Leviticus 2:11-16
I. Hier wordt verboden, dat zuurdesem en honing in hun spijsoffers gedaan zouden worden, van geen zuurdesem en van geen honing zult gijlieden de Heer vuuroffer aansteken, vers 11.
1. De zuurdesem was verboden ter gedachtenis aan het ongedesemde brood, dat zij aten toen zij uit Egypte kwamen. Er werd zoveel spoed vereist bij het doen van hun offeranden, dat het niet gelegen kwam, om op het desemen er van te wachten. Daar in het Nieuwe Testament hoogmoed en geveinsdheid bij zuurdesem worden vergeleken, omdat zij evenals zuurdesem doen zwellen, boosaardigheid en ondeugd bij zuurdesem vergeleken worden, omdat zij gelijk zuurdesem verzuren, moeten wij dit begrijpen en ter harte nemen als een waarschuwing om ons te wachten voor die zonden, die het welbehaaglijke van onze geestelijke offeranden voorzeker zullen bederven. Er moeten reine handen opgeheven worden, zonder toorn, en al onze evangelie maaltijden moeten gehouden worden van het ongezuurde brood van de oprechtheid en waarheid.
2. Honing was verboden, hoewel Kanaän er van overvloeide, want veel honing te eten is niet goed, Spreuken 25:16, 27, hij wordt tot gal en bitterheid in de maag, al is hij ook aangenaam in de mond. Sommigen denken dat de voornaamste reden waarom deze twee dingen, zuurdesem en honing, verboden waren, was, omdat de heidenen ze zeer veel in hun offers gebruikten, en Gods volk moet de weg van de heidenen niet leren, noch er gebruik van maken. Zijn diensten moeten het tegenovergestelde zijn van hun afgodische diensten, zie Deuteronomium 12:30, 31. Sommigen maken van dit dubbel verbod deze toepassing: Zuurdesem betekent smart en droefgeestigheid: Mijn hart was gezwollen, Psalm 73:21, liep op als een zuurdeeg i). Honing betekent zinnelijk genot en vrolijkheid. In ons dienen van God moeten die beiden vermeden worden, een middenweg moet gehouden worden tussen deze twee uitersten want de droefheid van de wereld werkt de dood, en liefde voor de genietingen van de zinnen is een grote vijand van heilige liefde.
II. Voor al hun offeranden wordt zout vereist, vers 13. Het altaar was de tafel van de Heer, en daar nu altijd zout is op onze tafel, wil God, dat het altijd aan Zijn tafel gebruikt wordt. Het wordt genoemd het zout van het verbond, omdat, gelijk de mensen hun verbonden met elkaar bevestigden door samen te eten en te drinken, bij al welke maaltijden zout gebruikt werd, zo heeft God, door de gaven van Zijn volk aan te nemen en hen onthalende op Zijn offers, avondmaal houdende met hen en zij met Hem, Openbaring 3:20, Zijn verbond met hen bevestigd. Onder de ouden was zout een symbool van vriendschap. Het zout voor de offers werd niet meegebracht door hen, die kwamen offeren, maar werd, evenals het hout op kosten van het algemeen verstrekt, Ezra 7:22. En er was in de voorhof van de tempel een kamer, de zoutkamer genoemd, waarin het bewaard werd. Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? God wilde hun hierdoor te kennen geven, dat hun offeranden op zichzelf onsmakelijk waren. De heiligen, die levende offeranden voor God zijn, moeten zout hebben in zichzelf, want "iedere offerande zal met zout gezouten worden," Markus 9:49, 50, en ons woord moet te allen tijd in aangenaamheid zijn, met zout besprengd, en met dat zout moeten al onze godsdienstige verrichtingen gekruid zijn. Het christendom is het zout van de aarde.
III. Er worden bevelen gegeven voor het brengen van de eerstelingen.
1. De offeranden van de eerstelingen van hun oogst, waarvan wij lezen in Deuteronomium 26:2. Dezen werden aan de Heer geofferd, niet om verbrand te worden op het altaar, maar om aan de priesters gegeven te worden, als emolumenten aan hun ambt verbonden, vers 12. En gij zult ze offeren (dat is, zuurdesem en honing) in de offeranden van de eerstelingen, hoewel zij in andere spijsoffers verboden waren, want zij waren zeer geschikt om gegeten te worden door de priesters, hoewel niet geschikt om op het altaar verbrand te worden. Er wordt bijzonder bevolen dat de broden van de eerstelingen gedesemd gebakken moeten worden, Leviticus 23:17. En wij lezen van de eerstelingen van de honing die naar het huis Gods gebracht werden, 2 Kronieken 31:5.
2. Een spijsoffer van hun eerste vruchten. Het vorige werd vereist door de wet, maar dit was een vrijwillig offer, vers 14-16. Als iemand in dankbaar bewustzijn van Gods goedheid jegens hem door hem hoop te geven op een overvloedige oogst, geneigd was een offer te brengen in natura onmiddellijk van zijn veld, en het God aan te bieden, en daarin zijn afhankelijkheid van God en zijn verplichtingen jegens Hem te erkennen:
a. Zo laat hem dan de eerste rijpe en volle aren brengen, geen kleine of half verdorde. Al wat in offerande aan God gebracht wordt, moet het beste van zijn soort zijn, al bestond de offerande ook slechts uit groene korenaren. Wij spotten met God en bedriegen onszelf, als wij denken Hem af te schepen met wat verdorven is, terwijl wij een mannetje in onze kudde hebben, Maleachi 1:14.
b. Deze groene aren moeten bij het vuur gedroogd worden, opdat het koren er uit geslagen kon worden. Van groene aren wordt niet verwacht wat met recht verwacht kan worden van die welke men rijp heeft laten worden. Indien zij, die jong zijn, Gods werk doen zo goed als zij kunnen, dan zullen zij voor de Heer welbehaaglijk zijn, al doen zij het ook niet zo goed als zij die oud en ervaren zijn. God weet ook groene korenaren te benuttigen, en dat moeten wij ook.
c. Er moet olie en wierook op gedaan worden. Aldus moeten wijsheid en nederigheid de geest, de gezindheid en de diensten van jonge lieden lieflijk maken, en dan zullen hun groene korenaren voor God welbehaaglijk zijn. God schept een bijzonder welbehagen in de eerste rijpe vruchten van de geest, en de uitdrukkingen van vroege vroomheid en godsvrucht. Als zij, die slechts als kinderen kunnen denken en spreken, toch wel denken en spreken, zal God behagen scheppen in hun knoppen en bloesems, en zal de weldadigheid van hun jeugd nooit vergeten.
d. Het moet behandeld worden als andere spijsoffers, vers 16, vergel. vers 9. Hij zal al de wierook offeren, het is een vuuroffer voor de Heer. Het vuur en de wierook schijnen een bijzondere betekenis gehad te hebben. Het vuur wijst op de vurigheid van geest, die in al onze godsdienstige handelingen moet wezen. Wij moeten altijd ijveren in het goede. Heilige liefde tot God is het vuur, waarmee al onze offeranden gebracht moeten worden, anders zijn zij voor God geen lieflijke reuk. De wierook wijst op het middelaarschap en de voorbede van Christus, door welke al onze diensten welriekend zijn gemaakt en Gods genadige aanneming worden aanbevolen. Geloofd zij God, dat wij het wezen hebben, waarvan deze dingen de schaduwen waren, de vrucht, welke onder deze bladeren was verborgen.