Handelingen 14:19-28
Wij hebben hier een verder bericht van den arbeid en het lijden van Paulus en Barnabas.
I. Hoe Paulus gestenigd werd en men hem voor dood had laten liggen, maar wonderdadig weer tot zich zelven kwam, vers 19, 20. Zij vielen Peulus aan eerder dan Barnabas, omdat Paulus, de voornaamste spreker zijnde, hen meer dan Barnabas had verbitterd en vertoornd. Merk hier nu op: 1 Hoe het volk verbitterd was op Paulus: niet om enig kwaad, dat hij hun gedaan zou hebben-indien zij het als ene belediging beschouwden, dat hij hun niet wilde toelaten hem Goddelijke eer te bewijzen, dan konden zij hem toch bij enig nadenken, dat onrecht gemakkelijk vergeven. Maar daar kwamen Joden van Antiochië, die waarschijnlijk gehoord hadden-en het met spijt en toorn hadden gehoord-welk een eerbied aan Paulus en Barnabas te Lystra betoond werd, en zij zetten het volk tegen hen op, door hen voor te stellen als oproerige, gevaarlijke personen, die men niet moest herbergen. Zie, hoe rusteloos de woede der Joden was tegen het Evangelie van Christus, zij konden het niet dragen, dat het ergens vasten voet zou krijgen. 2. In welk ene mate zij door deze barbaarse Joden tegen hen vertoornd werden. Zij hebben hen zo geprikkeld, dat het grauw opstond en Paulus stenigde, niet volgens een rechterlijk vonnis, maar in een volks-oploop. Zij wierpen hem met stenen, waarmee zij hem ter aarde deden vallen, en toen wierpen zij hem de stad uit als iemand, die niet waardig is er in te leven, of zij sleepten hem op ene slede, of ene kar om hem te begraven, menende, dat hij dood was. Zo sterk is de neiging van het verdorven en vleselijk hart tot hetgeen slecht is, zelfs in tegenovergestelde uitersten, dat, gelijk het met grote moeite is, dat zij weerhouden worden van kwaad aan de ene zijde, zo worden zij zeer gemakkelijk overgehaald tot het kwaad van de andere zijde. Zie hoe wispelturig het hart is van vleselijke, wereldsgezinde mensen, die de dingen niet weten of er over nadenken! Zij, die den enen dag de apostelen wilden beschouwen en behandelen als meer dan mensen, behandelden hen nu erger dan dieren, als de slechtsten der mensen, als de ergste boosdoeners. Heden Hosanna, morgen, kruis hem, heden worden hun offers gebracht, morgen worden zij geofferd. Wij hebben een voorbeeld van zulk ene verandering naar den anderen kant, Hoofdstuk 28.
Deze mens is gewis een doodslager, vers 4, voorzeker, hij is een god! vers 6. De volksadem verandert en draait als de wind. Indien Paulus Mercurius had willen zijn, hij zou ten troon zijn verheven, ja, hij zou in een tempel zijn aangebeden: maar als hij een getrouw dienaar van Christus wil zijn, dan zal hij gestenigd en ter stad uitgeworpen worden. Al- dus is het, dat zij, die zich aan de kracht der dwaling overgeven, het haten om de waarheid te ontvangen.
