13. Maar broeders, ik wil ten minste over dat punt, welks uiteenzetting volgens hetgeen ons Timotheüs mededeelde, ons nu reeds noodzakelijk voorkomt, behulpzaam zijn, om te volmaken, wat nu nog aan uw geloof ontbreekt (
Hoofdstuk 3:10). Ik wil niet dat u onwetend bent van degenen, die uit uw gemeente reeds ontslapen zijn en nog zullen ontslapen voordat de Heere komt (
1 Corinthiërs 11:30;
15:20). Ik wil u niet in onzekerheid laten, hoe het bij de terugkomst van Christus, waarin u zich verheugt (
Hoofdstuk 1:10) met deze is, a) opdat u niet in verkeerde gedachte, alsof zij veel verloren hadden, doordat zij niet meer in leven zijn, bedroefd bent zoals als de anderen (
Efeze 2:3;
4:17), die geen hoop op het eeuwige leven hebben en over de afgestorvenen treuren, denkend dat zij met dit leven alles hebben verloren (
Efeze 2:12).
a) Leviticus 19:28 Deuteronomium 14:1. 2 Samuël 12:20
Over vele dingen bedroeven wij ons enkel uit onwetendheid: leren wij ze eerst nauwkeurig kennen, dan houdt de droefheid op. Dat wijst Paulus ook hier aan met het woord: "Ik wil niet, dat u onwetend bent" (zie 1 Corinthiërs 10:1).
Men heeft geen grond om uit onze plaats het besluit te trekken, dat tijdens het schrijven van de brief reeds verschillende gelovigen te Thessalonika gestorven waren en er dus een geruime tijd sinds hun bekering moest zijn verlopen. Zeker kunnen enigen onder hen reeds zijn gestorven, omdat tot aan het schrijven van de brief omstreeks een half jaar was voorbijgegaan. Ook kon het nabijzijn van het sterven van geliefde gelovigen bij de verkeerde voorstelling, die men zich vormde van de terugkomst van Christus en het onderscheid, dat dan tussen gestorvenen en overlevenden aanving (ook in het apocrieve boek, het 4de van Ezra, worden zij, die bij de toekomst van de Messias gestorven waren, voorgesteld als achterstaande bij de derelictis of overgebleven), die droefheid en onrust veroorzaken, die de apostel door een juiste voorstelling probeerde weg te nemen. Daarbij komt nog dat de bezorgdheid van de terugkomst van de Heere niet te beleven, door de smarten en vervolgingen, waarvan de Christenen van Thessalonika toen hadden te lijden, nog aanmerkelijk verzwaard moest worden.
Daarvan kan geen sprake zijn, dat de Thessalonicensen getwijfeld zouden hebben aan een opstanding van de doden en gevreesd zouden hebben, dat de ontslapenen vóór de terugkomst van de Heere in het geheel geen deel zouden hebben aan die zegen. Paulus zou tot hen gans anders hebben gesproken als de zaak zo was geweest. Hij wijst ook in het geheel niet nader aan dat de doden opstaan, maar spreekt alleen zich daarover uit, dat zij, die bij de terugkomst van Christus zich nog in leven bevonden, geen voorrecht zullen hebben boven hen, die vóór hen zijn ontslapen. Zo moet men aannemen, dat de Thessalonicensen, wier ogen en harten zozeer gericht waren op de terugkomst van Christus (in de vergadering van Zijn gelovigen tot Hem 2 Thessalonicenzen 2:1), daarover over hun ontslapenen treurige gedachten koesterden, dat zij aan het blijde inhalen, aan het zalig ontvangen van de bruidegom, die kwam (Mattheus 25:1) geen aandeel zouden hebben. Zij dachten dat alleen de levenden de terugkomende Heer met gejuich en gejubel welkom zouden heten en de Heere, zo door de levenden begroet, eerst, nadat dit eerste heerlijke feit van Zijn heerlijke verschijning zou zijn geëindigd, de doden zou opwekken. Daarom beklaagden zij hun doden, dat deze de vreugde en de eer van het ontvangen zonden moeten missen.
