33. Hij zal, bij uitzondering daarvan tussen het goede en het kwade niet onderzoeken, niet vragen of het tiende stuk goed of kwaad is; hij zal het ook niet verwisselen, noch met een goede, noch met een zelfzuchtige bedoeling (
Vers 10); maar indien hij het immers verwisselen zal en een ander voor dat tiende stuk geven, het zij dan beter of slechter, zo zal dit en wat daarvoor verwisseld is, zowel het rechte als het ondergeschovene, heilig, aan het heiligdom vervallen zijn; het zal niet gelost worden, want gij zult u geen ingrijpen in het eigendom van de Heere veroorloven.
In het Christelijk leven is er voor het "bijzonder" beloven geen plaats meer (1 Timotheus 4:3); het behoort tot de uiterlijkheden van de toestand van onvolkomenheid (Galaten. 4:3). De Christen geeft zich voortdurend met lichaam, ziel en geest en al wat hij heeft, God ten offer, dat offer is levend, heilig en God welgevallig, dat is zijn redelijke godsdienst (Romeinen 12:1). Zo zijn dan ook de pauselijke beloften tegen de geest van het Evangelie. Daarentegen vernieuwt een Christen dagelijks zijn doopgelofte: te verloochenen de duivel de wereld, de zondige lusten van het vlees, en ook God en zijn Heere Jezus Christus te dienen; zijn leven lang en eigent zich in deze zaak toe wat in Psalm 50:14; 81:6; 66:13; 116:14,18, over geloften gezegd wordt.
Slechts als het leven nog onder de wet is, staat ook de gelofte als een neiging om zijn eigen besluit, zijn eigen wil tot een bindende wet te maken, in overeenstemming met de algemene levensregel. Vandaar de geloften in het Oude Verbond en de nagalm van deze dingen in het leven van Paulus (Handelingen 18:18; 21:24); ofschoon de daar vemelde toedracht van zaken de stempel draagt van een vervulling van de wet als godsdienstig gebruik, of als het letten van de liefde op de zwakheid van de naaste. Waar zulke aanleidingen wegvallen, zal de gelofte nergens als een vrucht van het ware evangelische leven kunnen worden aangetroffen. Zich in de werkzaamheid van de ware liefde door geloften te laten binden, kan alleen als vrees voor de zwakheid en weerspannigheid van het eigen hart verklaard en verontschuldigd worden en is, namelijk in zover het uit dit beginsel geschiedt, toe te laten, maar in ieder ander opzicht verwerpelijk; het moet voorgesteld worden als het afdalen tot een diepte, waaruit de in Christus tot vrijheid geborene voor altijd moest zijn verrezen. 34. Dit zijn de geboden, die de HEERE Mozes geboden 1) heeft, aan de kinderen van Israël, op en bij de berg Sinaï. 2)
1) Hierdoor verbindt Mozes aan de kennis van de wet de geloofwaardigheid ervan. Allereerst vanwege de autoriteit, omdat deze van God is gegeven. Vervolgens, omdat hij zichzelf niet de rol van wetgever heeft toebedeeld, maar omdat hij door God is gekozen, en geroepen, om dit ambt te vervullen. Doch van de kinderen van Israël verlangt Hij vertrouwen en achting, omdat hij tot hen is gezonden, als onderwijzer en leermeester..
2) De nu nog volgende wetten zijn door de Heere aan Mozes opgedragen, toen de toebereidselen, om uit de nabijheid van de Sinaï op te breken, reeds een aanvang hadden genomen en bestaan deels in tijdelijke voorschriften, deels in aanwijzingen voor bepaalde gevallen, deels in verdere ontwikkelingen van de reeds vroeger afgekondigde fundamentele wetten..
