Mattheus 2:19-23
Hier hebben wij Christus' terugkeer uit Egypte naar het land Israël's. Egypte kan dienen, om er tijdelijk te verblijven, of er ene toevlucht te zoeken, maar niet om er altijd te wonen. Christus was gezonden tot de verlorene schapen van het huis Israël's, en daarom moet Hij tot hen terugkeren. Merk op, l. Wat het was, dat Hem den weg baande om terug te keren, -de dood van Herodes, die niet lang na den kindermoord plaats had, sommigen denken, niet langer dan drie maanden. Zo snel heeft Gods wrake hem achterhaald! Herodes moet sterven, hovaardige tirannen, die in het land der levenden de schrik waren van de machtigen, en de verdrukkers der Godvruchtigen. hun dag moet komen wanneer zij vallen. Wie zijt gij, dat gij u vreest voor den mens, die sterven zal? (Jesaja 51:12, 13) inzonderheid bedenkende, dat bij hun dood niet slechts hun haat en hun nijdigheid vergaan (Prediker 9:6), en ophouden van te beroeren (Job 3:17), maar ook gestraft worden. Van alle zonden is het de schuld aan onschuldig bloed, die het snelst de mate vol maakt. Het bericht, dat Josephus geeft van den dood van dezen zelfde Herodes (Antiq. Judas lib. XVII. Cap. VI, VII), is ontzettend. Hij werd door ene ziekte aangetast, die hem onder de hevigste folteringen inwendig verbrandde. Hij was onverzadelijk gulzig, had koliek, en zijne ziekte ging vergezeld van zulk een ondraaglijken stank, dat niemand tot hem kon naderen. Daarbij was hij zo driftig en ongeduldig, dat hij ene kwelling was voor zich zelven en een schrik voor allen, die hem verzorgden. Zijne aangeboren wreedheid aldus geprikkeld zijnde, werd hij barbaarser dan ooit te voren. Hij gaf bevel zijn eigen zoon te doden, liet velen van de edelen en aanzienlijken in de gevangenis werpen, en ordonneerde, dat zij onmiddellijk, nadat hij gestorven was, ter dood gebracht moesten worden, de uitvoering van dat vonnis werd echter voorkomen. Zie wat soort van mensen het waren, die de vijanden en vervolgers zijn geweest van Christus en Zijne volgelingen. Er zijn weinigen, die het Christendom hebben tegengestaan, die niet eerst elke menselijkheid hadden afgeschud, zoals wij zien kunnen in Nero en Domitianus.
II. De orders van den hemel gegeven voor hun terugkeer, en Jozefs gehoorzaamheid aan die orders, vers 18-21. God had Jozef naar Egypte gezonden, en dáár bleef hij, totdat Hij, die hem derwaarts had gebracht, hem beval om weer te vertrekken. Die orders werden hem overgebracht door een engel. Als wij de gemeenschap met God blijven aanhouden, dan zal Hij die aanhouden met ons, overal waar wij zijn. Gene plaats ter wereld kan Gods genaderijke bezoeken voor ons afsluiten. Engelen komen tot Jozef in Egypte, tot EZECHIËL in Babylon en tot Johannes op Patmos. Nu bericht de engel hem
a. den dood van Herodes en zijne medeplichtigen: Zij zijn gestorven, die de ziel van het Kindeken zochten. Zij zijn dood, maar het Kindeke leeft. Vervolgde heiligen blijven soms in het leven om op de graven hunner vervolgers te treden. Aldus heeft de Koning der kerk den storm doorstaan, en menige storm heeft de kerk op gelijke wijze doorstaan. Zij zijn gestorven, namelijk, Herodes en zijn zoon Antipater, die, hoewel zij naijverig op elkaar waren, toch waarschijnlijk hierin samen stemden, om het verderf van dezen nieuwen Koning te zoeken. Als nu Herodes eerst Antipater ombrengt, en dan zelf sterft, dan is het gevaar geweken, als het ene boze instrument het verderf is van het andere, dan is de Heere bekend geworden, Hij heeft recht gedaan.
b. Hij wijst hem aan wat hij doen moet. Hij moet trekken in het land Israël's, en hij deed het, zonder dralen of uitstel. Hij voerde niet als verontschuldiging aan, dat hij tamelijk goed gevestigd was in Egypte, hij sprak niet van de ongemakken op de reize, inzonderheid, indien het, zoals men veronderstelt, in het begin van den winter was dat Herodes is gestorven. Gods kinderen volgen, waar Hij hen leidt, en blijven, waar Hij hen doet wonen. Indien wij de wereld slechts beschouwden als ons Egypte, de plaats onzer dienstbaarheid en van onze ballingschap, en den hemel als ons Kanaän, ons vaderland, onze ruste, wij zouden wel gaarne en geredelijk opstaan en derwaarts gaan, als wij geroepen worden, zoals Jozef opstond en uit Egypte trok.
