Markus 4:35-41
Dit wonder, dat Christus wrocht ter hulp en verlichting der discipelen, in het stillen van den storm, hadden wij tevoren, Mattheus 8:23 en verder, maar het wordt hier vollediger meegedeeld. Merk op dat:
1. Het was op dezelfden dag, toen Hij van uit een schip gepredikt had, als het nu avond was geworden, vers 35. Toen Hij den gansen dag gearbeid had in het woord en de leer, heeft Hij, in plaats van nu rust te nemen, zich blootgesteld aan gevaar, om ons te leren aan geen blijvende rust te denken, voordat wij in den hemel komen. Het einde van arbeid en zwoegen kan wel eens het begin zijn van heen en weer geschud te worden. Maar het schip, hetwelk Christus tot kansel had gediend, is onder Zijn bijzondere bescherming, en hoewel het in gevaar is, kan het toch niet zinken. Wat voor Christus gebruikt is, daar zal Hij bijzonder zorg voor dragen.
2. Hijzelf stelde voor om des nachts in zee te steken, omdat Hij geen tijd wilde verliezen.
Laat ons overvaren aan de andere zijde. In het volgende hoofdstuk zullen wij zien, dat Hij daar werk te doen had, Christus ging het land door goeddoende, en gene moeilijkheden op den weg verhinderden Hem. Zo naarstig behoren wij te wezen in Hem te dienen, en ons geslacht te dienen naar Zijn wil.
3. Zij staken niet in zee, voordat zij de schare hadden weggezonden, dat is: aan ieder hunner hadden gegeven hetgeen waarvoor zij kwamen, want Hij zond niemand weg klagende, dat hij tevergeefs tot Hem was gekomen. Of wel, zij zonden hen weg met een plechtigen zegen, want Christus is in de wereld gekomen, niet slechts om den zegen uit te spreken, maar den zegen te gebieden en te geven.
4. Zij namen Hem mede gelijk Hij in het schip was, dat is: in hetzelfde gewaad, dat Hij aanhad toen Hij predikte zonder een mantel om er zich in te hullen, dien Hij had moeten hebben om zich warm te houden, toen Hij in den nacht op zee ging, inzonderheid na gepredikt te hebben. Hieruit mogen wij niet afleiden, dat wij zorgeloos moeten zijn omtrent onze gezondheid, maar wel kunnen wij er uit leren, om niet overbezorgd te zijn voor het lichaam.
5. De storm was zo groot, dat het schip vol werd met water, vers 37, niet doordat er een lek in het schip was gekomen, maar wellicht gedeeltelijk door den stortregen, want het woord, dat hier gebruikt is, betekent een storm van wind met regen, evenwel, het schip klein zijnde, sloegen de golven er in, zodat het nu vol werd. Het is niets nieuws, dat het schip zeer geteisterd en in gevaar is, waarin Christus en Zijne discipelen, Christus en Zijn naam en Evangelie zich bevinden.
6. Er waren nog andere scheepjes met Hem, die ongetwijfeld zich in hetzelfde gevaar bevonden. Waarschijnlijk hebben deze scheepjes de personen overgevaren, die met Christus wilden medegaan om van Zijne prediking en Zijne wonderen te genieten aan de overzijde. De schare ging weg, toen Hij in zee stak, maar er waren sommigen, die zich met Hem op het water begaven. Diegenen volgen het Lam op de rechte wijze, die het volgen waar het ook heengaat. En zij, die op de zaligheid in Christus hopen, moeten gewillig en bereid zijn om Zijn lot te delen, en ook hetzelfde gevaar met Hem te delen. Koen en blijmoedig kunnen wij in Christus' gezelschap in zee steken, al is het ook dat wij een storm voorzien. 7. Christus sliep in dien storm, en hier wordt on s gezegd, dat Hij in het achterschip was, de plaats dus van den stuurman. Hij lag aan het roer, om aan te duiden hetgeen door den dichter George Herbert aldus wordt uitgedrukt: "Daar wind en golven `t ranke schip heen slingeren en, op bank of klip, Nu dreigen, zo terstond, ten afgrond in te stoten' Hij ons bewaart, die `t roer bestiert, En over stormen zegeviert: Want, schoon Hij de ogen sluit, Zijn hart is nooit gesloten.
Daar lag Hij op een oorkussen, zoals een vissersboot Hem er een kon verschaffen. En Hij sliep, om het geloof Zijner discipelen te beproeven en hen op te wekken tot gebed. Uit de beproeving bleek, dat hun geloof zwak was en hun gebed krachtig. Soms gebeurt het, als de kerk zich in storm bevindt, dat Christus schijnt te slapen, onbekommerd over het leed Zijns volks, geen acht slaande op hun gebeden en niet terstond ter hunner hulp verschijnende.
Voorwaar! Hij is een God, die zich verborgen houdt, Jesaja 45:15. Maar evenals wanneer Hij vertoeft, Hij niet vertoeft, Habakuk 2:3, zo is het ook dat Hij, als Hij slaapt, niet slaapt, de Bewaarder Israël's sluimert niet eens, Psalm 121:3, 4, Hij sliep, maar Zijn hart waakte, Hooglied 5:2.