3. Hoe hij door de kracht Gods verlost werd: Toen hij buiten de stad gesleept was, omringden hem de discipelen, vers 20. Het schijnt dat hier te Lystra sommigen discipelen geworden waren, die den middenweg vonden tussen het vergoden en het verwerpen der apostelen, en deze nieuw bekeerden hadden den moed om Paulus te erkennen, toen hij aldus verguisd en vertreden werd, hoewel zij reden hadden te vrezen, dat zij, die hem gestenigd hebben, ook hen zouden stenigen wegens hun erkenning van hem. Zij omringden hem, als ene wacht, om hem te beschermen tegen verdere mishandeling van het volk, zij omringden hem om te zien, of hij levend of dood was. Plotseling stond hij op, hoewel hij niet dood was, was hij toch ongetwijfeld zwaar gekneusd en geschokt, zodat hij in zwijm was gevallen, en het was niet zonder een wonder, dat hij zo spoedig weer tot zich zelven kwam en in staat was om in de stad te gaan. Gods getrouwe dienstknechten kunnen wel eens in een toestand komen, dat er slechts ene schrede is tussen hen en den dood, zodat zij zowel door vrienden als door vijanden voor zo goed als dood worden beschouwd, maar toch zullen zij niet sterven, zolang God nog werk voor hen te doen heeft. Zij zijn neergeworpen, doch niet verdorven, 2 Corinthiërs 4:9.
II. Hoe zij voortgingen met hun werk in weerwil van den tegenstand, dien zij ontmoetten. Al de stenen, die zij op Paulus wierpen, zullen hem niet wegslaan van zijn arbeid. Zij sleepten hem buiten de stad, vers 19, maar, als tartte hij hen, kwam hij weer in de stad, om te tonen, dat hij hen niet vreesde. Hij achtte op geen ding, zelfs niet op deze dingen. Evenwel, dat zij hier vervolgd worden, is hun ene duidelijke aanwijzing, dat zij elders gelegenheid moeten zoeken om nuttig te zijn, en daarom gaan zij, voor het ogenblik, Lystra verlaten. En nu gingen zij
1. Naar Derbe, om aldaar den grond te ontginnen en hun zaad te zaaien. Dáár heen ging hij des anderen daags met Barnabas. Het was ene stad, niet ver van Lystra, en dáár predikten zij het Evangelie, en maakten er vele discipelen, vers 21. Het schijnt, dat Timotheus van deze stad afkomstig was, en een van de discipelen is geweest, die nu Paulus hoorden, maar te Antiochië met hem samen is gekomen, en hem op geheel deze rondreis heeft vergezeld, want, met betrekking tot deze geschiedenis, zegt Paulus hem, dat hij ten volle bekend was met zijne vervolgingen, zijn lijden, dat hem overkomen is in Antiochië, in Iconium en in Lystra, 2 Timotheus 3:10, 11. Er wordt niets vermeld van hetgeen te Derbe geschied is.
2. Zij keerden terug, om hun werk nog eens te overzien, bewaterden hetgeen zij hadden gezaaid, en te Derbe gebleven zijnde zolang zij het nodig vonden, gingen zij terug naar Lystra, Iconium en Antiochië, de steden, waar zij het Evangelie hadden gepredikt, vers 21. Gelijk wij nu een zeer leerrijk bericht hebben gehad van de methode, die zij volgden om het fondament te leggen en het goede werk te beginnen, zo hebben wij hier een even leerrijk verhaal van hun bouwen op dat fondament en hun voortzetten van dat goede werk. Laat ons zien wat zij deden.
