kiezen," veeleer dan het leven.
3. Zij zijn sterk, woest en ontembaar, zij verafschuwen het om onder bedwang te zijn: Hij werd met ketenen en boeien gebonden, ten einde zich zelven en anderen geen kwaad te kunnen doen, maar hij verbrak de banden, vers 29. Zij, die zich door niemand laten regeren, tonen hiermede dat zij onder de heerschappij zijn van Satan, en dit is de taal van de zodanige betreffende God en Christus, hun beste vrienden, die hen noch van iets, noch tot iets willen binden dan tot hun eigen welzijn: Laat ons hun banden verscheuren. Hij werd van den duivel gedreven. Zij, die onder Christus' heerschappij zijn, worden lieflijk getrokken met mensenzielen, met touwen der liefde, zij, die onder de heerschappij des duivels zijn, worden woest en met geweld gedreven.
4. Zij zijn in woede ontstoken tegen onzen Heere Jezus, en hebben een groten angst voor en afgrijzen van Hem. Toen de man, die door hen bezeten was, en die sprak zoals zij wilden dat hij spreken zou, Jezus zag, kreet hij als iemand, die in doodsbenauwdheid is, en viel voor Hem neer, om Zijn toorn af te bidden, en erkende Hem als Zone Gods, des Allerhoogsten, die oneindig boven hem en machtiger was dan hij, maar betuigde dat hij niet in verbond was met Hem (hetgeen de Godslasterlijke vitterij van de schriftgeleerden en Farizeeën wel tot zwijgen had moeten brengen). Wat heb ik met u te doen? De duivelen zijn noch gezind om Christus dienst te bewijzen, noch hebben enigerlei verwachting om voordeel door of van Hem te verkrijgen. Wat hebben wij met u te doen? Maar zij vreesden Zijne macht en Zijn toorn. Zij zeggen niet: "Ik smeek U, behoud mij," maar ik bid u, dat gij mij niet pijnigt. Zie, wiens taal zij spreken, die slechts vrees hebben voor de hel, als een plaats der pijniging, maar geen begeerte hebben naar den hemel, als een plaats van heiligheid en liefde.
5. Zij staan volkomen onder het bevel en onder de macht van onzen Heere Jezus, en zij wisten het, want zij baden hem dat Hij hun niet gebieden zou in den afgrond te varen, in de plaats hunner pijniging, hetgeen Hij, zij erkennen het, gemakkelijk en met recht kon doen. O welk ene vertroosting is het voor het volk des Heeren, dat al de machten der duisternis onder het bedwang zijn van den Heere Jezus! Hij heeft hen allen geketend. Hij kan, wanneer het Hem behaagt, hen naar hun eigen plaats doen heengaan.
6. Zij scheppen er behagen in kwaad te doen. Toen zij bevonden dat zij genoodzaakt zouden worden om van dien armen mens uit te gaan, baden zij, dat Christus hun zou toelaten om in een kudde zwijnen te varen, vers 32. Toen de duivel voor het eerst den mens in een ongelukkigen toestand bracht, heeft hij ook een vloek gebracht over de ganse schepping, en zij werd zijner vijandschap onderworpen, en als een voorbeeld van deze zijn algemene vijandschap zien wij hier hoe hij, toen hij den man niet kon verderven, de zwijnen heeft willen verderven. Indien hij de mensen niet kan schaden in hun lichamen, zal hij hen schaden in hun bezittingen, die somwijlen een grote verzoeking blijken te zijn, om de mensen van Christus af te houden, zoals dit hier ook het geval was. Christus liet hun toe in de zwijnen te varen, om het land tot de overtuiging te brengen van het kwaad, dat de duivel er kon doen, indien Hij het hem toelaat. Niet zodra hadden de duivelen er het verlof toe ontvangen, of zij voeren in de zwijnen, en niet zodra waren zij er in gevaren, of de ganse kudde stortte zich van de steilte af in het meer en verdronk. Want het is een wonder van genade indien zij, die door Satan bezeten worden, niet in het verderf worden gestort. Dit, en nog andere voorbeelden, toont, dat deze briesende leeuw en rode draak zoekt wat en wie hij zou kunnen verslinden.
