2 Kronieken 31:1-10
Wij hebben hier een bericht van hetgeen gedaan werd na het pascha, hetgeen tevoren ontbrak in de plechtigheden van de voorbereiding werd vergoed door hetgeen beter is, namelijk een goed gebruik ervan daarna.
Als de Godsdienstoefeningen op een dag des Heeren, of bij een Avondmaalsviering voleindigd zijn, dan moeten wij niet denken dat het werk nu gedaan is.
Neen, dan begint het moeilijkste deel van het werk, hetgeen daarin bestaat, dat wij door gedrag en wandel tonen dat Gods inzettingen indruk hebben gemaakt op ons gemoed. Zo was het hier, toen dit alles voleindigd was, was er nog meer te doen.
I. Zij legden er zich met kracht op toe om alle overblijfselen en monumenten van de afgoderij te vernielen. De koning had hierin alles gedaan wat hij kon, 2 Koningen 18:4, maar het volk kon de onheilige overblijfselen ontdekken, welke aan het oog van de beambten des konings ontsnapt waren, en daarom togen zij uit, om te zien wat zij doen konden, vers 1.
Dit werd terstond na het pascha gedaan. De lieflijkheid van gemeenschap met God moet heilige ijver en toorn in ons ontsteken tegen zonde, tegen alles wat God beledigt. Indien onder het waarnemen van een inzetting Gods ons hart brandende in ons is geworden, dan zal die geest van de branding het schuim van het bederf verteren: "Wat heb ik nu meer met de afgoden te doen? Hun ijver in het vernielen van de opgerichte beelden en bossen, de hoogten en de altaren bleek hierin":
1. Dat zij het niet alleen deden in de steden van Juda en Benjamin, maar ook in die van Efraïm en Manasse.
Sommigen denken dat die steden bedoeld zijn, welke onder de bescherming en het rechtsgebied van de koningen van Juda gekomen zijn.
Anderen denken dat, daar Hosea de koning van Israël, het niet verbood, hun ijver hen uitdreef om zelfs in vele delen van zijn rijk de afgoderij uit te roeien. Diegenen tenminste, die uit Efraïm en Manasse kwamen om het pascha te houden, -gelijk velen gedaan hebben, Hoofdstuk 30:18 vernielden al hun eigen beelden en bossen, en deden hetzelfde voor velen, op wie zij invloed hadden of van wie zij de toestemming konden krijgen om het te doen.
Wij moeten niet slechts onszelf verbeteren of hervormen, maar alles doen wat wij kunnen om ook anderen te verbeteren.
2. Zij vernielden ze allen, zij spaarden er geen uit gunst of genegenheid, hetzij voor de beelden of voor hen die ze aanbaden, al waren die beide ook nog zo antiek, of zo kostbaar of zo fraai, of zo kunstig bewerkt allen moesten zij vernield worden. Zij, die zich in oprechtheid stellen tegen de zonde, zullen zich stellen tegen alle zonde.
3. Hoewel zij langen tijd afwezig waren geweest, wilden zij niet naar huis gaan voordat dit gedaan was. Zij konden zich niet gerust en veilig achten in hun steden, zolang de beelden en bossen, die verraders en verdervers van hun land, overeind stonden. Wellicht heeft de profeet Jesaja hierop gedoeld, toen hij weinig tijds tevoren sprak van een dag, wanneer de mensen de afgoden, die zij zelf gemaakt hebben, zullen wegwerpen, Jesaja 2:20, 31:6, 7. Zo heerlijk en verbazingwekkend was deze gezegende reformatie.
II. Hizkia herstelde de afdelingen van de priesters en Levieten, die David had ingesteld en die in de laatsten tijd veronachtzaamd waren, vers 2. De tempeldienst werd weer geregeld naar de oude voorgeschreven wijze. iedereen moest weten wat zijn werk, zijn plaats, zijn tijd was, en wat van hem verwacht werd. Goede orde draagt er zeer veel toe bij om aan een goed werk goeden voortgang te geven.
De priesters werden in hun afdelingen gesteld voor de brandoffers en de dankoffers, van de Levieten in hun afdelingen moesten sommigen de priesters dienen, en werden anderen aangewezen om te loven en te prijzen. Zie 1 Kronieken 23:3, 5, En dit alles in de poort van de legers des Heeren.
De tempel wordt hier een leger genoemd, omdat de tempelvoorrechten beweeglijke dingen zijn, en deze tempel weldra weggenomen, verwoest, zal worden.
III. Hij bestemde een deel van de inkomsten van zijn kroon voor het onderhoud van het altaar. De kosten voor de dagelijkse offers en voor die op de sabbaten, nieuwe maanden, en gezette hoogtijden, kwamen wel voor rekening van het volk, maar, opdat dit geen last voor hen zijn zou, heeft hij ze uit zijn eigen inkomsten bekostigd, vers 3.