De terugkomst van Christus te beleven was het voorwerp van de hoop van de Thessalonicensen, het voorwerp van hun vreugde. Die te beleven was hun verlangen, die niet te beleven scheen hun rouw waard, hoewel de gestorvenen ook het eeuwige leven niet verloren. Het is het levendige van de persoonlijke betrekking tot de Heere, die zoveel belang stelde in het begroeten van Hem bij Zijn terugkomst en de ziel vol verlangen vooruit Hem tegenzendt. En in de daad bestaat ook het levendige van het geloof daarin, dat het iemand niet om de goederen maar om de persoon te doen is; dat zijn gedachten niet gevestigd zijn op het Christendom maar op Christus (vgl. Openbaring 2:17, 20). Hoe meer de apostel bij zijn mondeling onderricht over de terugkomst van de Heere handelde als een terugkomst lot verlossing van Zijn verdrukte gemeente (2 Thessalonicenzen 1:7), des te lichter zou het zijn, dat het gelijktijdige van de opwekking van Zijn ontslapen gelovigen niet werd uitgesproken. De zin "opdat u niet bedroefd bent zoals de anderen, die geen hoop hebben", mogen wij niet zo verstaan, alsof de apostel niet wilde dat de Christenen over de dood van hun broeders treurden; maar zo'n droefheid een droefheid van die aard, als die bij de anderen, bij hen, die geen hoop hebben, dus bij de heidenen rondom hen plaats vond, moest bij hen niet voorkomen. Van zo'n aard nu is hun droefheid, als zij menen dat de dood hun broeders een zegen doet verliezen, die het voorwerp van hun hoop is, omdat die dan gelijk is aan de droefheid van hen, die geen hoop hebben en daarom hun doden betreuren, omdat zij het goed van het eeuwige leven, waarvan zij weten, hebben verloren.
De Schrift doet nergens de onnatuurlijke eis dat het afscheid geen pijn zou mogen doen. Alleen bestraft zij het gemis van kalmte, alsof God geen God en de hemel geen vaderland was. De sterkte van het geloof laat zich echter niet bevelen en het triomferen niet afdwingen. Ook Christus had tranen (Johannes 11:33) en Paulus wist wat droefheid ook over stervenden was (Filippenzen 2:27). De apostel noemt de doden met een vriendelijk euphemismus ontslapenen. Het is echter meer dan slechts een spreekwijze, die de verschrikkelijke werkelijkheid verbergt. Zij wil echter ook niet te kennen geven de verkwikkende rust, hun ontheven zijn van aardse nood (Sir. 22:11, maar belooft een ontwaken (Johannes 11:11), vooral nadat de Opwekker verschenen is.
Onwetendheid is soms een geluk, vaak een last, maar altijd een bron van eigenaardige kwelling, waar het personen of zaken betreft over wie het ons niet mogelijk is geheel onverschillig te zijn. Al weten wij soms met Paulus, dat de gestorven en opgewekte Christus de Heere is van doden en levenden beiden, hoe zou het ons mogelijk zijn de tranen van de droefheid bij het graf van de onze te drogen, als ons aangaande hun tegenwoordige toestand, hun toekomstig lot volstrekt niets bekend was geworden?