a. Zij versterkten de zielen der discipelen, zij prentten hun in wat geschikt was om hen te versterken, vers 22. Pas bekeerden zijn allicht tot wankelen geneigd, het minste en geringste kan hen schokken. Hun oude bekenden smeken hen, dat zij hen niet zullen verlaten. Diegenen, die zij achten wijzer te zijn dan zij zelven, stellen hun het ongerijmde, het onbetamelijke en gevaarlijke voor van ene verandering: zij worden verlokt door het vooruitzicht op bevordering, om aan de overlevering hunner vaderen getrouw te blijven, zij worden afgeschrikt door het gevaar van tegen den stroom op te roeien. Dit alles brengt hen in verzoeking om aan een tijdig terugkeren te denken, maar de apostelen komen en zeggen hun, dat het de ware genade Gods is, waarin zij staan, en dat zij er dus bij blijven moeten, dat er geen gevaar zo groot is als het gevaar van hun deel aan Christus te verliezen, geen voordeel zo rijk als het voordeel van Hem vast te houden, dat zij, door welke grote beproevingen zij ook heen mogen gaan, kracht van Christus zullen ontvangen om er door heen te komen, en hun elk verlies, dat zij mogen lijden, ruim vergoed zal worden. En dit bevestigt de zielen der discipelen, het versterkt hen in hun Godvruchtig besluit om in de kracht van Christus, Christus te blijven aankleven, wàt het hun ook moge kosten. Zij, die bekeerd zijn, hebben het nodig bevestigd te worden, die geplant zijn, moeten wortel schieten. Het is het werk der Evangeliedienaren om de heiligen te bevestigen zowel als om zondaren te doen ontwaken. Non minor est virtus quam quaerere parta tueri -Te behouden is soms even moeilijk als te verkrijgen. Zij, die onderwezen waren in de waarheid, moeten de zekerheid der dingen kennen, waarin zij onderwezen zijn, en zij, die een besluit hebben genomen, moeten in dat besluit volharden. Ware versterking is versterking der ziel, het is geen binden van het lichaam door een streng straffen van afvalligen, maar een binden der ziel, de beste leraren kunnen dit slechts door aan te dringen op hetgeen geschikt is om de ziel te binden, het is de genade Gods, en niets minder, die wezenlijk de zielen der discipelen kan versterken en hun afval kan voorkomen.
b. Zij vermaanden hen, dat zij zouden blijven in het geloof, of, gelijk het ook gelezen kan worden, zij bemoedigden hen. Zij zeiden hun, dat het zowel hun plicht als hun belang was te volharden, te blijven in het geloof dat Christus de Zoon van God en de Zaligmaker der wereld is. Zij, die in het geloof zijn, moeten blijven in het geloof, niettegenstaande alle verzoekingen om het te laten varen, hetzij door de vriendelijke glimlachjes der wereld, of door hare dreigende afkeuring. En het is nodig, dat zij dikwijls hiertoe vermaand worden. Zij, die voortdurend omringd zijn door verzoekingen tot afval, hebben het nodig om voortdurend vermaand te worden om te volharden.
c. Waar zij het meest op aandrongen was, dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het koninkrijk Gods. Niet alleen zij moeten, maar wij moeten, er moet op gerekend worden, dat allen, die naar den hemel willen gaan, verdrukking en vervolging moeten wachten op hun weg er heen. Maar is dit dan de wijze, waarop de zielen der discipelen versterkt worden, kunnen zij op die wijze bewogen worden, om te volharden in het geloof? Men zou zo denken, dat zij hierdoor veeleer afgeschrikt en moedeloos zullen worden. Neen, daar de zaak openhartig is voorgesteld, zal het hen helpen om standvastig te zijn voor Christus. Het is waar, zij zullen verdrukkingen hebben te lijden, vele verdrukkingen, en dat is er het ergste van, maar,
A. Het is aldus verordineerd, zij moeten het lijden, er is niets aan te doen, de zaak is besloten, en kan niet veranderd worden. Hij, die de vrijmachtige beschikking over ons heeft, heeft bepaald, dat dit ons lot moet wezen, dat allen, die Godzaliglijk willen leven in Christus Jezus vervolgd zullen worden, en Hij, die het soevereine gebied over ons voert, heeft dit vastgesteld als onzen plicht, dat allen, die Christus' discipelen willen zijn, het kruis moeten opnemen, zodat het hetgeen was, waartoe wij overeen zijn gekomen, toen wij ons aan Jezus Christus hebben verbonden. Toen wij neder zaten, om de kosten te overrekenen, was dit het-als wij ten minste goed hebben gerekend-waar wij op gerekend hebben, zodat, als verdrukking en vervolging komt om des woords wil, het niet meer is, dan hetgeen ons te voren was aangezegd, het moet zo wezen, Hij volbrengt wat over ons bescheiden is. De zaak is onveranderlijk vastgesteld, en zal voor ons ene rots uit hare plaats worden verzet?
