Lukas 7:19-35
Over het algemeen hebben wij deze woorden omtrent Johannes de Doper, door Christus gesproken, nadat Johannes Hem had laten vragen, of Hij al of niet de Messias was, reeds gehad in Mattheus 11:2-19, zoals zij ook hier worden meegedeeld.
I. De boodschap, door Johannes de Doper aan Christus gezonden, en het antwoord, dat Hij hem gaf. Merk op:
1. De grote zaak betreffende Christus, die wij hebben te onderzoeken, is of Hij het is, die komen zou om zondaren te verlossen en zalig te maken, of dat wij een anderen moeten verwachten, vers 19, 20. Wij zijn er zeker van, dat God de komst van een Zaligmaker beloofd heeft, en even zeker zijn wij er van, dat Hij ter bestemder tijd Zijne belofte zal volbrengen. Indien deze Jezus die beloofde Messias is, dan zullen wij Hem ontvangen, en naar geen anderen uitzien, maar zo neen, dan zullen wij in onze verwachting volharden, en, schoon Hij vertoeft, zullen wij Hem blijven verwachten.
2. Het geloof van Johannes de Doper zelven, of tenminste dat van zijne discipelen, moest hieromtrent bevestiging erlangen, want Christus had zich nog niet openlijk verklaard werkelijk de Messias te zijn, ja Hij wilde zelfs niet dat Zijne discipelen, die Hem als zodanig kenden, er van zouden spreken, voordat de bewijzen er van volledig geleverd zouden zijn in Zijne opstanding. De voorname mannen der Joodse kerk hadden Hem niet erkend en ook had Hij geen invloed verkregen, waardoor Hij op den troon van Zijn vader David geplaatst zou worden. Niets van die grootheid en macht was aan Hem te bespeuren, waarmee, naar men dacht, de Messias zou verschijnen, en daarom is het niet vreemd, dat zij vragen: Zijt Gij de Messias? niet twijfelende of, zo Hij het niet was, Hij hun zou zeggen wie anders zij te verwachten hebben.
3. Christus liet het over aan Zijne werken om Hem te prijzen in de poorten, om te zeggen wat Hij was en het te bewijzen. Terwijl Johannes' boodschappers met Hem waren, heeft Hij in die ure vele genezingen gewrocht, hetgeen wellicht te kennen geeft, dat zij slechts een uur bij Hem bleven, en hoeveel werk werd door Christus in een span des tijds niet af- gedaan! vers 21. Hij genas velen van ziekten en kwalen des lichaams, en van boze geesten, die of waanzin of neerslachtigheid teweegbrachten, en velen blinden gaf Hij het gezicht. Hij vermenigvuldigde de genezingen, opdat er geen grond zou zijn om bedrog te vermoeden, en toen, vers 22, zei Hij hun: Gaat heen en boodschapt Johannes weer de dingen, die gij gezien en gehoord hebt. Hij en zij konden nu gemakkelijk tot de slotsom komen en zeggen wat ook velen uit de schare zeiden, Johannes 7:31 :Wanneer de Christus zal gekomen zijn, zal Hij ook meer tekenen doen dan die, welke deze gedaan heeft? Deze genezingen, die zij Hem zagen tot stand brengen, waren niet slechts een bevestiging van Zijne zending, zij waren er tevens de verklaring van. De Messias moest komen om een zieke wereld te genezen, om licht en gezicht te geven aan hen, die in duisternis zijn gezeten, en om boze geesten te overwinnen en in bedwang te houden. Gij ziet dat Jezus dit doet voor het lichaam der mensen, en daarom moet gij tot de gevolgtrekking komen, dat Hij het is, die komen zou om het te doen voor de zielen der mensen, en gij moet geen ander verwachten. Tot zijne wonderen in het rijk der natuur heeft Hij dit toegedaan in het rijk der genade, vers 22 :den armen wordt het Evangelie gepredikt, hetgeen naar zij wisten, door den Messias gedaan zou worden, want Hij was gezalfd om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen Jesaja 61:1, en de zielen der nooddruftigen te verlossen, Psalm 72:13. Oordeelt dus zelf, of gij iemand kunt verwachten, die meer ten volle zal beantwoorden aan den aard en de eigenschappen van den Messias en het grote doel Zijner komst.
