Johannes 5:31-47
In deze verzen bewijst en bevestigt onze Heere Jezus de opdracht, waarvan Hij gesproken had, en toont aan, dat Hij van God gezonden was om de Messias te zijn.
I. Zijn eigen getuigenis omtrent Hem zelven stelt Hij ter zijde, vers 31:Indien Ik van Mij zelven getuig, hoewel mijne getuigenis onfeilbaar waar is, zult gij toch naar den gewonen regel des rechts onder de mensen, haar niet als een wettig bewijs erkennen.
1. Dat strekt tot schande der mensen, daar het hun gebrek aan waarheid en oprechtheid onderstelt. Voorzeker mogen wij in alle bedaardheid zeggen wat David gezegd heeft in zijn haasten: Alle mensen zijn leugenaars, want anders zou men nooit als stelregel hebben kunnen aannemen, dat eens mensen getuigenis van zich zelven verdacht is, dat men er niet op aan kan. Het is een teken, dat de liefde voor zich zelven sterker is dan de liefde voor de waarheid. En toch:
2. Strekt het tot eer van den Zoon van God en toont Zijn wonderbare nederigheid, dat, hoewel Hij de getrouwe Getuige is, de waarheid zelf, die eisen kan op Zijn woord te worden geloofd, het Hem toch behaagd heeft van Zijn voorrecht af te zien, en zich, ter bevestiging van ons geloof, beroept op Zijne getuigen.
II. Hij wijst dan op anderen, die van Hem getuigen, dat Hij van God gezonden was.
1. De Vader zelf heeft van Hem getuigd, vers 32. Er is een ander, die van Mij getuigt. Ik acht, dat dit bedoeld is van God, den Vader, want Christus maakt er melding van tegelijk met zijn eigen getuigenis, Hoofdstuk 8:18:Ik ben het, die van Mij zelven getuig, en de Vader, die Mij gezonden heeft, getuigt van Mij. Merk op,
a. Het zegel, dat de Vader zet op Zijne opdracht: Hij getuigt van Mij, Hij heeft dit niet slechts gedaan door ene stem van den hemel, maar doet het nog door de tekenen Zijner tegenwoordigheid bij Mij. Zie, wie het zijn, van wie God wil getuigen. Het zijn degenen, die Hij zendt en in Zijn dienst gebruikt. Aan wie Hij ene zending toevertrouwt, geeft Hij geloofsbrieven mede. Het zijn zij, die van Hem getuigen, dat heeft Christus gedaan. God zal hen erkennen en eren, door wie Hij erkend, beleden en geëerd wordt. Het zijn zij, die weigeren van zich zelven te getuigen, zoals Christus geweigerd heeft van zich zelven te getuigen God zal er zorg voor dragen, dat zij die zich zelven vernederen, en hun eigen eer niet zoeken, daar niets bij zullen verliezen.
b. Christus' voldoening in dit getuigenis: Ik weet, dat de getuigenis, welke hij van Mij getuigt, waarachtig is. Ik heb de volkomen zekerheid, dat Ik een Goddelijke zending heb, Ik twijfel er geen ogenblik aan. Aldus had Hij het getuigenis in zich zelven. De duivel verzocht Hem er aan te twijfelen, of Hij wel de Zoon van God was, maar nooit heeft Hij aan die verzoeking toegegeven.
2. Johannes de Doper getuigde van Christus, vers 33, en verder. Zijn werk was den weg voor Hem te bereiden, en de mensen op Hem te wijzen. Zie het Lam Gods.
a. Het getuigenis van Johannes was een plechtig en openbaar getuigenis. "Gijlieden hebt een gezantschap van priesters en Levieten tot Johannes gezonden, hetgeen hem in de gelegenheid stelde openlijk bekend te maken wat hij te zeggen had. Dat was dus een rechterlijk getuigenis. Het was een waar getuigenis. Hij heeft der waarheid getuigenis gegeven, zoals een getuige behoort te doen, de gehele waarheid en niets dan de waarheid. Christus zegt niet: "Hij heeft van Mij getuigd" (hoewel iedereen wist, dat hij dit gedaan heeft) maar, als eerlijk man heeft hij van de waarheid getuigd. Nu was Johannes algemeen bekend als zulk een heilig, Godvruchtig man, die zozeer der wereld was afgestorven, en zo vertrouwd was met goddelijke zaken, dat men zich niet kon voorstellen, dat hij schuldig kon wezen aan zulk een bedrog om van Christus te zeggen wat hij gezegd heeft, indien het niet overeenkomstig de waarheid was, en indien hij er niet volkomen zeker van was.