SLOTWOORD
In verband tot de beschrijving van de Tabernakel (Exodus 26) staat die van de verschillende offers in dit derde boek van Mozes. Het offer vinden wij reeds bij de eerste mensen (Genesis 4:4); later bij Noach (Genesis 8:20). Abraham is bereid, om zijn zoon God ten offer te brengen. Zo waren de offers reeds lang vóór Mozes in gebruik, en dit zelfs onder de heidense volken. Reeds van het vroegste, in de Heilige Schrift voorkomende offers kan worden gezegd, dat zij door middel van een bijzondere Godsopenbaring de mens waren opgelegd. Hetzelfde kunnen wij nu ook zeggen van de verdere ontwikkeling van de offerdienst; ook deze behoort tot hetgeen Mozes op de berg is meegedeeld. De algemene betekenis van alle offers is de overgave van zichzelf en zijn innerlijke wezen en leven aan God; dit nu wordt uiterlijk voorgesteld en afgebeeld door het brengen van het beste, dat men bezit, aan Hem. Het was dus reeds naar het uitwendige een oefening in zelfverloochening en gehoorzaamheid aan het Goddelijk voorschrift; het was verbreking van eigen wil, buiging van die wil onder de wil van God, gelijk de zedewet de gehoorzaamheid van de harten, wat gezindheid, liefde en vertrouwen aangaat, moet regelen; tevens waren de offers tekenen van de voortdurende erkenning van de verbondsgemeenschap met Jehova. Maar in dit uitwendige, zinnelijke en zichtbare bij de offers, waaraan een groot deel van het volk hangen bleef, bestond toch, naar de bedoeling van de Wetgever, die ook door velen en in de loop der eeuwen altijd beter gekend werd, het eigenlijke wezen en de betekenis van de zaak niet; het moest tevens schaduwbeeld van iets hogers, van iets volkomens, iets toekomstigs zijn, dat zich in het offer van Christus als de volmaakte zelfopoffering en ware overgave aan God openbaart. De gehele wet, waartoe nu ook de offerdienst behoort, heeft maar een schaduw van de toekomende goederen, niet het beeld zelf van de zaken (Hebreeën 10:1). Zo is de oudtestamentische offertheorie niet iets onwaars, maar iets onvolkomens, dat ons nu wijst op het volmaakte, dat daarvoor de weg baant en het voorbereidt.
Bij de behandeling van dit derde boek zijn wij er opnieuw in bevestigd, dat het niemand anders dan Mozes, de man Gods, tot auteur heeft gehad. De voorstelling van zaken, de aanwijzijng van de godsdienstige plechtigheden verraadt onmiskenbaar de man, die op Gods bevel, op Zijn onmiddellijke lastgeving, dat alles aan het oude Verbondsvolk heeft meegedeeld en gechreven in het boek, daartoe verordend. Het geheel toont duidelijk, dat het door één hand is geschreven, die zich nauwkeurig doel en omvang heeft voor ogen gesteld, en het bevestigt met het, voor de gelovigen alles afdoend woord, dat hem alles is meegedeeld en getoond, door niemand minder dan God zelf. Geen gezochte, maar een werkelijke, goddelijke, harmonische eenheid valt in dit boek niet te loochenen, maar duidelijk aan te wijzen. Alles concentreert zich, om het Heiligdom, dat Jehova onder Israël had opgericht. Alles bedoelt de heiligheid van het in zichzelf onheilig volk, opdat het Verbond, met hen opgericht, van kracht zou blijven, en de Verbondsweldaden mild tot hen konden uitstromen. En waar er soms veranderingen gebracht worden in eenmaal gegevene verordeningen, daar geschiedt dit, omdat de Heere zich altijd schikt naar de behoeften en toestanden van de Zijnen; daar heeft dit plaats, opdat Zijn volk steeds meer een volk zal worden, dat Hem gewillig dient, zonder enig mopperen; daar wordt dit gedaan, omdat de toestand van het volk ook anders is geworden. Vandaar dat ook gedurig nog geboden herhaald worden, niet, omdat aan dit boek verschillende grondschriften ten grondslag liggen, maar of, omdat de toestand enigszins anders is geworden, of omdat de Heere bij schijnbare herhaling toch met die voorschriften op iets wijzen wil, wat geheel past in het kader van de voor de eerste maal te geven rechten en instellingen (hoofdstuk 23, 26). Laten wij niet vergeten, dat Israël, als een volk van slaven, uit Egypte is gevoerd, en dat het daarom nodig was, dat het gedurig weer aan de wet van de tien geboden als grondwet op allerlei wijze werd herinnerd, opdat het zou leren, dat alle ceremoniële wetten dienden, opdat hun de wet van de zeden zou worden ingescherpt, en dat het volbrengen van wat God, op godsdienstig en burgerlijk gebied, verordende, moest strekken, opdat zij de tien geboden, de grondwet van het Koninkrijk Gods, zouden leren onderhouden. Alle ceremoniële wetten waren als even zovele trappen, die moesten dienen, dat Israël zou komen tot de geestelijke kennis en de aanbidding van een God, die zich in Christus Jezus, de te komen Messias, de eeuwige en grote Hogepriester, als een verzoend God, voor al Zijn volk openbaarde en zou openbaren..