4. Hij gaf hun een wenk van het gevaar, waarin de mensen waren om, in weerwil van deze blijken en bewijzen dat Hij de Messias is, tegen Hem bevooroordeeld te zijn, vers 23.
Zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden. Wij bevinden ons hier in een toestand van op-de- proefstelling, en het is in overeenstemming met dien toestand dat, gelijk er genoegzame redenen zijn om de waarheid te bevestigen voor hen, die eerlijk en onpartijdig er naar zoeken en wier hart bereid is haar te ontvangen, er evenzo bezwaren en tegenwerpingen zijn om de waarheid te omsluieren voor hen, die zorgeloos, wereldsgezind en zinnelijk zijn. Christus' opvoeding te Nazareth, Zijn wonen in Galilea, de geringheid van Zijne familie en betrekkingen, Zijne armoede en het verachtelijke aanzien Zijner volgelingen-deze en dergelijke zaken waren voor velen stenen des aanstoots, struikelblokken, waar al Zijne wonderen hen niet over heen konden helpen. Hij is zalig, want hij is wijs, nederig en welgezind, die door deze vooroordelen niet wordt overwonnen. Het is een teken dat God hem gezegend heeft, want het is door Zijne genade, dat hij over die struikelblokken heen geholpen is, en hij zal in waarheid gezegend, zalig zijn in Christus.
II. Wij hebben hier den hogen lof aan Johannes de Doper toegekend door Christus, niet terwijl diens boodschappers nog tegenwoordig waren (opdat Hij den schijn niet zou hebben van hem te vleien) maar toen zij weggegaan waren, vers 24, om het volk bewust te maken van de voorrechten, die hun door Johannes' bediening ten deel waren gevallen, en waarvan zij nu door zijne gevangenschap waren verstoken. Laat hen nu eens bedenken wat zij uitgegaan zijn in de woestijn te aanschouwen, wie het was, van wie zoveel werd gesproken, en die zulk een grote en algemene verwondering had teweeggebracht. "Welnu", zegt Christus, "Ik zal het u zeggen "
1. Hij was een man, die zich in alles volkomen gelijk bleef, een man van onwankelbare standvastigheid. Hij was geen riet, dat van den wind ginds en weer bewogen wordt, eerst in ene richting en dan weer in een andere, draaiende met elke wind, hij was standvastig als een rots, niet wispelturig als een riet. Indien hij zich als een riet voor Herodes had kunnen buigen, en zich gevoegd en geplooid had naar het hof, dan zou hij er een gunsteling geweest zijn, maar hij achtte op geen van deze dingen.
2. Hij was een man van ongeëvenaarde zelfverloochening, een groot voorbeeld van minachting van de wereld. Hij was geen man met zachte klederen bekleed en in wellust levende, vers 25, integendeel, hij woonde in een woestijn, en heeft zich in overeenstemming hiermede gekleed en gevoed. In plaats van het lichaam op te smukken en te vertroetelen, heeft hij het bedwongen en tot dienstbaarheid gebracht.
3. Hij was een profeet, had zijne opdracht en zijne instructies onmiddellijk van God, en niet van een mens of door een mens. Van geboorte was hij een priester, maar hier wordt nooit op gelet, want zijne heerlijkheid als profeet stelde de eer van zijn priesterschap in de schaduw. Ja, hij was meer, hij was veel meer dan een profeet, vers 26, dan enig profeet van het Oude Testament, want zij hebben van Christus gesproken uit de verte, hij sprak van Hem als zijnde aan de deur. 4. Hij was de voorloper en wegbereider van den Messias, en van hem zelven is in het Oude Testament geprofeteerd. Deze is het van welken geschreven is, Maleachi 3:1, Ziet, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, vers 27. Eer Hij den Meester zelf zond, zond Hij een boodschapper, om kennis te geven van Zijne komst, en het volk te bereiden om Hem te ontvangen. Indien de Messias als een wereldlijk vorst had moeten verschijnen, zoals de Joden Hem verwachtten, dan zou Zijn boodschapper of in de pracht en praal zijn verschenen van een generaal, of in het sierlijk, kleurrijk gewaad van een wapenkoning, maar het was een voorafgaande, volkomen duidelijke aanduiding van den geestelijken aard van Christus' koninkrijk, dat de bode, dien Hij voor Zijn aangezicht zond om Zijn weg te bereiden, dit deed door bekering te prediken en verbetering van der mensen hart en leven. Voorzeker was dat koninkrijk niet van deze wereld, hetwelk aldus werd ingeleid.
