Richteren 11:4-11
I. Wij hebben hier de benauwdheid, waarin de kinderen van Israël waren door de inval van de Ammonieten in hun land, vers 4. Dit was waarschijnlijk dezelfde inval als die, waarvan gesproken is in Hoofdstuk 10:17, toen de kinderen Ammons bijeengeroepen werden en zich legerden in Gilead. En de woorden: Na enige dagen hebben betrekking op hetgeen onmiddellijk aan de uitwerping van Jeftha voorafgaat, enige dagen-hetgeen in het tekstverband betekent vele dagen- nadat hij aldus met schande uitgeworpen was, werd hij met ere teruggehaald.
II. Het aanzoek van de oudsten bij Jeftha om hen te komen helpen. Zij hebben hem niet geschreven, en geen bode tot hem gezonden, maar gingen zelf om hem te halen, vast besloten zijnde, om geen afwijzend antwoord aan te nemen, en de zaak gedoogde ook geen uitstel. Zij kenden niemand in hun eigen midden, die deze belangrijke post op zich kon nemen, en daarom was hun boodschap tot hem, vers 6, Kom, en wees ons tot een overste, en daarmee bekennen zij, dat zij er zichzelf ongeschikt voor achtten. Hem kennen zij als een kloekmoedig, ondernemend man, die er aan gewoon is het zwaard te hanteren, en dus moet hij de man zijn. Zie hoe God de mensen toebereidt voor de dienst, waartoe Hij hen bestemt, en hun moeilijkheden doet medewerken tot hun bevordering. Indien Jeftha niet door de onvriendelijkheid van zijn broeders tot het uiterste was gebracht, dan had hij niet zo'n goede gelegenheid gehad om zijn krijgsgenie aldus te oefenen en te gebruiken, zich aldus te onderscheiden, zodat hij grote vermaardheid verkreeg, spijze ging uit van de eter, en zoetigheid ging uit van de sterke. De kinderen van Israël werden verzameld en legerden zich, Hoofdstuk 10:17. Maar een leger zonder een generaal is als een lichaam zonder hoofd, en daarom zeggen zij: Kom en wees ons ten overste opdat wij strijden. Zie het noodzakelijke van een regering, hoewel zij ijverig genoeg waren voor de zaak, erkennen zij toch, dat zij niet kunnen strijden zonder een overste, die het bevel over hen voert. Zo nodig is het voor elke maatschappij, dat er een "pars imperans" zij, en een "pars subdita", sommigen om te bevelen, en anderen om te gehoorzamen, en dat een gemeenschap veeleer nederig verzoekt om de gunst van onder bevel te mogen staan, dan dat iedereen zijn eigen heer en meester is. Geloofd zij God voor een regering, een goede regering.
III. Jeftha's bedenkingen tegen zijn aannemen van hun aanbod, vers 7. Hebt gijlieden mij niet gehaat en mij uit mijns vaders huis verstoten? Het schijnt dat zijn broeders tot deze oudsten behoorden, of dat deze oudsten door zijn broeders toe te laten hem te mishandelen, en hem geen recht hadden verschaft gelijk zij hadden behoren te doen, (want het is hun werk en roeping de arme en de wees recht te doen, Psalm 82:3, 4) schuld hadden aan zijn uitwerping, zodat hij het hun met recht ten laste kon leggen. "Gij hebt mij gehaat en verstoten, hoe kan ik dan nu geloven dat gij uw voorstel oprecht meent? En hoe kunt gij verwachten dat ik u enigerlei dienst zal bewijzen?" Niet dat Jeftha niet heel graag bereid was zijn land te dienen, maar hij achtte het gepast om hun hun vroegere onvriendelijkheid jegens hem onder het oog te brengen, opdat zij er berouw van zouden hebben en voor het vervolg meer besef zouden hebben van hun verplichtingen. Aldus heeft Jozef zijn broeders verootmoedigd, eer hij zich aan hen bekend heeft gemaakt. Het bijzondere geval tussen de Gileadieten en Jeftha geleek op de