B. Het is het lot van de aanvoerders van Christus' heirscharen, zowel als van de gewone krijgsknechten. Het is niet alleen gij, maar wij, die (zo het als iets hards wordt beschouwd) er aan onderworpen zijn, gelijk dus uw eigen lijden geen struikelblok voor u moet wezen, zo moet ook het onze dit niet zijn, zie 1 Thessalonicenzen 3:3. Laat niemand bewogen worden in deze verdrukkingen, want gij weet zelven, dat wij hiertoe gesteld zijn. Christus heeft den apostelen niets zwaarders opgelegd, dan wat Hij zelf voor hen gedragen heeft, en dit hebben de apostelen den gewonen Christenen ook niet gedaan.
C. Het is waar, wij moeten rekenen op vele verdrukkingen, maar het is bemoedigend, dat wij er door heen zullen komen, wij zullen er niet in omkomen, niet in verloren gaan. Het is ene Rode Zee, maar de Heere heeft er een' weg in gebaand opdat de verlosten daar doorgaan. Wij moeten afgaan naar de diepte der benauwdheid, maar wij zullen er weer uit opgaan. D. Wij zullen er niet slechts door heen komen, maar er door ingaan in het koninkrijk Gods, en dan zal de heerlijkheid en blijdschap van het einde ruime vergoeding bieden voor al de moeilijkheden en ontberingen, die wij op den weg zullen ontmoeten en hebben te verduren. Het is waar, wij moeten het kruis dragen, maar het is even waar, dat, zo wij op den rechten weg van het kruis blijven, en ons noch terzijde afwenden, noch teruggaan, wij naar de kroon zullen gaan, en het gelovige vooruitzicht hierop zal de verdrukking licht maken, ja aangenaam voor ons doen zijn.
d. Zij verkoren, of ordineerden, ouderlingen in elke gemeente. Bij dit tweede bezoek hebben zij de zaken der gemeente op vasten voet geregeld onder de leiding ener blijvende Evangeliebediening en het verschil vastgesteld tussen hen, die onderwezen worden in het woord en hen, die onderwijzen. Iedere gemeente had hare bestuurders, of presidenten, wier ambt het was te bidden met de leden der gemeente, en tot hen te prediken in hun plechtige bijeenkomsten, de inzettingen van het Evangelie aan hen te bedienen, en het opzicht over hen te houden, de ongeregelden te vermanen, de kleinmoedigen te vertroosten, de zwakken te ondersteunen, en de tegensprekers te wederleggen. Het is nodig, dat iedere afzonderlijke gemeente een of meer van de zodanige heeft, om haar te besturen. Die bestuurders waren toen ouderlingen, die voor hun bevoegd-making de wijsheid en de ervaring hadden van oudsten, en voor hun aanstelling het gezag hadden van oudsten, niet om nieuwe wetten te maken, -dat is het kroonrecht van den Koning, den groten Wetgever (de regering der kerk is ene absolute monarchie, en de wetgevende macht behoort uitsluitend aan Christus,) maar om toe te zien op de behoorlijke waarneming van de wetten, die Christus gemaakt heeft, en in zo ver is hun gehoorzaamheid en onderworpenheid verschuldigd. Deze ouderlingen werden geordend. Over de eigenschappen en bekwaamheden van hen, die voorgesteld werden, of die zich zelven voorstelden, werd geoordeeld door de apostelen, als die daartoe het meest geschikt en bevoegd waren, en dan werden zij plechtig afgezonderd voor den dienst van het Evangelie. Deze ouderlingen waren geordend voor hen, de discipelen, tot hun dienst, tot hun welzijn. Zij, die in het geloof zijn, hebben het nodig er in opgebouwd te worden, en behoeven daarbij de hulp der ouderlingen, de herders en leraars moeten het lichaam van Christus opbouwen.
