Ezra 7:11-26
Wij hebben hier de opdracht door de koning van Perzië aan Ezra verleend, waardoor hij hem macht gaf om ten goede te handelen voor de Joden, en zij is zeer volledig en boven hetgeen verwacht kon worden. Wij veronderstellen dat de opdracht in de gewone vorm is: Artahsastha, koning van de koningen, dat is een te hoge titel om door een sterfelijken mens aangenomen te worden. Hij was wel koning van sommige koningen, maar te spreken alsof hij koning was van alle koningen, dat is zich het kroonrecht aanmatigen van Hem, die alle macht heeft in hemel en op aarde. Hij zendt groeten aan zijn getrouwe en beminde Ezra, die hij een schriftgeleerde noemt in de wet van de God des hemels, vers 12, een titel, waaraan Ezra-gelijk hieruit blijkt-waarde hechtte, hij begeerde geen andere, neen, zelfs niet toen hij tot de rang van proconsul was verheven. Hij achtte het een grotere eer voor zich een schriftgeleerde te zijn van Gods wet, dan een pair of rijksvorst te zien. Beschouwen wij de artikelen van zijn lastbrief.
I. Hij geeft Ezra verlof om naar Jeruzalem te gaan en zovelen van zijn landslieden als wilden, met hem te doen optrekken, vers 13. Hij en zij waren gevangenen, en daarom konden zij zonder zijn koninklijke vergunning zijn gebied niet verlaten.
II. Hij geeft hem macht om een onderzoek in te stellen naar de zaken van Juda en Jeruzalem, vers 14. De regel van zijn onderzoek moest wezen de wet van zijn God, die in zijn hand is. Of de Joden in hun Godsdienst naar die wet hadden gedaan en nog deden? Of de tempel gebouwd was, het priesterschap geregeld was, de offeranden geofferd werden naar het voorschrift Gods? Indien hij na gedaan onderzoek iets vond dat verkeerd was, dan moest dat verbeterd worden, en evenals Titus in Creta moest hij "hetgeen ontbrak" "terechtbrengen," Titus 1:5. Aldus wordt Gods wet grootgemaakt en verheerlijkt, en aldus worden de Joden in hun aloud privilegie hersteld om zichzelf te regeren door die wet, en waren zij niet langer onder "beschikkingen, die niet goed waren", de beschikkingen van hun verdrukkers, Ezechiël 20-25.
III. Hij vertrouwt hem het geld toe, dat door de koning zelf en zijn raadsheren vrijwillig gegeven en gecollecteerd was onder zijn onderdanen voor de dienst van het huis Gods, vers 15, 16. Laat hierop gelet worden:
1. Tot eer van God, als de enig levende en ware God, want zelfs zij, die andere goden aanbaden, waren zo overtuigd van de opperheerschappij van de God Israëls, dat zij bereid waren onkosten te dragen om zich alzo in Zijn gunst aan te bevelen. Zie Psalm 45:13, 68:30.
2. Tot lof van deze heidense koning dat hij de God Israëls eerde, hoewel Zijn aanbidders slechts een handvol arme, geringe lieden waren, niet instaat om zelf de kosten van hun eigen Godsdienst te dragen, en die nu zijn vazallen waren, en dat, ofschoon niet op hem gewerkt was om zijn eigen valse godsdienst te verzaken, hij toch de Joden beschermde en aanmoedigde in hun Godsdienst, en niet maar zei: wordt warm en wordt verzadigd, maar hun gaf wat zij nodig hadden.
3. Tot versmading van de nagedachtenis van de slechte koningen van Juda, zij, die opgevoed waren in de kennis en aanbidding van de God van Israël, Zijn wet hadden, en ook dikwijls Zijn profeten, plunderden en verarmden de tempel, en hier is nu een heidense koning, die hem verrijkt. Zo werd later het Evangelie verworpen door de Joden, maar welkom geheten door de heidenen. Zie Romeinen 11:11. "Door hun val is de zaligheid de heidenen geworden," Handelingen 13:46. Ezra wordt hier gemachtigd:
a. Om dit geld te ontvangen en het naar Jeruzalem te brengen, want hij was een man van bekende eerlijkheid en trouw, in wie zij dus vertrouwen konden stellen, zij konden er zeker van zijn, dat hij van hetgeen voor de publieke belangen gegeven was, niet het minste of geringste ten eigen bate zou aanwenden. Wij bevinden dat aan Paulus ook eens zo'n boodschap was opgedragen, toen hij naar Jeruzalem ging, namelijk om "aalmoezen te doen aan zijn volk en offeranden," Handelingen 24:17.
b. Om dit geld op de best mogelijke wijze te besteden, namelijk voor offeranden om op het altaar Gods geofferd te worden vers 17 en voor welk ander doeleinde hij en zijn broederen nodig zouden achten, vers 18, slechts met deze beperking dat het naar het welgevallen huns Gods zou zijn, waarmee zij beter bekend waren dan hij. Laat het welgevallen Gods altijd de regel zijn voor onze uitgaven en inzonderheid voor wat wij uitgeven in Zijn dienst. Gods werk moet altijd naar Zijn wil en welbehagen gedaan worden. Behalve geld werden hem ook vaten gegeven ten dienste van de tempel, vers 19. Cyrus gaf terug wat naar recht aan de tempel behoorde, maar deze werden nog daarenboven gegeven, en zo ontving hij het zijne terug met interest. Dezen moet hij weergeven voor de God van Jeruzalem, als bedoeld zijnde tot Zijn eer, daar waar Hij Zijn naam gesteld heeft.