algemenen toestand, of stand van zaken, tussen God en Israël in die dagen, zij hadden door hun afgoderij God uitgeworpen, maar toen zij in benauwdheid waren, vroegen zij Hem om hulp, Hij zei hun, dat Hij hen met recht kon verstoten, maar heeft hen toch genadiglijk verlost. Zo heeft ook Jeftha gedaan. Velen veronachtzamen God en goede mensen totdat zij in moeilijkheid, in benauwdheid komen, en dan zijn zij begerig naar Gods genade en wensen zij het gebed van Godvruchtige mensen te hebben. IV. Zij dringen ten zeerste bij hem aan, dat hij de regering, die zij hem aanbieden, zal aanvaarden, vers 8, "Omdat wij u vroeger dit onrecht gedaan hebben, en u te tonen, dat wij er berouw van hebben, en het graag goed willen maken, zijn wij nu tot u weergekomen ten einde u een eer aan te doen, die tegen de aangedane smaadheid kan opwegen." Laat dit voorbeeld ons nu:
1. Ter waarschuwing zijn, om niemand wegens zijn geringheid te verachten of te vertreden of beledigend te zijn jegens hen, tegenover wie wij in het voordeel zijn want, wat wij thans ook van hen kunnen denken, de tijd kan komen dat wij hen nodig hebben en wij hun graag verplicht zullen wezen. Het is onze wijsheid om niemand tot onze vijand te maken, want wij weten niet hoe spoedig wij in omstandigheden kunnen komen, waarin het van het hoogste belang voor ons is om hem tot onze vriend te hebben.
2. Een bemoediging zijn voor mannen van verdienste, die veronachtzaamd en slecht behandeld worden, om dit geduldig en goedsmoeds te dragen, en het aan God over te laten om uit de duistere hoek, waarin zij gedrongen werden hun licht te laten schijnen. In zijn "gezicht op Pisga" zegt Dr. Fuller van deze geschiedenis: "Eens in een eeuw zal de deugd haar eigen bevordering werken, en als het gebeurt, dat zij, die haar haten, haar nodig hebben, dan zullen zij gedwongen zijn haar te bevorderen en in ere te brengen, en dan zal die eer zoveel schitterender uitblinken."
V. Het verdrag, dat hij met hen maakt. Hij had gesproken van het kwaad, dat zij hem vroeger aangedaan hebben, maar ziende dat zij er berouw van hadden, is hij te grootmoedig van aard om er nog verder van te spreken. God had aan Israël de beledigingen vergeven, die zij Hem aangedaan hebben, Hoofdstuk 10:16, en daarom zal ook Jeftha vergeven. Maar hij acht het voorzichtig om voor de toekomst een verstandig verdrag met hen aan te gaan, daar hij te doen heeft met mannen, die hij reden heeft te wantrouwen.
1. Hij doet hun een openhartige vraag, vers 9. Hij spreekt niet met al te groot vertrouwen van zijn welslagen, wetende hoe rechtvaardig God zou kunnen toelaten, dat de Ammonieten de overhand zouden hebben ter verdere bestraffing van Israël, maar begint met een "indien". En hij spreekt in het geheel niet met vertrouwen van zichzelf, indien hij slaagt, het is de Heere, die hen voor zijn aangezicht geven zal, hiermede bedoelende zijn landgenoten er aan te herinneren om op God te zien als de scheidsrechter in de twist en de gever van de overwinning. "Indien ik door de zegen van God als overwinnaar wederkeer, zegt mij nu rond en openhartig: zal ik u dan tot een hoofd zijn? Indien ik u, als werktuig in Zijn hand, verlos, zal ik dan ook het werktuig in Zijn hand zijn om u te hervormen?" Dezelfde vraag wordt gedaan aan hen, die verlossing begeren door Christus. "Indien Hij u verlost, zijt gij dan bereid om u door Hem te laten regeren? Want op geen andere voorwaarden zal Hij u verlossen. Indien Hij u gelukkig maakt zult gij u dan ook door Hem heilig