2 Samuël 5:1-5
I. Hier is het nederig verzoek van al de stammen aan David om de regering op zich te nemen, (want zij waren nu als schapen zonder herder) en hun erkenning van hem als hun koning. Hoewel David de moord op Isboseth volstrekt niet kon goedkeuren, kon hij toch wel gebruik maken van het voordeel, dat er door verkregen werd, en de aanbieding aannemen, die hem toen gedaan werd. Juda had zich meer dan zeven jaren geleden aan David als hun koning onderworpen, en hun gelukkige toestand onder zijn regering moedigde de overige stammen aan om hem insgelijks tot hun koning te begeren. In 1 Koningen 12:23 wordt ons meegedeeld in hoe groten getale zij uit de stammen tot hem kwamen, en in welke ijver en oprechtheid, en hoe zij gedurende drie dagen te Hebron onthaald werden, toen zij allen een van zin waren om David koning te maken. Hier wordt ons slechts hun verzoek meegedeeld, en op welke grond zij David tot hun koning maakten.
1. Hun verwantschap met hem was een van de beweegredenen: Uw gebeente en uw vlees zijn wij, vers 1. Niet alleen zijt gij ons gebeente en ons vlees, geen vreemdeling, onbevoegd volgens de wet om koning te zijn, Deuteronomium 17:15 maar wij zijn uwer, dat is: "wij weten, dat gij ons beschouwt als uw gebeente en uw vlees, een tedere zorg over ons hebt, zoals een mens voor zijn eigen lichaam zorg heeft, hetgeen Saul en zijn huis niet gehad hebben. Wij zijn uw gebeente en uw vlees, en daarom zal het u evenzeer verheugen als ons, om een einde te zien aan deze langdurige burgeroorlog, en gij zult u over ons ontfermen, ons beschermen, en alles doen wat gij kunt om ons welzijn te bevorderen." Zij, die Christus tot hun Koning aannemen, kunnen aldus bij Hem pleiten: "Wij zijn Uw gebeente, en uw vlees, Gij hebt U in alles Uw broederen gelijk gemaakt", Hebreeën 2:17, wees Gij daarom onze heerser, en laat dit verderf, of deze verwoesting onder Uw hand zijn.
2. Zijn vorige goede diensten aan het publiek waren nog een andere drijfveer, vers 2. " Toen Saul koning was, hij was slechts de nul, gij waart het cijfer, waart gij Israël uitvoerende ten strijde, en inbrengende in zegepraal, wie is er dus zo geschikt als gij om de ledigstaande troon te beklimmen?" Hij die getrouw is over weinig, verdient over veel te worden gezet. Goede diensten, ons vroeger bewezen, moeten als er gelegenheid toe is door ons herdacht worden.
3. Het Goddelijk bestel was de sterkste drijfveer van allen. De Here heeft tot u gezegd: Gij zult Mijn volk Israël weiden, dat is: gij zult hen besturen, want vorsten moeten hun volk weiden als herders, in alles met het voordeel en welzijn van hun onderdanen te rade gaan maar hen niet uitzuigen. "En gij zult niet slechts een koning zijn om in vrede te regeren, maar een voorganger zijn in de krijg, en blootgesteld zijn aan al de moeite en gevaren van het kamp". Daar God het gezegd heeft, worden zij nu eindelijk door de nood gedrongen om het ook te zeggen.
II. De openbare en plechtige inhuldiging van David, vers 3. Er werd een vergadering van de staten bijeengeroepen, al de oudsten van Israël kwamen tot hem, de overeenkomst werd vastgesteld, de "pacta conventa" bezworen en door beide zijden ondertekend. Hij verplichtte zich hen in vrede als hun richter te beschermen, en als hun voorganger of aanvoerder in de krijg, en zij namen de verplichting op zich hem te gehoorzamen hij maakte een verbond met hen, waarvan God getuige was, het was voor het aangezicht des Heren. Hierop werd hij-nu voor de derde maal-tot koning gezalfd. Zijn verheffing ging trapsgewijze, opdat zijn geloof zou beproefd worden, en hij ervaring zou verkrijgen. En zo is zijn koninkrijk een type geweest van dat van de Messias, hetwelk trapsgewijze tot zijn volle hoogte moet komen, want "nu zien wij nog niet dat Hem alle dingen onderworpen zijn," Hebreeën 2:8, maar wij zullen het zien, 1 Corinthiers 15:25.
III. Een algemeen bericht van zijn regering en zijn leeftijd. Hij was dertig jaar oud toen hij begon te regeren na de dood van Saul, vers 4. Op die leeftijd werden de Levieten het eerst aangesteld om hun dienstwerk aan te vangen, Numeri 4:3. Op die leeftijd ongeveer is de Zone Davids tot Zijn openbare bediening ingegaan, Lukas 3:23. Dan komen de mensen tot hun volle rijpheid en kracht en oordeel. In het geheel regeerde hij veertig jaren en zes maanden, waarvan zeven en een half jaar te Hebron, en drie en dertig jaren te Jeruzalem, vers 5. Hebron is vermaard geweest, Jozua 14:15, het was een priester stad, maar Jeruzalem zal meer vermaard zijn, zij zal de heilige stad wezen. Grote koningen hebben zich steden gebouwd, Genesis 10:11, 36:32-35. David heeft dit gedaan, en het was Jeruzalem, de stad Davids. Het was een naam, vermaard tot aan het einde van de Bijbels, Openbaring 21, waar wij lezen van een nieuw Jeruzalem.