Colossenzen 1:3-11
Hier begint de eigenlijke inhoud van den brief. De apostel vangt aan met dankzegging aan God voor hetgeen hij omtrent hen vernomen heeft, ofschoon hij hen persoonlijk niet kende, en van hun staat en karakter alleen wist door mededelingen van anderen.
I. Hij dankt God voor hen, omdat zij het Evangelie van Christus aangenomen, en bewijzen van hun getrouwheid daaraan gegeven hebben. Merk op: In zijne gebeden voor hen dankt hij voor hen. Dankzegging behoort een deel van elk gebed te zijn, en alles wat ons een reden van blijdschap is moet ons een reden van dankzegging zijn.
1. Hij dankt den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus. In onze dankzegging moeten wij ons wenden tot God als God (Hem komt onze dankzegging zowel als ons gebed toe), en als de Vader van onzen Heere Jezus Christus, in en door wie alles goeds tot ons komt. Hij is de Vader van onzen Heere Jezus Christus zowel als onze Vader, en het is een reden van bemoediging voor ons, telkens als wij ons tot God wenden, dat wij Hem mogen zien als de Vader van Christus en onze Vader, Zijn God en onze God, Johannes 20:17.
2. Waarvoor hij God dankt, voor de genade Gods in hen, welke het bewijs was van de genade Gods jegens hen. Alzo wij van uw geloof in Christus Jezus gehoord hebben, en van de liefde, die gij hebt tot alle heiligen, om de hoop, die u weggelegd is in de hemelen, vers 4, 5. Geloof, hoop en liefde zijn de drie voorname genaden in het Christelijk leven, en geschikte voorwerpen voor ons gebed en onze dankzegging.
A. Hij dankt voor hun geloof in Christus Jezus, dat zij er toe gebracht waren om in Hem te geloven en Zijn godsdienst te belijden en Hem hun zielen toe te vertrouwen.
B. Voor hun liefde. Behalve de algemene liefde, welke men allen mensen verschuldigd is, bestaat er een afzonderlijke liefde tot al de heiligen, hen die tot de Christelijke broederschap behoren, 1 Petrus 2:17. Wij moeten al de heiligen liefhebben, buitengemene vriendelijkheid en welwillendheid betonen aan alle godvrezenden, niettegenstaande kleine punten van verschil en menige werkelijke zwakheid. Sommigen verstaan dit van hun liefdadigheid voor de heiligen, die behoeftig waren, welke een tak en een bewijs van Christelijke liefde is.
C. Voor hun hoop. De hoop, die u weggelegd is in de hemelen, vers 5. De zaligheid van den hemel wordt hier hun hoop genoemd, omdat die de zaak is waarop gehoopt wordt, verwachtende de zalige hoop, Titus 2:13. Wat de gelovigen reeds in de wereld ontvangen is veel, maar wat voor hen in den hemel bewaard wordt, is veel meer. En wij hebben reden om God te danken voor de hoop des hemels, welke de ware Christenen hebben, en hun wèlgegronde verwachting van deze heerlijkheid. Hun geloof in Christus en hun liefde tot de heiligen had een oog op de hoop, die voor hen weggelegd was in de hemelen. Hoe meer wij onze hoop vestigen op de beloning in de toekomende wereld, des te losser zullen wij zijn van onze aardse schatten en des te gewilliger om daarmee wel te doen.
II. Nadat hij God gedankt heeft voor deze genaden, dankt hij Hem voor de middelen van genade, waarin zij zich verheugden. Welke gij tevoren gehoord hebt door het woord der waarheid, namelijk des Evangelies. Zij hadden in het woord der waarheid van het Evangelie gehoord van deze hoop, die in de hemelen voor hen weggelegd was. Merk op: Het Evangelie is het woord der waarheid, en waaraan wij veilig de zaligheid van onze onsterfelijke zielen kunnen toevertrouwen, het komt van den God der waarheid en den Geest der waarheid, en is een waar woord. Hij noemt het de genade Gods in waarheid, vers 6. Het is grote barmhartigheid dit woord te mogen horen, want de voorname zaak, welke wij er uit leren, is de zaligheid des hemels. Het eeuwige leven is door het Evangelie aan het licht gebracht, 2 Timotheus 1:10. Zij hoorden van de hope, hun in de hemelen weggelegd door het woord der waarheid van het Evangelie.
Hetwelk tot u gekomen is, gelijk ook in de gehele wereld, en het brengt vruchten voort, gelijk ook onder u, vers 6. Dit Evangelie is verkondigd en brengt vruchten voort onder andere volken, het is tot u gekomen, gelijk in de gehele wereld, overeenkomstig het bevel: Predikt het Evangelie in de gehele wereld, en aan alle creaturen. Merk op:
A. Allen, die het woord van het Evangelie horen, moeten vruchten des Evangelies voortbrengen, dat is: het gehoorzamen en hun beginselen en hun wandel daarnaar hervormen. Dit was het eerste wat verkondigd werd: Brengt dan vruchten voort der bekering waardig, Mattheus 3:8. En onze Heere zei: Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij zo gij ze doet, Johannes 13:17.