laten maken? Indien Hij uw helper is, zal Hij dan ook uw hoofd zijn?" Zij behoeven geen tijd om er over te denken, of er over te beraadslagen, de zaak was te eenvoudig om nog bespreking nodig te hebben, en de nood te dringend om uitstel te gedogen. Zij wisten gemachtigd te zijn door hen, die zij vertegenwoordigden, om een verdrag aan te gaan, en daarom bevestigden zij het met een eed: De Heere zij toehoorder-of getuige -tussen ons. Zij beroepen zich op Gods alwetendheid voor hun tegenwoordige oprechtheid, en op Zijn gerechtigheid om wraak te doen, indien zij later ontrouw zouden wezen. De Heere zij een toehoorder. Bij alles wat wij spreken moeten wij er aan denken, dat God een toehoorder is, teneinde dienovereenkomstig te spreken. Zo werd dus het oorspronkelijke verdrag tussen Jeftha en de Gileadieten bekrachtigd, waarin geheel Israël later toegestemd schijnt te hebben, want in Hoofdstuk 12:7 wordt gezegd: Jeftha richtte Israël. Hierop ging hij met hen, vers 11, naar de plaats waar zij allen vergaderd waren Hoofdstuk 10:17, en daar werd hij met aller instemming tot een hoofd en overste gesteld, en heeft het volk aldus het verdrag bekrachtigd, dat zijn vertegenwoordigers met hem gesloten hadden, namelijk, dat hij niet slechts nu hun overste zijn zou, maar hun zolang hij leefde ten hoofd zou wezen. Om die kleine eer te verwerven, was Jeftha bereid zijn leven voor hen in de waagschaal te stellen, Hoofdstuk 12:3, en zullen wij dan mismoedig zijn in onze Christelijken strijd wegens de moeilijkheden, die zich aan ons kunnen voordoen, als Christus zelf toch "de kroon van het leven beloofd heeft aan hem, die overwint?"
Vl. Jeftha's Godvruchtige erkenning van God in de grote zaak, vers 11. Hij sprak al zijn woorden voor het aangezicht des Heeren te Mizpa. Dat is: terstond na zijn verheffing trok hij zich terug in de eenzaamheid om in het gebed geheel deze zaak voor de Heere te brengen, beide zijn verkiezing tot het ambt en zijn uitoefening van het ambt, als een, wiens oog op de Heere is, en die zonder Hem niets wil doen of ondernemen, niet steunde op zijn verstand of zijn kloekmoedigheid, maar op God en Zijn gunst. Voor de Heere stort hij al zijn gedachten uit, al zijn zorgen omtrent deze zaak legt hij voor Hem bloot, want Hij veroorlooft ons vrijmoedig met Hem te zijn.
1. "Heere, het volk heeft mij tot hun hoofd gesteld, wilt Gij hun keuze bevestigen, en mij als hun hoofd, onder U, erkennen, onder U en voor U?" God klaagt terecht over Israël, Hosea 8:4. "Zij hebben koningen gemaakt maar niet uit Mij". "Heere", zegt Jeftha, "Ik wil niet door hen tot hoofd gemaakt zijn zonder U. Ik wil de regering niet aannemen, tenzij Gij er mij verlof toe geeft." Indien Abimelech dit gedaan had, hij zou voorspoedig hebben kunnen zijn.
2. "Heere, zij hebben mij tot hun overste gesteld, om voor hun aangezicht heen te gaan in deze strijd met de Ammonieten, zult Gij met mij zijn? Zult Gij voor mijn aangezicht heengaan? Zo niet, doe mij van hier niet optrekken. Heere, geef mij de overtuiging van het recht van de zaak. Verzeker mij van voorspoed in de onderneming." Dit is een zeldzaam voorbeeld, dat door ons allen nagevolgd moet worden, inzonderheid door de groten en aanzienlijken, laat ons in al onze wegen God erkennen, Zijn gunst zoeken, Zijn mond om raad vragen, Hem met ons medenemen, dan zal onze weg voorspoedig zijn. Aldus heeft Jeftha de veldtocht geopend met gebed. En wat zo Godvruchtig begonnen is, zal zeer waarschijnlijk glorierijk eindigen.