III. De verdere leiding, die hij van God ontving, werwaarts hij zich had te wenden, en waar zich in het land Israël's te vestigen, vers 22, 23. God kon hem tegelijk met de vorige deze instructies hebben gegeven, maar God openbaart Zijn wil aan Zijn volk trapsgewijze, opdat zij op Hem zullen blijven wachten, en verwachten zullen verder van Hem te horen. Jozef ontving deze orders in een droom, waarschijnlijk evenals de vorige, door den dienst van een engel. God kon aan Jozef Zijn wil kenbaar hebben gemaakt door het Kind Jezus, maar wij bevinden niet, dat Hij op deze bewegingen en dit heen en weer trekken, acht slaat, en dit was ongetwijfeld, omdat Hij in alles den broederen moest gelijk worden, een kind zijnde, sprak Hij als een kind, en deed Hij als een kind, en trok Hij een sluier over Zijne oneindige kennis en macht, als een kind nam Hij toe in wijsheid. De aanwijzing, die dan nu aan deze heilige, koninklijke familie gegeven wordt, is:
1. Dat zij zich niet in Judea moet vestigen, vers 22. Jozef kon gedacht hebben, dat Jezus, te Bethlehem geboren zijnde, aldaar nu ook opgevoed moest worden, maar hij is voorzichtig en vreest voor het Kindeke, omdat hij hoort, dat Archelaüs in de plaats van zijn vader Herodes regeert, niet over het gehele koninkrijk, zoals zijn vader, maar alleen over Judea, de andere provincies in andere handen overgegaan zijnde. Ziet, welk een opeenvolging van vijanden er is, om tegen Christus en Zijne kerk te strijden! Verdwijnt de een, zijne plaats wordt ingenomen door een ander om de oude vijandschap voort te zetten. Om die reden moet Jozef dan ook het Kindeken niet naar Judea brengen. God wil Zijne kinderen niet in het gevaar doen komen, dan wanneer het is ter Zijner verheerlijking en ter hunner geloofsbeproeving, want kostelijk zijn in de ogen des Heren het leven en de dood Zijner heiligen, hun bloed is Hem dierbaar.
2. Dat zij zich moeten vestigen in Galilea, vers 22. Dáár heerste toen Filippus, die een kalm, zachtaardig man was. Gewoonlijk beschikt de voorzienigheid Gods het zo, dat er ene rustige, veilige wijkplaats is voor Zijn volk tegen den storm, als het ene klimaat te heet en te verschroeiend wordt, zal er een ander wezen, dat koeler en gematigder is. Galilea lag ver naar het Noorden, tussen die provincie en Judea lag Samaria. Zij werden dus naar Galilea gezonden, en wel naar Nazareth, ene stad op een heuvel, in het centrum van het lot van Zebulon. Dáár heeft de moeder onzes Heren gewoond, toen zij zwanger werd van dat Heilige, en waarschijnlijk heeft ook Jozef aldaar gewoond, Lukas 1:26, 27. Daarheen werden zij gezonden, en dáár waren zij welbekend, en bevonden zij zich onder hun bloedverwanten, de geschiktste plaats voor hen om er te wonen. Dáár bleven zij dan ook, en vandáár werd onze Zaligmaker Jezus van Nazareth genoemd, hetgeen voor de Joden ene ergernis was, immers, Kan uit Nazareth iets goeds zijn. Hierin wordt gezegd vervuld te zijn wat gesproken was door de profeten, dat Hij Nazarener geheten zal worden, hetgeen beschouwd kan worden
a. Als een erenaam en waardigheid, hoewel het oorspronkelijke niets anders betekende dan een man van Nazareth, is er toch ene toespeling of ene verborgenheid in, zeggende Christus te zijn: De Man, de scheut, waarvan gesproken wordt in Jesaja 11:1. Het woord, dat aldaar gebruikt wordt, is Netzer, hetwelk of ene scheut of tak, of twijg betekent, of de stad Nazareth, naar die stad genoemd zijnde, wordt Hij verklaard, die Scheut, of tak te wezen. Het duidt Hem aan als den groten Nazarener, van wie de wettelijke Nazareners typen en afschaduwingen zijn geweest (inzonderheid Simson, Richteren 13:5), en Jozef, die een afgezonderde onder zijne broederen wordt genoemd (Genesis 49:26) en op wie het voorschrift betreffende de nazireeër Numeri 6:2 en verder. betrekking heeft. Niet dat Christus, in letterlijken zin, een Nazareeër was, want Hij dronk wijn, en raakte dode lichamen aan, maar Hij was het bij uitnemendheid, d.i. in den hoogsten zin, daar Hij zeer bijzonder heilig was, en door ene plechtige aanwijzing en wijding afgezonderd was tot ere Gods in het werk onzer verlossing, gelijk Simson het geweest is om Israël te verlossen. En wij hebben alle reden om ons in dien naam te verheugen en er Hem bij te kennen. Of
b. als een naam der versmaadheid en minachting. Een Nazarener genoemd te worden, was hetzelfde als een verachtelijk man genoemd te worden, een man, van wie men niets goeds kon verwachten, en aan wie geen eerbied of achting bewezen moest worden. De duivel heeft het eerst dien naam op Christus toegepast, ten einde Hem te verkleinen en het volk tegen Hem in te nemen, en het is de scheldnaam gebleven voor Hem en voor Zijne volgelingen. Nu is dit wel niet bijzonder door een profeet voorzegd, maar in het algemeen werd door de profeten gezegd, dat Hij veracht was en de onwaardigste onder de mensen Jesaja 53:2, 3, een worm en geen man, Psalm 22:7, 8, dat Hij Zijnen broederen vreemd is geworden, Psalm 69:9. Laat geen naam der versmaadheid, die ons om den wille van den Godsdienst gegeven wordt, ons hard toeschijnen, daar onze Meester zelf een Nazarener genoemd werd.