c. Met gebed en vasten hebben zij hen den Heere bevolen, den Heere Jezus, in wie zij geloofd hadden. Als er mensen toe gebracht worden om te geloven, en dat wel in oprechtheid, dan is des leraars zorge over hen daarmee niet afgedaan, er moet nog over hen gewaakt worden, zij hebben nog vermaning en onderricht nodig, er is nog het ontbreken aan het geloof, dat volmaakt moet worden. De leraren, die het meest en het best zorg dragen voor hen, die geloven, moeten met dat al, hen den Heere bevelen, hen onder de leiding en bescherming stellen van Zijne genade: Heere! bewaar ze in Uwen naam. Zijner bewaring moeten zij zich zelven bevelen, en hun leraren moeten hen in die bewaring bevelen. Het is door gebed, dat zij den Heere bevolen moeten worden. Christus heeft in Zijn gebed Zijne discipelen Zijn Vader bevolen, Johannes 17, Zij waren Uwe, en Gij hebt Mij dezelve gegeven. Vader, bewaar ze. Als wij de discipelen den Heere bevelen, dan is het ene grote bemoediging voor ons te kunnen zeggen: "Hij is het in wie zij geloofd hebben, wij bevelen ze Hem, die zich zelven Hem bevolen hebben, en die weten, dat zij geloofd hebben in Enen, die machtig is, hun pand -en ons pand - bij Hem weggelegd te bewaren tot dien dag" 2 Timotheus 1:12. Het is goed om bij het bidden ook vasten te voegen, ten teken van onze verootmoediging vanwege de zonde, en ten einde kracht bij te zetten aan ons gebed. Als wij van onze vrienden scheiden, dan is ons best vaarwel hen den Heere te bevelen, hen in Zijne hoede te laten. 3. Zij voeren voort het Evangelie te prediken in andere plaatsen, waar zij geweest waren, maar, naar het schijnt, niet zo vele bekeerlingen hadden, dat zij hen nu bij hun terugkeer tot gemeenten konden vormen, daarom zijn zij derwaarts heengegaan ten einde het werk der bekering nog voort te zetten. Van Antiochië reisden zij door Pisidië, de provincie, waarin dat Antiochië gelegen was. Van daar kwamen zij in de provincie Pamfylië, waarvan Perga de hoofdstad was, waar zij te voren reeds geweest waren, Hoofdstuk 13:13, en zij kwamen er om het woord te spreken, vers 25, ene tweede aanbieding doende, om te zien, of zij nu beter gezind waren dan vroeger om het Evangelie te ontvangen. Welken voorspoed zij daar hadden wordt ons niet meegedeeld, alleen wordt ons gezegd, dat zij van daar afkwamen naar Attalië, ene stad in Pamfylië, aan de zeekust gelegen. Zij bleven niet lang in ene zelfde plaats, maar overal waar zij kwamen, streefden zij er naar een fondament te leggen, waar later op gebouwd kon worden, en het zaad te zaaien, dat mettertijd een goeden oogst zou opleveren. Nu werden de gelijkenissen van Christus verklaard, waarin Hij het koninkrijk der hemelen vergeleken heeft bij een weinig zuurdesem, dat mettertijd het gehele deeg zuur maakt, bij een mostaard zaadje, dat, wel het minste is onder al de zaden, maar tot een groten boom wordt, en bij het zaad, dat een mens in de aarde wierp, en dat uitsproot en lang werd, dat hij zelf niet wist hoe.