IV. Hij geeft hem een wissel of liever een bevelschrift, voor al zijn schatmeesters aan gene zijde van de rivier, om hem uit des konings inkomsten te voorzien van hetgeen hij nodig zou hebben, en het op rekening van de koning te stellen, vers 20-22. Dit was zeer bedachtzaam gehandeld, want daar Ezra nog een onderzoek moest instellen naar de stand van de zaken, wist hij niet vooruit wat hij nodig zou hebben, en hij was bescheiden in zijn eisen. Het was ook vriendelijk gehandeld, en het getuigde van grote genegenheid voor de tempel en groot vertrouwen in Ezra. Het is het belang van vorsten en van voorname, aanzienlijke personen, om hun rijkdom en macht aan te wenden ter ondersteuning en aanmoediging van de Godsdienst. Waar anders dienen grote inkomsten toe, dan om de mensen instaat te stellen veel goed van die soort te doen, zo zij slechte een hart hebben om het te doen.
V. Hij beveelt hem dat niets van hetgeen nodig was in of voor de tempel tot eer van de God Israëls verzuimd of nagelaten zou worden.
Merk op in dit bevel, vers 23 :
1. Met hoeveel eerbied hij van God spreekt.
Tevoren had hij Hem de God van Jeruzalem genoemd maar, opdat men niet zou denken dat hij Hem slechts als een lokale godheid beschouwt, noemt hij Hem hier tweemaal met groten eerbied de God des hemels.
2. Hoe nauwkeurig hij let op het woord en de wet van God, die hij waarschijnlijk gelezen en bewonderd had. "Al wat naar het bevel van uw God is," (wiens inzettingen hij zich, hoewel hij zich koningen van de koningen noemde, niet in het minst of geringst aanmatigde te veranderen, tittel of jota er aan toe te voegen) "laat het gedaan worden, laat het vlijtiglijk gedaan worden, met zorg en spoed." En: 3. Met hoeveel zorg hij de toorn Gods afbidt. Waartoe zou er grote toorn zijn over het koninkrijk? Het verwaarlozen en verachten van de Godsdienst brengen de oordelen Gods over koningen en koninkrijken, en het beste middel om Zijn toorn, als hij op het punt is van tegen een volk los te barsten, af te wenden, is: de Godsdienst te steunen en aan te moediger. Willen wij onze vrede en voorspoed bewaard zien? Laat ons zorgen dat de zaak Gods niet kwijnt.
Vl. Hij ontheft al de dienaren van de tempel van belasting te betalen aan de regering, van de voornaamsten van de priesters tot de geringsten van de Nethinim, de beambten van de koning mochten de accijns, oude impost of tol van hen niet eisen, die door de andere onderdanen van de koning betaald moesten worden, vers 24. Hiermede werd hun grote eer aangedaan als vrije burgers van het rijk, en het zal hun de achting en de gunst van de kroon verzekeren, en zij kunnen hun bediening er temeer goedsmoeds en met temeer vrijheid door waarnemen. Wij veronderstellen dat het alleen voor hetgeen zij nodig hadden voor zich en hun gezin en voor het onderhoud van hun bediening was, dat hun die vrijdom van belasting werd toegestaan, indien iemand uit dit privilegie aanleiding zou nemen om handel te gaan drijven, dan zou hij er het voordeel van verliezen.
VII. Hij machtigt Ezra om rechters en magistraten aan te stellen over de Joden aan de andere kant van de rivier, vers 25, 26. Het was een grote gunst voor de Joden om die overheidspersonen uit hun eigen volk te hebben, inzonderheid als zij door Ezra benoemd werden.
1. Allen, die de wetten van Ezra's God weten dat is: allen, die de Joodse Godsdienst belijden, moesten onder het rechtsgebied van deze rechters zijn, hetgeen aanduidt dat zij van het rechtsgebied van de heidense magistraten ontslagen waren.
2. Aan deze rechters werd toegestaan, ja zij werden zelfs aangemoedigd, proselieten te maken, aan wie de wetten Gods niet weet, zult gijlieden die bekendmaken. Hoewel hij zelf niet tot de Joodse Godsdienst wilde overgaan, liet hij het zijn onderdanen toe om dit wel te doen
3. Zij worden gemachtigd om aan het oordeel dat zij uitspraken, en de orders die zij gaven overeenkomstig de wet van God (die hierdoor ook tot wet van de koning wordt gemaakt), kracht bij te zetten door strenge strafbepalingen-gevangenisstraf, verbanning, geldboete of de dood, naar dat hun wet het voorschrijft. Het wordt hun niet vergund nieuwe wetten te maken, maar zij moeten er voor zorgen dat Gods wetten behoorlijk worden nagekomen, en zo wordt hun het zwaard toevertrouwd onn een schrik te zijn voor de kwaaddoeners. Wat zou Josafat, of Hizkia, of David zelfs, als koning meer hebben kunnen doen voor de eer van God en de bevordering van de Godsdienst?