5. Deswege was hij zo groot, dat er werkelijk geen groter profeet geweest is dan hij. Profeten waren de grootsten, die uit vrouwen geboren zijn, meer eerbiedwaardig dan koningen en vorsten, en van alle profeten was Johannes de grootste. Het land wist niet welk een kostelijk, welk een onwaardeerbaar man het bezat, toen Johannes rondging om te prediken. En toch is de minste in het koninkrijk Gods meerder dan hij. De minste Evangeliedienaar, die van den Heere genade heeft verkregen om bekwaam en getrouw te zijn in zijn arbeid, of de minste der apostelen en eerste predikers van het Evangelie, dienende onder een meer uitnemende bedeling, hebben een eervoller ambt dan Johannes de Doper. De geringsten van hen, die het Lam volgen, overtreffen verre de grootsten van hen, die Hem voorafgingen. Zij, die dus leven onder de Evangeliebedeling, hebben oneindig groter verantwoordelijkheid.
III. Wij hebben hier de rechtvaardige bestraffing van dat geslacht, op hetwelk noch de bediening van Johannes, noch die van Christus zelf, enigen invloed heeft uitgeoefend.
1. Christus toont hier welk een minachting Johannes de Doper werd aangedaan, terwijl hij predikte en doopte.
a. Zij, die hem enigen eerbied betoonden, behoorden tot het gewone volk, die in de ogen van de voornamen der wereld, eerder een smaad dan een eer voor hem waren, vers 29. Het volk, de ongeletterde menigte, waarvan gezegd werd: Deze schare, die de wet niet kent, is vervloekt, Johannes 7:49, en de tollenaars, mensen van een slechten naam, als zijnde over het algemeen mensen van slechte zeden, of die daarvoor werden gehouden, dezen waren het, die met zijn doop gedoopt werden en zijne discipelen zijn geworden, en dezen, hoewel heerlijke gedenktekenen der Goddelijke genade, hebben toch Johannes in het oog der wereld niet verheerlijkt. Door hun bekering en verbetering van hun levenswandel hebben zij echter God gerechtvaardigd, Zijne wijsheid gerechtvaardigd in het verordineren van zulk een man als Johannes de Doper was om de voorloper van den Messias te zijn. Hierdoor hebben zij getoond, dat dit de beste methode was, die gevolgd kon worden, want voor hen was zij niet ijdel of verloren, wat zij dan ook voor anderen moge zijn.
b. De grote mannen van hun kerk en hun volk, de beschaafden en de staatsmannen, die hem in het oog der wereld eer hadden kunnen aandoen, hebben hem al de oneer aangedaan, die zij konden. Wel gingen zij hem horen, maar lieten zich niet van hem dopen, vers 30. De Farizeeën, die als de vroomsten en Godsdienstigsten golden, en de wetgeleerden, die beroemd waren om hun geleerdheid, inzonderheid om hun kennis van de Schrift, hebben den raad Gods tegen zich zelven verworpen, zij hebben de genade Gods door den doop van Johannes tevergeefs ontvangen. In de zending van dezen boodschapper onder hen heeft God het goede voor hen bedoeld, hun zaligheid, en indien zij met den raad Gods hadden ingestemd, dan zou die voor hen geweest zijn, en zij zouden voor eeuwig gelukkig zijn ge worden, maar zij verwierpen hem, wilden er niet in berusten, en nu was hij tegen hen, hij was hun ten verderve. De weldaad, die voor hen bestemd was, ontging hun, en dat niet alleen, maar zij verbeurden de genade Gods, deden zelf een grendel aan hun deur en, door de tucht af te wijzen, die hen geschikt moest maken voor het koninkrijk van den Messias, sloten zij zelven er zich buiten, en niet slechts sloten zij zich zelven uit, maar zij verhinderden ook anderen door hen in den weg te staan.