Door geheel het Oude Testament heen zijn de denkbeelden verzoening en vrijlating naast elkaar geplaatst als een heenwijzing naar Christus en naar de vrucht van zijn werk. Christus werd geofferd, de zondaar vrijgelaten. Ook het denkbeeld van gedood te worden en uit de dood weer op te staan wordt in het zestiende hoofdstuk van Leviticus "over twee bokken" uitgedrukt, en dus de vrijlating van het offer zelf, dat reeds in Izak afgebeeld was. Ook wij, in Christus gestorven zijnde, zullen in Hem weer opstaan. De twee bokken moeten dus afzonderlijk voorstellen, wat zich in Christus verenigt, de dood en de opstanding. Het is hetzelfde met de ene duif, die gedood werd en de andere, die vrij naar de hemel vloog. Ook ligt hierin een zedelijke zin, want in de dingen van God is het éne afspiegeling van het andere, de oude mens moet ten onder gebracht worden, de nieuwe moet zich ten hemel verheffen..
Wij hebben in Leviticus gezien dat zowel de verzoening als de reiniging van de zondaar aan de offertheorie ten grondslag ligt. Het bloedige offer werd door de offeraar zelf tot zijn plaatsbekleder gewijd en dit zinnebeeldig door het leggen van zijn hand op de kop van het dier uitgedrukt, als om daardoor te verklaren dat hij zijn schuld op dit schuldeloze overbracht. In het gevoel van die schuld en met het verlangen God weer geheel toe te behoren, slachtte hij (niet de priester) het offerdier, terwijl hij daarmee betuigde dat hij zelf om zijn schuld de dood verdiend had, die het dier onderging en de wens uitdrukte dat God hem van de straf mocht ontheffen. Op de rechtvaardiging (verzoening) volgde nu ook de heiliging. Deze heiliging of toewijding van de zondaar aan Jehova werd zinnebeeldig uitgedrukt door het verbranden van al het vlees of een gedeelte daarvan met de (zogenaamde onbloedige) spijsoffers: brood en wijn, olie, wierook en zout. Dat dit alles maar zinnebeeldig was, zowel verzoening als heiliging, wordt door de schrijver van de brief aan de Hebreeën in het helderste licht gesteld, wanneer hij verklaart: "Indien het boed van de stieren en bokken en de as van de jonge koe, besprenkelende de onreinen, hen heiligt tot de reinheid van het vlees, hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest zichzelf God onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken om de levende God te dienen?" Wat een gewichtige, heerlijke, vertroostende betekenis verkrijgt nu voor de gemeente der gelovigen, die juichen mag dat haar Pascha, namelijk Christus, geslacht is, de viering van het Heilig Avondmaal, als zijnde van harentwege een plechtige verklaring, welke zij aflegt: "O Lam Gods! Uw dood is ons leven," en een plechtige toewijding aan de dienst van Hem, die het haar aan dat Avondmaal doet ondervinden, dat zijn vlees waarlijk spijs en zijn bloed waarlijk drank is; die het haar op de stelligste wijze verzekert en verzegelt, dat Hij haar een eeuwige rustplaats bereid heeft in het Vaderhuis, waar zij Hem en de Vader altijd zal opofferen een offerande van lof, namelijk de vrucht van de lippen, die zijn maan beleiden. "Juich, o sterveling! Juich, verzoende! Juich, de pijl van de dood brak af: Jezus, voor uw schuld voldoende, Rukte het zegel van het graf. Jezus, uit de dood verheven, Is de waarborg van uw leven, Borgtocht van uw Heilgenot. Treed dan blij het sterfuur tegen; `t Is vervulling van de zegen: Uw Verlosser, ja, is God!