Dit was een edelmoedige daad van Godsvrucht, waarin hij te rade ging beide met de eer van God en de verlichting van lasten voor het volk, als een getrouw dienstknecht van Hem en een teder vader voor hen.
Laat vorsten en andere groten van de aarde datgene wèl besteed achten en op goede rente uitgezet, hetwelk zij te koste leggen aan ondersteuning en aanmoediging van de Godsdienst in hun land.
IV. Hij vaardigde een order uit, eerst aan de inwoners van Jeruzalem, vers 4, (opdat zij, die het naast bij de tempel waren en er het meest toe verplicht waren, een goed voorbeeld zouden geven aan Je anderen) maar die later ook gericht was tot, of tenminste aangenomen werd door, de steden van Juda, om nauwkeurig en nauwgezet het door hen verschuldigde aan de priesters en Levieten te betalen.
Dit werd lang verzuimd, en daardoor werd het werk veronachtzaamd, want een schandelijk karig onderhoud van de bedienaren van de Godsdienst zal een ergerlijk verval van de Godsdienst teweegbrengen. Daar nu Hizkia zelf zich zeer milddadig betoond heeft, voegde het hem wel om van zijn volk te eisen dat zij zich rechtvaardig zouden betonen ten opzichte van de tempeldienst. En let op hetgeen zijn oogmerk is, in zijn zorg dat de priesters en Levieten het hun toekomende zouden ontvangen, het is: dat zij aangemoedigd zouden worden in de wet des Heeren, in het bestuderen ervan, en in het doen van hun plicht in overeenstemming er mede.
Merk hier op: 1. Het is betamelijk dat leraren niet slechts onderhouden, maar aangemoedigd worden, opdat zij niet slechts bij hun werk blijven, maar ook het nodige hebben om in welstand te leven, opdat zij het werk met blijmoedigheid doen.
2. Maar zij moeten niet in luiheid en ledigheid onderhouden worden, niet in hoogmoed en weelde, maar in de wet des Heeren, in zelf haar waar te nemen, en in het leren van de goede kennis ervan aan anderen.
V. Hierop bracht het volk zeer geredelijk hun tienden in, er was niets andere nodig dan hen er toe op te roepen, en daarom, zodra het bevel was uitgegaan, werden de eerstelingen van de vruchten en de tienden van de heilige dingen terstond ingebracht, vers 5, 6.
Wat de priesters nodig hadden voor zichzelf en hun gezin, gebruikten zij, en wat er dan nog overbleef legden zij op in hopen, vers 6
Gedurende de hele oogsttijd vermeerderden zij die hopen, naarmate de vruchten des velds binnengebracht werden, want God moest daarvan hebben wat Hem toekwam. Toen de oogst geëindigd was, voleindigden zij hun hopen, vers 7. Nu hebben wij hier:
1. Het rapport, dat aan Hizkia gegeven werd betreffende deze hopen. Hij ondervroeg de priesteren en Levieten aangaande die hopen, waarom zij niet gebruikt hadden wat ingebracht werd, maar het aldus hadden opgegaard, vers 9.
Waarop geantwoord werd dat zij al wat zij nodig hadden hebben gebruikt tot onderhoud van henzelf en hun gezin en voor hun wintervoorraad, maar dat dit alles nu nog over was, vers 10.
Zij hebben deze hopen niet opgegaard uit gierigheid, maar om te tonen welke overvloedige voorziening God voor hen gemaakt had door Zijn wet, zo het slechts ingezameld en ingebracht werd, en dat zij, die nauwgezet aan God het Zijne geven uit hun bezittingen, een zegen brengen op alles wat zij hebben.
Van dat men deze heffing begonnen heeft tot het huis des Heeren te brengen, is er te eten geweest en verzadigd te worden, ja over te houden tot overvloed toe, want de Heere heeft Zijn volk gezegend.
Zie hiervoor Haggai 2:19, 20. "Beproeft Mij", zegt God, "indien gij Mij anders niet vertrouwen wilt, of er op uw inbrengen van de tienden in het schathuis, geen zegen op u afgegoten zal worden," Maleachi 3:10, 11 , Ezechiël 44:30.
2. De dankbare erkenning van de koning en de vorsten ervan. Zij zegenden, dat is zij dankten, de Heere voor Zijn goede voorzienigheid, die hun iets te brengen gaf, en voor Zijn goede genade, die hun een hart gaf om het te brengen.
En zij zegenden ook het volk, dat is, zij prezen hen voor wel doen nu, zonder hun hun vroegere veronachtzaming te verwijten. Het is opmerkelijk dat zij, na de lieflijkheid van Gods inzettingen gemaakt te hebben in het aangename, troostrijke pascha, dat zij gehouden hebben, nu zo vrijgevig waren om de tempeldienst te onderhouden.
Zij, die het voorrecht hebben van een geregelder Evangeliedienst zullen niet morren tegen de onkosten ervan.