8. Zijne discipelen schepten moed uit Zijne tegenwoordigheid, en vonden het het beste zich die ten nutte te maken, tot Hem de toevlucht te nemen, en veeleer de roeiriemen des gebeds dan de roeiriemen van het schip in werking te stellen. Hun vertrouwen lag hierin, dat zij hun Meester bij zich in het schip hadden, en het schip, waarin Christus is, kan wel geslingerd en geteisterd worden, maar het kan niet zinken, het braambos, waarin God is, kan wel branden, maar niet verteerd worden. Caesar sprak den schipper, die hem aan boord had, moed in met het woord: Gij hebt Caesar en Caesars geluk aan boord. Zij wekten Christus op. Had de noodzakelijkheid hen er niet toe gedrongen, zij zouden hun Meester niet gewekt hebben, voordat het Hem lustte, Hooglied 2:7, maar zij wisten dat Hij hun dit ongelijk zou vergeven. Als Christus schijnt te slapen in een storm, dan wordt Hij opgewekt door de gebeden Zijns volks, als wij niet weten wat te doen, dan moeten onze ogen op Hem zijn, 2 Kronieken 20:12. Wij kunnen ten einde raad wezen, maar wij moeten niet aan het einde zijn van ons geloof, zolang wij zulk een Verlosser hebben, tot wie wij ons kunnen wenden. Hun verzoek aan Christus is hier in zeer sterke bewoordingen uitgedrukt: Meester! bekommert het U niet dat wij vergaan? Ik beken, dat dit wel wat ruw klinkt, meer als ene bestraffing omdat Hij sliep, dan als een verzoek om te ontwaken. Ik weet er gene verontschuldiging voor, behalve de grote gemeenzaamheid, die het Hem had behaagd hun toe te staan, de vrijmoedigheid, die Hij hun vergunde te gebruiken, en de nood, waarin zij zich bevonden, en die hen zo beangst maakte, dat zij niet wisten wat zij zeiden. Diegenen doen Christus wel grotelijks onrecht, die Hem verdenken van onverschilligheid voor Zijn volk, dat zich in nood bevindt. Het is niet zo, het is Zijn wil niet, dat iemand verloren ga, en veel minder nog een van Zijne kleinen, Mattheus 18:14.
9. Het woord van bevel, waarmee Christus den storm bestrafte, hebben wij hier, maar hadden het niet in Mattheus 8:26. Hij zei: Zwijg, wees stil! -Sioopa pephimooso -wees stil, wees stom. Laat de wind niet langer bulderen, noch de zee woeden. Aldus stilt Hij het bruisen der zeeën, het bruisen harer baren. Er wordt een bijzonderen nadruk gelegd op het luidruchtige er van, Psalm 65:8, 93:3, 4. Het gedruis is dreigend en beangstigend, laat ons er niet meer van horen. Dit is:
a. Een woord van bevel aan ons, als onze boze hart is als een voortgedreven zee, die niet kan rusten, Jesaja 57:20, als onze hartstochten in beweging zijn en onstuimig, zo laat ons denken, dat wij de wet van Christus horen, zeggende: Zwijgt, weest stom. Denk niet verward, spreek niet onbedachtzaam, maar wees stil.
b. Een woord van vertroosting tot ons, dat, al is de storm der benauwdheid nog zo bulderend, nog zo sterk, Jezus Christus hem met een woord tot bedaren kan brengen. Als er van buiten strijd is en van binnen vrees, en de geesten in oproer zijn, dan kan Christus de vrucht scheppen der lippen, vrede. Indien Hij zegt: Zwijg, wees stil, dan komt er terstond grote stilte. Er wordt van gesproken als van het kroonrecht Gods, om de zeeën te gebieden, Jeremia 31:35. Hierdoor bewijst Christus zich dus God te zijn. Hij, die de zeeën heeft gemaakt, kan ze kalm maken.
10. De bestraffing, die Christus hun gaf wegens hun vrees, gaat hier verder dan bij Mattheus. Dáár heet het: Wat zijt gij vreesachtig? Hier: Wat zijt gij zo vreesachtig? Er kan enige reden tot vrees zijn maar toch niet voor zulk een grote mate van vrees. Dáár is het: Gij kleingelovigen. Hier is het: Hoe hebt gij geen geloof? Niet, dat de discipelen zonder geloof waren. Neen, zij geloofden, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, maar op dit ogenblik had de vrees zozeer de overhand, dat zij in het geheel geen geloof schenen te hebben. Hoe is het, dat gij in deze zaak geen geloof hebt, dat gij in den waan verkeert, dat Ik u niet tijdig en krachtdadig te hulp zal komen? Diegenen mogen wel hun geloof wantrouwen, die de gedachte koesteren, dat Christus er zich niet om bekommert, als Zijn volk omkomt, en terecht duidt Christus dit hun ten kwade.
Eindelijk. De indruk, dien dit wonder bij de discipelen heeft teweeggebracht, wordt hier verschillend uitgedrukt. In Mattheus heet het: De mensen verwonderden zich, hier wordt gezegd: Zij vreesden met grote vreze. Zij vreesden een grote vreze, zo staat er in het oorspronkelijke. Nu werd hun vrees terechtgewezen door hun geloof. Toen zij de winden en de zeeën vreesden, was dit uit gebrek aan eerbied, dien zij voor Christus hadden behoren te koesteren. Maar nu zij het bewijs zagen van Zijne macht er over, vreesden zij hen minder en Hem meer. Zij vreesden dat zij Christus hadden beledigd door hun vrees des ongeloofs, en daarom beijverden zij zich nu om Hem eer te geven. Zij hadden de macht en den toorn gevreesd van den Schepper in den storm, en in die vrees was pijn en verschrikking, maar nu vreesden zij de macht en de genade van den Verlosser in de stilte, zij vreesden den Heere en Zijne goedheid, en er was lieflijkheid en voldoening in, en hierdoor gaven zij eer aan Christus, zoals Jona's zeelieden, die: Toen de zee stilstond van hare verbolgenheid, den Heere vreesden met grote vreze en den Heere slachtoffer slachtten en geloften beloofden, Jona 1:16. Dit offer brachten zij aan de eer van Christus: zij zeiden: Wie is toch deze? Gewis, Hij is meer dan mens, daar ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn.