Leviticus 27:26-34
I. Hier wordt er voor gewaarschuwd om niet te schertsen met het heiligen van dingen, in dier voege, dat Hem door iemand een eersteling geheiligd wordt, daar die reeds volgens de wet van Hem was, vers 26. Hoewel de zaak van een algemene gelofte datgene is, waartoe wij tevoren reeds verplicht waren door het sacrament van het verbond, behoort toch een buitengewone gelofte, een afgezonderde gelofte, uit datgene te bestaan, waartoe wij in zulke omstandigheden en verhoudingen tevoren niet gehouden waren. De wet op de eerstelingen van onreine dieren, vers 27, is dezelfde als die tevoren, vers 11, 12.
II. Verbannen dingen of personen worden hier onderscheiden van dingen en personen, die slechts geheiligd waren.
1. Verbannen dingen waren de Heere een heiligheid van de heiligheden, en konden noch tot de vorigen eigenaar terugkeren, noch gelost worden, vers 28. Zij waren van dezelfde natuur als de offeranden, die heiligheid van de heiligheden genoemd werden, die door niemand dan door de priesters zelf aangeraakt mochten worden. Het verschil tussen deze en andere geheiligde dingen ontstond uit de verschillende uitdrukking van de gelofte. Als iemand een ding aan God wijdde, waarbij hij zich onder een plechtige eed verbond om het nooit tot een ander doel te gebruiken of te vervreemden, dan was dat ding verbannen.
2. Verbannen personen moesten gedood worden, vers 29. Niet, dat het in de macht van ouders of van een meester was om een kind of dienstknecht de dood te wijden, maar het moet bedoeld zijn van openbare vijanden van Israël, die, hetzij door het bevel van God of door het vonnis van de vergadering, verbannen waren, zoals de zeven volken, met welke zij geen verbond moesten aangaan. De stad Jericho inzonderheid was aldus verbannen, Jozua 6:17. De inwoners van Jabes in Gilead werden ter dood gebracht wegens het schenden van de eed of vloek, uitgesproken over hen, die niet opgekomen waren te Mizpa, Richteren 21:9, 10. Sommigen denken dat Jefta niet ten volle bekend was met de ware bedoeling en betekenis van deze wet, en dat hij daarom zijn dochter offerde als een verbannene, die niet gelost mocht worden.
III. Een wet betreffende tienden, die reeds voor de wet betaald werden voor de dienst van God, zoals blijkt uit Abrahams betalen er van, Genesis 14:20, en Jakob's beloven er van, Genesis 28:22. Hier wordt bepaald:
1. Dat zij tienden zullen betalen van al hun inkomsten, van hun koren, hun vruchtbomen en hun vee, vers 30-32. Van alle voortbrengselen, waarvan zij de vrucht genoten, moest God geëerd worden met de tienden, indien zij tiendbaar waren. Aldus erkennen zij God als de eigenaar van hun land, de gever van de vruchten, en zichzelf als Zijn leenmannen, die van Hem afhankelijk zijn. Aldus brachten zij Hem dank toe voor de overvloed, die zij genoten, en smeekten zij om Zijn gunst voor de voortduring er van. En ons wordt geleerd, om in het algemeen "de Heere te vereren van ons goed," Spreuken 3:9, en in het bijzonder Zijn dienstknechten te onderhouden, en bereid te zijn "hun mee te delen van alle goederen," Galaten 6:6, 1 Corinthiërs 9:11. En ik kan niet inzien, hoe dit op geschikter wijze en naar betere verhouding of evenredigheid kan geschieden dan door de tienden, die God zelf vanouds verordineerd heeft.
2. Hetgeen eenmaal als tiende werd aangewezen moest niet veranderd of verruild worden neen, zelfs niet voor iets beters, vers 33, want Gods voorzienigheid bestuurde de roede, die ze daarvoor tekende. God wilde het aannemen al was het niet van het beste, en zij moeten het niet misgunnen of met tegenzin geven, al was het ook het beste, want het is onder de roede doorgegaan.
3. Dat het niet gelost mocht worden, tenzij de eigenaar nog een vijfde meer betaalde als rantsoen, vers 31. Als de mensen zo'n voorkeur hadden voor hetgeen als tiende gemerkt was, dan was het recht, dat zij voor die voorkeur betaalden.
Het laatste vers schijnt betrekking te hebben op het gehele boek, waarvan het slot is: Dit zijn de geboden, die de Heere Mozes geboden heeft aan de kinderen Israëls. Vele van die geboden zijn van zedelijke aard en van blijvende verplichting, anderen er van zijn ceremoniëel en eigen aan de Joodse kerk, maar hebben toch een geestelijke betekenis, en zijn leerrijk voor ons, die de sleutel bezitten om tot de verborgenheden te komen, welke er in zijn opgesloten, "want" "ook ons is," door deze inzettingen, "het Evangelie verkondigd, gelijk als" "hun," Hebreeën 4:2. En ten opzichte van de gehele zaak hebben wij reden om God te danken, dat "wij niet tot de berg Sinai zijn gekomen," Hebreeën 12:18.
a.Dat wij niet onder de duistere schaduwen van de wet zijn, maar het heldere licht van het Evangelie hebben, dat ons "Christus" toont als "het einde van de wet tot rechtvaardigheid, Romeinen 10:4. De leer van onze verzoening met God door een Middelaar is niet omwolkt door de rook van brandoffers, maar verlicht door de kennis van Christus en die gekruisigd.
b. Dat wij niet onder het zware juk zijn van de wet en rechtvaardigmakingen des vleses, (zoals de apostel ze noemt, Hebreeën 9:10, opgelegd tot de tijd van de verbetering, een juk "hetwelk noch zij, noch hun vaders hebben kunnen dragen," Handelingen 15:10, maar onder de lieflijke en zachte inzettingen van het Evangelie hetwelk diegenen de ware aanbidders noemt die de Vader aanbidden in geest en waarheid, alleen door Christus en in Zijn naam, die onze priester is, onze tempel, ons altaar, ons offer, onze reinigmaking, ons alles. Laat ons daarom niet denken dat, omdat wij niet gebonden zijn aan ceremoniëele reinigingen, feesten en offeranden, een weinig tijd, zorg en onkosten genoeg zijn om er God mee te eren. Neen, laat veeleer ons hart nog meer verruimd worden tot vrijwillige offeranden tot Zijn lof, nog meer ontvlammen in heilige liefde en blijdschap, nog meer gedrongen worden tot ernstig nadenken en oprechtheid van bedoeling. Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, God met zoveel te meer blijmoedigheid en nederig vertrouwen aanbiddende, zeggende: Geloofd zij God voor Jezus Christus.