B. Waar ook het Evangelie komt, zal het vruchten voortbrengen tot eer en heerlijkheid van God. Het brengt vrucht voort, gelijk ook in u. Wij vergissen ons, indien wij menen dat wij alleen aan de vertroostingen en zegeningen des Evangelies deelhebben. Brengt het Evangelie in ons vruchten voort? Het doet het in anderen.
III. Dat zij mogen bekrachtigd worden: Met alle kracht bekrachtigd worden naar de sterkte Zijner heerlijkheid, vers 11, versterkt tegen de verzoekingen des Satans en versterkt voor al hun plichten. Het is een grote troost voor ons, dat Hij, die op zich genomen heeft sterkte aan Zijn volk te geven, een God van macht en van heerlijkheid is. Waar geestelijk leven is, daar is ook behoefte aan geestelijke kracht, kracht voor alle daden van het geestelijk leven. Bekrachtigd worden is door de genade Gods instaat gesteld worden tot alle goed werk, en evenzeer gesterkt door diezelfde genade tegen alle kwaad, het is bekwaam gemaakt te worden tot onzen plicht en onze oprechtheid te bewaren. De gezegende Geest is de bewerker van deze kracht, want wij worden versterkt met kracht door Zijnen Geest in den inwendigen mens, Efeze 3:16. Het Woord van God is het middel, waardoor Hij ons die kracht toevoert, en wij behoren het ons toe te eigenen door het gebed. Het was in antwoord op zijn ernstig gebed, dat de apostel voldoende kracht ontving. In het gebed om geestelijke kracht zijn wij door de beloften niet beperkt, en daarom mogen wij niet beperkt zijn in onze hoop en begeerte daarnaar. Merk op:
1. Hij bad dat zij mochten bekrachtigd worden met kracht. Dit schijnt een onnodige herhaling, maar hij bedoelt dat zij overvloedig kracht, of kracht ontleend aan een ander, mochten ontvangen.
2. Met alle kracht. Het schijnt onredelijk te verlangen, dat een schepsel bekrachtigd worde met alle kracht, want dat kon zijn hem almachtig maken, maar hij bedoelt: met alle kracht, die wij gebruiken kunnen om onze roeping te vervullen en onze onschuld te bewaren, al de genade, die nodig is in alle beproevingen des levens en geschikt is om ons te helpen in tijd van nood. 3. Naar de sterkte Zijner heerlijkheid. Dat is, overeenkomstig de genade van God, maar de genade Gods in de harten der gelovigen is de sterkte Gods, en daar is heerlijkheid in die sterkte, het is een uitnemende en voldoende sterkte. En de mededeling van die sterkte is niet overeenkomstig onze zwakheid, waaraan de sterkte wordt gegeven, maar overeenkomstig Zijne kracht, die haar geeft. Wanneer God geeft, doet Hij dat overeenkomstig zich zelven.
4. Het bepaalde doel van deze gave was om te kunnen lijden. Bekrachtigd worden tot alle lijdzaamheid en lankmoedigheid met blijdschap, vers 11. Hij bidt niet alleen dat zij ondersteund worden in hun droefenissen, maar bekrachtigd. De reden daarvan is, dat er werk voor ons te doen is ook onder ons lijden. En zij, die bekrachtigd worden naar de sterkte Zijner heerlijkheid, worden gesterkt:
A. Tot alle lijdzaamheid. Wanneer de lijdzaamheid een volmaakt werk heeft, Jakobus 1:4, dan zijn wij bekrachtigd tot alle lijdzaamheid, wanneer wij onze moeilijkheden niet alleen geduldig dragen, maar ze aannemen als gaven van God en er dankbaar voor zijn. Aan u is "gegeven te lijden", Filippenzen 1:29. Indien wij onze moeiten goed dragen, al zijn ze nog zo veel en nog zo drukkend, dan dragen wij ze met lijdzaamheid. En dezelfde reden om ene moeite goed te dragen, zal, indien zij een goede reden is, volstaan voor andere moeiten. "Alle lijdzaamheid" bedoelt alle soorten van lijdzaamheid, niet slechts verdragende, maar ook verwachtende lijdzaamheid.
B. Dat is ook zo met lankmoedigheid, dat is tot grote lengte dragen, niet alleen voor een poos, maar zolang het Gode behaagt het lijden te verlengen.
C. Het is met vreugde, zich verblijden in de verdrukking, met blijdschap de roving onzer goederen aanzien, ons verblijden dat wij waardig geacht worden om Zijns naams wil smaadheid te lijden, blijdschap zowel als lijdzaamheid hebben onder de bezwaren des levens. Dit kunnen wij nooit door enige kracht uit ons zelven, maar alleen indien wij bekrachtigd worden door de genade Gods.