7. Als de macht des duivels in een ziel is verbroken, dan herstelt zich die ziel en komt weer in een rechten gemoedstoestand, hetgeen veronderstelt dat zij, die door Satan worden bezeten, zich zelven niet meer bezitten.
De mens, van welken de duivelen uitgevaren waren, zat aan de voeten van Jezus, vers 35. Zolang hij onder de macht des duivels was, zou hij zich vijandig op Jezus hebben willen werpen, maar nu zit hij aan Zijne voeten, hetgeen een teken is, dat hij weer wel bij zijn verstand was gekomen. Indien God ons bezit, dan laat Hij ons het bestuur over, en het genot van, ons zelven behouden, maar als Satan ons bezit, berooft hij ons van beiden. Laat dan zijne macht in onze ziel worden verbroken, en laat Hem komen, die recht heeft op ons hart, en laat ons Hem ons hart geven, want nooit behoren wij meer ons zelven toe, dan wanneer wij Hem toebehoren. Laat ons nu zien wat dit wonder van het uitwerpen van een legioen duivelen uit dezen mens uitgewerkt heeft.
a. Wat dit heeft uitgewerkt bij de lieden van die landstreek, die er hun zwijnen door verloren hadden. Die ze weidden, ziende hetgeen geschied was, zijn gevlucht, en heengaande boodschapten het in de stad en op het land, vers 34, met het doel wellicht van het volk tegen Christus op te zetten.
Zij verhaalden hoe de bezetene was verlost geworden, vers 36, dat het geschied was door de duivelen in de zwijnen te doen varen, hetgeen een hatelijke voorstelling der zaak kon zijn, alsof Christus den mens niet anders uit hun macht had kunnen verlossen dan door hun de zwijnen over te leveren. Het volk ging uit om te zien wat er geschied was, er onderzoek naar te doen, en zij werden bevreesd, vers 35, zij werden met grote vrees bevangen, vers 37, zij waren er door verrast en verbaasd, en wisten niet wat zij er van zeggen zouden. Zij dachten meer aan de vernieling der zwijnen dan aan de verlossing van hun armen, gekwelden nabuur, en hoe het land nu van de verschrikking van zijn waanzin was bevrijd, en daarom baden Hem de gehele menigte, dat Hij van hen wegging, uit vrees, dat Hij nog meer oordelen over hen zou brengen, terwijl toch in werkelijkheid niemand voor Christus bevreesd behoeft te wezen, die zijne zonden wil nalaten en zich aan Christus wil overgeven. Maar Christus hield hen aan hun woord: Hij ging in het schip en keerde terug. Diegenen verliezen hun Zaligmaker en hun hoop in Hem, die hun zwijnen liever hebben.
b. Welke uitwerking dit had op den armen mens, die er door hersteld was geworden. Hij begeerde Christus' bijzijn even sterk, als anderen het vreesden. Hij bad Hem, dat hij mocht bij Hem zijn, zoals anderen bij Hem waren, die Hij van boze geesten en krankheden genezen had, vers 2, dat Christus hem een beschermer en leraar zou zijn, en dat hij Christus tot een naam zou zijn en tot lof. Hij was er afkerig van om onder deze ruwe en verdierlijkte Gadarenen te verwijlen, die begeerden dat Christus van hen zou weggaan.
Verzamel mijne ziel niet met deze zondaren! Maar Christus wilde hem niet medenemen, Hij zond hem naar huis om aan hen, die hem kenden, te verkondigen wat grote dingen God hem gedaan heeft, opdat hij aldus een zegen zou worden voor zijn land, zoals hij er tevoren een last en kwelling voor geweest was. Soms moeten wij ons de voldoening zelfs van geestelijke voordelen en vertroostingen ontzeggen, om de gelegenheid te hebben anderen van dienst te zijn. Wellicht heeft Christus geweten dat, wanneer hun toorn over het verlies hunner zwijnen een weinig bekoeld was, zij in betere gezindheid zouden zijn om over het wonder na te denken, en daarom liet Hij den man bij hen blijven als een levend gedenkteken er van, en om hen voortdurend te kunnen vermanen ten goede.