2. Hij toont hier de vreemde verdorvenheid van de mensen van dat geslacht in hun vitterij beide op Johannes en Christus, en het vooroordeel, dat zij tegen hen koesterden.
a. Zij hebben de handelwijze door God gevolgd om hun goed te doen als een zaak van scherts behandeld, vers 31. Bij wie zal Ik dan de mensen van dit geslacht vergelijken? Wat kan Ik bedenken, dat dwaas of ongerijmd genoeg is om hen er door voor te stellen? Zij zijn gelijk aan de kinderen, die op de markt zitten, die op niets acht geven, dat ernstig is, maar gans vervuld zijn van spel en vermaak. Alsof God slechts met hen schertste in Zijne methodes om hun goed te doen, zoals kinderen op de marktplaats met elkaar zijn, vers 32. Zij maken zich van alles af met een grapje, en worden er niet meer door bewogen dan door de een of andere vertoning. Dit is het verderf van duizenden, zij kunnen er nooit toe komen om ernstig aan de belangen hunner ziel te denken. Grijsaards, zittende in het sanhedrin, waren slechts als kinderen, zittende op de markten, en niet meer bewogen door hetgeen tot hun eeuwigen vrede dient, dan mensen, die zich tot kinderspel begeven. O hoe verbazingwekkend is de stompzinnigheid en ijdelheid van de blinde en goddeloze wereld! Moge de Heere hen opwekken uit hun gerustheid!
b. Nog vonden zij het een of ander om op te vitten. Johannes de Doper was een man van strenge zeden, leefde veel in de eenzaamheid, en had bewondering moeten opwekken, wijl hij zulk een nederig, sober verloochenend man was. Er had naar hem geluisterd moeten worden als naar een man van diep nadenken, maar hetgeen tot zijn lof was, werd hem tot smaad aangerekend. Omdat hij gekomen is, noch brood etende, noch wijn drinkende, even vrijelijk, overvloedig en vrolijk als anderen, zegt gij: "Hij heeft een duivel, hij is een naargeestig mens, hij is bezeten, zoals hij, die onder de graven verwijlde, al is hij niet even woest als deze." Onze Heere Jezus heeft een vrijer levenswijze gevolgd, Hij is gekomen etende en drinkende, vers 34. Hij ging wel eens eten bij de Farizeeën, hoewel Hij wist dat zij Hem niet beminden, en bij tollenaars, hoewel Hij wist dat zij Hem geen eer waren in de ogen der wereld, maar in de hoop van aan beiden goed te doen, is Hij op gemeenzame wijze tot hen gegaan. Hieruit blijkt dat de dienstknechten van Christus zeer verschillend kunnen zijn van aard en neiging, zeer verschillend in hun wijze van prediken en van leven, en toch allen goed en nuttig kunnen zijn, verscheidenheid van gaven, maar ieder tot hetgeen oorbaar is. Daarom moet niemand zich aan anderen ten maatstaf stellen, en geen hard oordeel stellen over hen, die niet juist zo doen of handelen als hij. Johannes de Doper heeft van Christus getuigd, en Christus heeft Johannes de Doper geprezen, hoewel zij in hun wijze van leven gans tegenovergesteld waren aan elkaar. Maar de vijanden van beiden hebben hen beiden gelaakt. Dezelfde mensen, die Johannes hadden voorgesteld als gekrenkt in zijn verstand, omdat hij gekomen is etende noch drinkende, stelden onzen Heere Jezus voor als verdorven van zeden, omdat Hij gekomen is etende en drinkende. Hij is een vraat en wijnzuiper. De kwaadwilligheid spreekt nooit goed. Zie de boosaardigheid van goddeloze mensen, en hoe zij alles in een slecht daglicht stellen, dat zij in het Evangelie ontmoeten en in de predikers en belijders er van. Hiermede denken zij hen in minachting te brengen, maar in werkelijkheid verderven zij slechts zich zelven.
3. Hij toont dat desniettemin God in de behoudenis van een verkoren overblijfsel zal verheerlijkt worden, vers 35. De wijsheid is gerechtvaardigd geworden van al hare kinderen. Er zijn de zodanige, die zich der wijsheid geven als hare kinderen, en door de genade Gods zullen zij zich overgeven aan de leiding en de heerschappij der wijsheid, en zo zullen zij de wijsheid rechtvaardigen in de middelen, die zij aanwendt om hen tot die onderwerping te brengen, want voor hen hebben zij kracht van uitwerking, en aldus blijken zij goed gekozen te zijn. De kinderen der wijsheid zijn hieromtrent eenstemmig, allen scheppen zij behagen in de methode der genade, die de Goddelijke wijsheid volgt, en zij denken er nooit minder gunstig over, wijl zij door sommigen bespot wordt.