Maar op dit gebied hebben wij voor God zij dank niet geheel in nevelen rond te tasten, dezelfde apostel, die elders zo nadrukkelijk waarschuwt om toch niet wijs te willen zijn boven hetgeen men behoort wijs te zijn (Romeinen 12:8), roept hier alle bekommerenden en treurenden toe: Ik wil niet, broeders, dat u onwetend bent van degenen, die ontslapen zijn. Ook waar niemand meer gevaar van de misvatting loopt, die aan de Christenen van Thessalonika aanleiding gaf tot buitensporige droefheid, behoudt zijn onderwijs aangaande de wetenschap van het geloof bij het graf van onze godvruchtige doden, zijn onmiskenbare waarde. Vragen wij toch wat wij weten van hen, die de dood uit ons oog, maar allerminst uit ons hart deed verdwijnen? Dit althans staat vast: zij zijn niet dood, maar zij leven in oneindig hoger zin, dan zij immer hier beneden geleefd hebben; uitwendig van ons gescheiden, zijn zij juist daardoor in te nauwer gemeenschap met Hem, die hen opnam in heerlijkheid en ook tussen hen en ons blijft niet altijd de kloof bestaan; die te samen van Christus waren, zullen elkaar hervinden, gelukkiger, reiner, bestendiger dan zij immer hier elkaar bezaten. Op welke grond wij dat weten? Paulus herinnert het in het verband van de tekst. Christus is gestorven, maar zo kunnen dan ook hier beneden de grenzen van het land van de bestemming niet staan; voor een geslacht, even vergankelijk als het gedierte van het veld, had God zijn eigen Zoon ter kruisdood niet overgegeven. Christus is opgestaan, maar Hij, die de Zijnen in het leven en de heerlijkheid voorgegaan is, kan hen dan ook onmogelijk een eeuwige slaap laten slapen. Christus komt terug, maar hetzij die toekomst jaren of eeuwen blijft uitgesteld, onmogelijk kan zij iets minder zijn dan de uur, waarin Zijn volkomen triomf over dood en graf geopenbaard en bezegeld wordt. Bij de laatste openbaring van het Hoofd, treden ook al de leden in onvergankelijke luister te voorschijn, om het even of zij vroeger of later ontslapen, zij worden door Hem opgewekt en met heerlijkheid en vreugde gekroond. De strijdende en zegepralende kerk, nu door het graf als door een onoverkomenlijke muur van elkaar gescheiden, zij zien te samen een glansrijk eindpunt, het uur van beider hereniging en verheerlijking tegen. Die in Christus gestorven zijn zullen eerst opstaan, daarna wij die levend overgebleven zijn, zullen tesamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Heere tegemoet in de lucht en zo zullen wij altijd met de Heere wezen. Vragen blijven hier over, die geen engel beantwoorden kan, maar genoeg, als een vriendelijke ster door de wolken blinkt dit laatste woord door alle nevelen heen en gerustelijk laten wij de zorg voor de vervulling van het woord van Zijn getuigen over aan Hem, die hier in raadselen spreekt, opdat Hij daar door verrassingen het hart van de Zijnen verblijden zou. En waartoe wij dit alles nu weten? Voor alle dingen, opdat wij zouden roemen in Hem, die door dit Evangelie de diepste behoeften bevredigt en een licht over dood en leven heeft ontstoken, waarbij al het licht van de wijsheid van de wereld in valse schemering wegzinkt. Maar zeker niet minder, opdat wij ons zouden troosten, waar wij de dood gedurig zo diepe en pijnlijke wonden zien slaan en ook zullen zien wegnemen, die wij in onze kortzichtigheid meenden dat niet gemist konden worden. Het woord onmisbaar staat nu eenmaal in het woordenboek van de Voorzienigheid vast; het woord ontroostbaar mag in dat van de Christen niet staan. Zeker wordt door het Evangelie van de vertroosting een natuurlijke droefheid gewettigd: weende niet Jezus zelf bij Lazarus' graf en zou het goed zijn als ons hart als een steenrots was, die geslagen werd zonder water te geven? Maar niet minder wordt onze droefheid verzacht, bij de voorstelling hoeveel zij, die hier ons ontvallen, voor zichzelf gewonnen hebben, als zij althans in leven en dood van de Heere eigendom waren. Ach, ook onze meest rechtmatige smart gaat nog met zoveel zelfzucht gepaard en wij zien zo vaak uitsluitend op wat wij verloren, alsof iets in waarheid verloren kon zijn, dat Hem toebehoort, die de sleutels heeft van dood en graf. Terwijl wij in het somber rouwgewaad neerzitten, zijn onze vrome ontslapenen reeds in witte kleren voor de troon van God en het Lam; Konden zij nog spreken, zij zouden ongetwijfeld het afkeuren, als wij even machteloos en moedeloos treuren als die velen om ons heen, die geen hoop hebben. Hebben wij die hoop echt, laat veeleer onze droefheid zo worden bestuurd en geheiligd, dat wij er door gevormd worden voor eeuwige stoorloze vreugde. Vertroosten wij niet slechts onszelf, maar ook anderen met deze woorden, de énige die waarachtige troost kunnen geven; en bovenal leven wij zo dicht bij de Heere, dat wij stervende deze troost aan wie ons beweent, kunnen achterlaten. Het zou zo treurig zijn als men bij ons zielloos overschot fluisteren moet: Laat ons die sluier niet oplichten. Het zal zo heerlijk wezen, als wie ons nastaart op goede gronden mag zeggen: Hij heeft zijn wens.