III. Hoe zij eindelijk terugkwamen te Antiochië in Syrië, vanwaar zij op die onderneming uitgezonden waren. Van Attalië kwamen zij over zee naar Antiochië, vers 26. En hier wordt ons gezegd,
1. Waarom zij daar kwamen, nl. omdat zij van daar der genade Gods bevolen waren geweest, en hoewel zij zelven zeer veel vermochten bij God, hebben zij toch zo grote waarde gehecht aan die plechtige aanbeveling in Gods genade, dat zij niet dachten ooit eerbied genoeg te kunnen bewijzen aan hen, die hen aldus aanbevolen hadden. Daar de broeders hen der genade Gods hadden bevolen voor het werk, dat zij volbracht hadden, dachten zij, dat zij, nu zij het volbracht hadden, hun een bericht hierover verschuldigd waren, opdat zij hen nu zouden helpen in lof- en dankzegging, zoals zij hen eerst door hun gebeden hadden geholpen.
2. Welk bericht zij hun gaven van hun handelingen, vers 27. Zij vergaderden de gemeente. Waarschijnlijk waren er meer Christenen te Antiochië, dan er gewoonlijk samen kwamen, of konden samen komen in ene plaats, of gebouw, maar bij deze gelegenheid hebben zij hun voorgangers saamgeroepen, gelijk de hoofden der stammen dikwijls de gemeente van Israël worden genoemd, zo worden de leraren en voornaamste leden der kerk te Antiochië de gemeente genoemd, of wellicht zijn er zo velen van de gemeente toen samen gekomen, als de vergaderzaal kon bevatten. Of misschien zijn sommigen op een dag en anderen op een anderen dag, of sommigen aan ene plaats, en anderen aan ene andere plaats bijeengekomen. Maar toen zij bijeen waren, hebben zij hun een bericht gegeven van twee zaken: Ten eerste. Van de tekenen, die zij ontvingen van Gods tegenwoordigheid met hen bij hun arbeid: Zij verhaalden wat grote dingen God met hen gedaan had. Zij verhaalden niet wat zij gedaan hadden, -dat zou een zweem van verwaandheid hebben gehad- maar wat God met hen en door hen gedaan had. De lof voor het weinigje dat ooit door ons gedaan werd, moet Gode toegebracht worden, want Hij is het, die niet slechts beide het willen en het werken in ons werkt, maar ook met ons werkt, ten einde hetgeen wij doen voorspoedig te maken. Gods genade kan, zonder de prediking van den leraar alles doen, maar de prediking van den leraar, zelfs de prediking van Paulus kan niets doen zonder Gods genade, en de werkingen dier genade moeten erkend worden in de kracht en uitwerking van het woord. Ten tweede. Van de vrucht op hun arbeid onder de Heidenen. Zij verhaalden hoe God den Heidenen de deur des geloofs geopend had, niet slechts had bevolen, dat zij tot den Evangelie feestmaaltijd uitgenodigd moesten worden, maar van velen onder hen het hart geneigd had, om de uitnodiging aan te nemen. Er is geen ingang tot het koninkrijk van Christus dan door de deur des geloofs, wij moeten vast geloven in Christus, of wij hebben geen deel aan Hem. Het is God, die de deur des geloofs opent, die ons de waarheden opent, dat is: toont, welke wij moeten geloven, ons hart opent om ze te ontvangen, en dit tot ene grote en krachtige deur maakt in de gemeente van Christus. Wij hebben reden om dankbaar te zijn, dat God den Heidenen de deur des geloofs geopend heeft, hun Zijn Evangelie gezonden heeft, dat onder al de Heidenen bekend is gemaakt tot gehoorzaamheid des geloofs, Romeinen 16:26, en hun ook harten gegeven heeft om het Evangelie aan te nemen. Aldus werd het Evangelie verspreid, en deszelfs licht werd al meer en meer gezien, en niemand was bij machte deze deur te sluiten, welke God geopend had, niemand, ja zelfs de machten der hel en der aarde waren daartoe niet in staat.
3. Wat zij voor het ogenblik toen deden.
Zij verkeerden aldaar geen kleinen tijd met de discipelen, vers 28, langer wellicht dan zij voornemens waren, niet omdat zij hun vijanden vreesden, maar omdat zij hun vrienden liefhadden, en niet gaarne van hen wilden scheiden.