O woord van God, hoe troost Uw uitzicht mij, Bij al wat ons in het lage stof doet wenen. `k Zie door Uw glans de vale doodsvallei Met morgenrood van hoger licht omschenen Rijs lichtstraal, rijs in `s levens schemerschijn, Wij zullen altijd bij de Heere zijn.
.
Bedroefd en treurig te zijn over de doden is geoorloofd en soms pijnlijk en de wijste en beste mensen hebben, zonder dat dit veroordeeld werd, hun droefheid over de doden betoond. De apostel verbiedt hen niet in het geheel bedroefd te zijn, maar bedroefd te zijn zoals als die geen hoop hebben. Een stoïsche ongevoeligheid over de bezoekingen van anderen, of over het afsterven van onze vrienden, moet niet ingevolgd noch gevoed worden. De Christelijke godsdienst bedoelt niet het uitroeien van de hartstochten, begeerten en geneigdheden; maar die te matigen en betamelijk te besturen. Wij mogen bedroefd zijn over de dood van onze godvruchtige vrienden, zoals wij zijn, wanneer we afscheid van hen nemen, als zij op een lange reis gaan. Want de hoop van hen weer te zien is een grote vertroosting onder droefheid. Door de anderen verstaat de apostel duidelijk de ongelovige heidenen. Zo spreekt hij van hen en beschrijft ze als geen hoop hebbende. Wat de Joden belangt, die hadden allen, behalve de Sadduceërs, de hoop van een opstanding van de vromen tot een beter en gelukzaliger leven. Het oogmerk van de apostel is niet om een stoïsche onmeewarigheid een laffe ongevoeligheid en een redeloze onaandoenlijkheid in te voeren en aan te moedigen, als welke strijdig zijn met de gesteldheid van de menselijke natuur en met hetgeen de heilige en Christus zelf en Zijn apostelen betoond en gedaan hebben; maar om buitensporige en onmatige droefheid en rouw te verbieden en al de buitensporige handelingen, die bij de heidenen in hun droefheid en rouw in gebruik waren, die geen kennis hebbende van de opstandingen van de doden, geen hoop hadden van hun vrienden ooit weer te zien, maar hen aanzagen als geheel verloren, als niet langer in wezen zijnde en die zij nooit weer ontmoeten, zien of genieten zouden; dit dreef hen tot buitensporige bedrijven, uitzinnigheid en woedende vervoeringen buiten zichzelf; als om hun kleren af te werpen, het haar uit te trekken, hun vlees te scheuren, zichzelf te snijden, kaalheid te maken tussen de ogen over de doden; bedrijven en handelwijzen, die de Joden verboden waren en die zeer kwalijk voegen aan Christenen, die de leer van de opstanding van de doden geloven. De woorden moeten niet worden verstaan van andere Christenen, die geen hoop hebben van de eeuwige welstand van hun afgestorven vrienden; niet dat de droefheid van hen, die een goede hoop hebben van het toekomende welzijn van hun dierbare vrienden, niet grotelijks moet en behoort te verschillen van die van anderen, die gans geen hoop hebben; de Joden merken aan over de woorden: en Abraham kwam om Sara te beklagen, dat er niet gezegd wordt om over Sara te wenen, maar om over haar rouw te bedrijven, want over zo'n vrouw als deze, voegt het niet te wenen, nadat haar ziel in de bundel van het leven is gevoegd, maar over haar te rouwen en eer aan te doen in haar begrafenis, hoewel omdat het niet mogelijk is, dat een man niet zou wenen om zijn dode, er in het eind gezegd is en om haar te bewenen; maar de woorden moeten hier verstaan worden van de andere heidenen, die in de staat van de natuur en onwedergeboorte waren, die geen kennis van de opstanding van de doden hadden, noch enige hoop op een toekomstige staat en van hun vrienden daar weer te genieten.
De tegenstelling zal het treffendst wezen, als ik u wijs op het edelste, het beschaafdste, het wijste onder de volkeren; op de zo hoog en zo terecht in hetgeen, waarin zij te prijzen waren, geprezen Grieken, wier wijsheid na tweemaal duizend jaren nog de bewondering van alle wijze volkeren uitmaakt. Welnu, welke kennis, welke zekerheid heeft dit uitnemend volk van de oudheid van het leven na dit leven gehad? Onder hen leefde 400 jaren vóór Christus een man, wie zij, om zijn zeer diepe en zeer verheven wijsheid, de goddelijken Plato genoemd hebben. Van hem heeft een wijze van onze tijd getuigd, "dat hij in die verhouding staat tot de wereld als een zalige geest wie het lust enige tijd op haar te vertoeven en die in haar diepte doordringt, veeleer om ze met zijn wezen aan te vullen, dan slechts om ze te doorgronden, woorden die beter en heiliger bewaard bleven voor Hem, in wie alleen al de schatten van de wijsheid verborgen zijn en alle volheid woont! Deze wijze onder de wijzen heeft een boek geschreven over de onsterfelijkheid van de ziel, dat met algemene stemmen voor het uitnemendste erkend wordt, dat over dit onderwerp uit een niet Christelijke pen is gevloeid. Wij horen in dat boek zijn leermeester Socrates, in het uur van de dood, door zijn leerlingen omringd, de waarheid en gegrondheid van deze hoop betogen met bewijsredenen van verschillende aard en waarde, maar voor hem zo afdoende, dat hij in de overtuiging van de onsterfelijkheid van zijn ziel, met wezenlijke grootheid en aandoenlijke kalmte zich een wrede dood getroost. Wij zullen de inhoud van dit boek niet toetsen en beoordelen naar ons beter licht. Wij willen alleen vragen, welk licht van kennis en troost het kan ontstoken hebben in de duistere wereld, waarvoor het geschreven was? Tot welke mate van zekerheid daarin, voor de mensen, die toen waren, kan gebracht zijn een waarheid, aan welker troost de ziel van allen behoefte heeft, maar die niemand vertroost, tenzij hij van haar zekerheid volkomen overtuigd kan wezen. Welnu, het boek is geschreven, is met de zorgvuldigheid van een schrijver van die dagen voltooid. Naar het wijs gebruik van de tijd moest het alvorens te worden uitgegeven in een openbare samenkomst van wijzen worden voorgelezen. Men kan zich de belangstelling denken, die het onderwerp opwekte. Maar hoe nu? Wat is dat? Een toehoorder verlaat de plaats; een ander volgt, een derde, een vierde - de gehele samenkomst loopt teniet: slechts een voortreffelijke Aristoteles en weinige anderen blijven de voorlezer tot aan het einde toe bij. Met de overigen is het - als vijfhonderd jaren later in deze zelfde stad tot een gans anderen wijze: Wij zullen u weer hiervan horen. Maar deze maal niet zoals die andere maal, omdat de hoogheid van het verstand geërgerd en het geweten getroffen is, maar omdat er onder deze allen niemand gevonden wordt, die de fijnheid van de redenering vatten, het betoog in zijn moeilijke kronkelingen volgen kan! Zo ongelukkig is men, waar de overtuiging van de dierbaarste waarheden van het betoog van de geleerden zal afhangen. Eenvoudigen, die onder de bedeling van het Evangelie bij zo helder licht in zo wettige gerustheid leeft, hoe ongelukkig zou zich zijn onder de bedeling van de wijsbegeerte. Maar misschien was hier slechts een eerste stap gedaan, een grond gelegd, waarop de altijd voorwaarts strevende geest van de mensen verder kon voortbouwen en is men later weldra in een zo eenvoudige zaak tot meer eenvoudigheid, tot grotere klaarheid gekomen? Nee. - Als de Zoon van God niet gekomen was en had hun het verstand gegeven, dat zij de Waarachtige kenden, geen dageraad zou op deze hun schemering gevolgd zijn! Hoor, niet minder dan vier en een halve eeuw later, een anderen wijze; een wijze nu uit dat heerlijke Rome, waar men de Griekse wijsheid gebouwd heeft. Wie kent Cicero niet? Hoort Cicero over hetzelfde onderwerp. Men vraagt hem naar de onsterfelijkheid van de ziel en hij wijst nog altijd op het geschrift van Plato, steeds als het voortreffelijkste gehuldigd. Maar tevens laat hij er dit getuigenis van geven: Wat de reden is weet ik niet, maar zolang ik dit boek lees, stem ik het toe, zodra ik het echter neerleg en zelf over het onderwerp begin te peinzen, verdwijnt alle instemming. Wijsheid van de wereld, wat bent u? Nog één eeuw later en in de steden van Griekenland en in het achtbaar Rome zelf komt tot de kleinen en verachten, tot de grijsaards en kinderkens, tot de dienstknechten en de dienstmaagden, dat Woord, dat ook tot ons gekomen is: Ik wil niet, dat u onwetend bent. En de kleinste onder ons weet wat de grootsten onder de heidenen slechts gisten: De ziel is onsterfelijk, daar is een leven na dit leven. Maar als zelfs de kleinste het weet, hoe komt het dat zo velen, hoe komt het dat de meesten zich gedragen en voortleven, alsof zij het niet wisten? Als de kleinste het weet, waarom is er niet een grotere dankbaarheid in zijn hart? Waarom niet een heilige ernst om met deze zekerse wetenschap winst te doen voor het eeuwig heil van de ziel, waarvan hij zeker is, dat zij in eeuwigheid bestaan zal? De Christen heeft niet slechts een zekerse wetenschap van een leven na dit leven, maar hij heeft daarenboven een wezenlijke troost in de droefenissen, die dood en graf hem aandoen. Hij rekent voor zich en de zijnen, die met hen echt Christenen zijn, op een verbetering van zijn lot. Dit sterkt zijn hart bij de gedachte aan eigen verscheiden; dit doet hem de tranen van de ogen afwissen bij de graven van zijn dierbaren. Het gruwen voor de dood overwint hij (uit heilige oorzaken) niet geheel en al. Hij zou wel wensen zonder te sterven in het eeuwige leven te kunnen overgaan; maar toch, de dood is voor hem geen koning van verschrikking, die hij tot iedere prijs zou wensen te ontvluchten; ja er zijn ogenblikken, waarin de zucht recht levendig en smachtend is in zijn hart, de zucht om "ontbonden te zijn. " Levenslang heeft menig Christen een dierbaren dode beschreid, maar met zachte tranen, omdat dit beschreien geen beklagen was, deze droefheid, geen droefheid als van hen, die geen hoop, geen blijde verwachting hebben, verwachting, die door de tranen doet glimlachen en het gebogen hoofd bestraalt met een liefelijke en verblijdende glans. Mijn kind! stort tranen over een dode en hef een treurlied aan als een, die zwaar leed heeft te dragen; bezorg zijn lijk overeenkomstig zijn staat en verzuim zijn begrafenis niet, ween vrij bitter en bedrijf heftig rouwmisbaar; en maak het lijkbeklag naar zijn waardigheid, een of twee dagen, dat niemand iets te berispen heeft; en laat u dan van uw droefheid troosten. Want droefheid kan de dood veroorzaken en de kracht verzwakt door treurigheid van het hart. Als de dode is weggebracht, moet de droefheid overgaan, moet men eindigen het leven van een diepbedrukte te leiden. Begeef uw hart niet tot droefgeestigheid, zet ze van u, gedachtig zijnde, dat wij allen moeten sterven. Vergeet dat niet, daar is immers geen terugkeer; de dode doet u geen nut en uzelf benadeelt u. Gedenk, zoals het hem gegaan is, zo zal het ook u gaan, gisteren mij, heden u. Laat met de dood van de doden ook zijn aandenken rusten en troost u over hem, omdat hij toch onherroepelijk is heengegaan. - Ziedaar alles, wat twee eeuwen vóór Christus een wijs en godvruchtig Israëliet tot de bedroefden te zeggen heeft: zij moeten hun tranen drogen, omdat al te zeer te wenen nadelig is; zij moeten hun tranen drogen, omdat tranen niet baten; zij moeten troost zoeken bij redeneringen van hun verstand, bij de verstrooiing, bij de vergetelijkheid - maar waar is de hoop? Ach, schoon sinds eeuwen bij Israël de zekere wetenschap zijn kon, dat met de dood niet alles gedaan was; schoon het wist van een Enoch en een Elia, levend van de aarde weggenomen en van een Mozes aan de mond van de Heere ontslapen, en wiens graf niemand ooit gevonden had; dat het patriarchen gehad had, die op hun sterfbed uitriepen: op uw zaligheid wacht ik, O Heere! en koningen en psalmisten, die in heilige geestvervoering hadden gezongen: U zult mijn ziel in het dodenrijk niet verlaten; uw heilige zal geen verderving zien; de kennis en de kracht van deze vertroosting was verre van algemeen te zijn en voor de heilige mensen van God zelf, die door de Heilige Geest gedreven, die troost het best gekend en voor anderen uitgedrukt hadden, was de zaak meer zeker dan helder geweest en het denkbeeld aan graf en dood, "die de Heer niet prijzen; aan de kuil", waar men op zijn trouw niet meer hopen kan; aan het neerdalen, het wonen in de stilte, doorgaans noch opwekkelijk noch verdragelijk. Maar als Hij verscheen, die de opstanding is en het leven; die bij de graven nieuwe openbaringen van de heerlijkheid van God aankondigde; die de liefde en de macht had tot een weduwe, de lijkbaar van haar eniggeboren zoon volgende, te zeggen: ween niet! en die toch ook weer zelf geweend heeft bij het graf van een dierbare vriend. daar ging ook in deze de morgenster op over de duistere plaats, tot hiertoe slechts door de flauwe tintelende lamp met schemerende glans hier en daar verlicht. Tot in de nacht van de graven, tot in het donkere dodenrijk drong het morgenlicht van de opstanding door. Een nieuwe een volkomen vertroosting werd gehoord: Ik wil niet, dat u onwetende zegt, van degenen, die ontslapen zijn; ik wil niet dat u bedroefd bent als degenen, die geen hoop hebben; vertroost elkaar met deze woorden. Welke woorden? O mijn lezers, het is een voorrecht, dat u ze kent, want u zijn zij verkondigd, die woorden van God en niet van de mensen. Voor u ook hebben ze geklonken, niet eenmaal, maar vele, maar ontelbare malen. Nee, nee, het is onmogelijk, dat u ze u niet herinnerd heeft bij elk sterfbed en bij ieder graf. Nee, het is zeker, dat u ze op uw lippen genomen heeft tot iedere bedroefde, die zijn aardse schat aan de aarde toevertrouwen moest, maar door u op de hemel gewezen werd - zoals u ze op uw beurt in de dagen van uw nood - gehoord heeft uit de mond van kleinen en groten, wijzen en eenvoudigen. Ik ducht niet, dat u onwetend bent van de troost, die de Christenen hebben. Eén ding zou ik kunnen duchten - de mogelijkheid, dat u die troost met een hart, dat niet wil vertroost weten, zou hebben kunnen afwijzen. En nog één - dat u die grote en heilige troost zou hebben kunnen gebruiken zonder recht en met lichtvaardigheid.