b. Twee dingen worden betreffende het getuigenis van Johannes hier bij gevoegd: Dat het was ene getuigenis ex abundanti -meer dan Hij behoefde of nodig had, vers 34. Ik neem gene getuigenis van een mens. Hoewel Christus het gepast vond om Johannes' getuigenis aan te halen, was het toch met de betuiging, dat dit niet opgenomen of uitgelegd moest worden ten nadele van het kroonrecht Zijner zelfgenoegzaamheid. Christus heeft gene brieven van aanbeveling van node, gene getuigschriften, gene getuigenissen, dan die in Zijn eigen waardij en voortreffelijkheid zijn gelegen. Waarom heeft Christus dan hier de getuigenis van Johannes aangevoerd? Waarom? Dit zeg Ik, opdat gijlieden zoudt behouden worden. In geheel Zijne rede had Hij dit op het oog, niet Zijn eigen leven te redden, maar de zielen van anderen te behouden. Hij wees op Johannes' getuigenis, omdat hij, tot hen behorende, een hunner zijnde, men kon hopen, dat zij er naar zouden luisteren. Christus begeert en bedoelt de zaligheid zelfs van Zijne vijanden en vervolgers. Het woord van Christus is het gewone middel der zaligheid. In Zijn woord neemt Christus onze zwakheid in aanmerking, en buigt Hij zich neer tot onze bevatting, te rade gaande, niet zozeer met hetgeen zo groot een Vorst past te zeggen, als wel met hetgeen wij instaat zijn te dragen, en wat ons het waarschijnlijkst goed zal doen. Dat het een getuigenis was ad hominem -op den man af, omdat Johannes de Doper iemand was, voor wie zij eerbied hadden, vers 35, hij was een licht onder ulieden. Merk op: Ten eerste. De hoedanigheid van Johannes den Doper: hij was een brandende en lichtende kaars. Christus heeft dikwijls op eervolle wijze van Johannes gesproken. Hij was nu in de gevangenis, in nood, maar Christus geeft hem den lof, die hem toekomt, en wij moeten altijd bereid zijn dat te doen voor allen, die God getrouwelijk dienen.
1. Hij was een licht, niet phoos -lux, licht, aldus was Christus het Licht, maar luknos lucerna, een licht dat ontleend is. Zijn ambt was een duistere wereld te verlichten met de kennisgeving van de nadering van den Messias, voor wie hij als de morgenster is geweest.
2. Hij was een brandend licht, hetgeen oprechtheid aanduidt, geschilderd vuur kan wel schijnend gemaakt worden, maar hetgeen brandt, is wezenlijk vuur. Het geeft ook zijne werkzaamheid, zijn ijver en vurigheid te kennen, zijn brandende liefde tot God en de zielen der mensen. Vuur werkt altijd op zichzelf of op iets anders, en dat is ook het geval met een getrouw Evangeliedienaar.
3. Hij was een schijnend licht, hetgeen of zijn voorbeeldigen levenswandel aanduidt, waarin ons licht behoort te schijnen, Mattheus 5:16, of een uitnemenden, wijd-verspreiden invloed. Hij was voortreffelijk in de ogen van anderen, hoewel hij gaarne in afzondering en onbekendheid wilde blijven, hij was in de woestijnen, maar zijne leer, zijn doop, zijn leven waren van zulk een aard, dat hij een zeer merkwaardig man was en de ogen des volks tot zich trok. Ten tweede. De genegenheid des volks voor hem: gij hebt ulieden voor een korten tijd in zijn licht willen verheugen.
1. Zij waren bij de verschijning van Johannes als in vervoering, êthelesate, gij schiep behagen u te verheugen in zijn licht. Gij waart er fier op zulk een man in uw midden te hebben, hij was de ere van uw land, gij waart gewillig, agalliasthênai -gewillig, of bereid te dansen, veel gerucht te maken over dat licht, zoals knapen over een vreugdevuur.
2. Het was slechts voorbijgaand. "Gij beminde hem pros hooran -voor ene ure, voor ene wijle, zoals kinderkens houden van iets nieuws. Gij vond voor ene wijle behagen in Johannes den Doper, maar waart hem en zijne bediening spoedig moede, en gij zei, dat hij een duivel had, en nu hebt gij hem in de gevangenis. Velen, die in het eerst zeer ingenomen zijn met het Evangelie, zullen het later verachten en verwerpen, het is iets zeer gewoons, dat belijders, die luid spreken en zich op den voorgrond dringen, verkoelen en geheel afvallen. Dezen hier verheugden zich in het licht van Johannes den Doper, maar hebben nooit in dat licht gewandeld, en daarom zijn zij er ook niet bij gebleven, zij waren als de steenachtige aarde. Zolang Herodes de vriend was van Johannes den Doper, hebben zij hem bemind en geliefkoosd, maar toen hij het misnoegen van Herodes had gaande gemaakt, onttrok ook het volk hem zijne gunst. "Gij waart gewillig Johannes te steunen pros hooran, dat is: voor tijdelijke doeleinden (zoals sommigen dit opvatten). Gij waart blijde met hem, in de hoop hem als uw werktuig te gebruiken, door zijn invloed, en door zijn naam en roem, om het Romeinse juk af te schudden, en de burgerlijke vrijheid en ere voor uw land te herkrijgen". Nu maakt Christus melding van hun eerbied voor Johannes om hen te veroordelen wegens hun tegenwoordigen tegenstand tegen Hem zelven, aan wie Johannes getuigenis had gegeven. Indien zij in hun verering voor Johannes trouw waren gebleven, zoals zij behoord hadden te doen, dan zouden zij Christus hebben aangenomen. Hij maakt melding van dit voorbijgaan van hun eerbied, om God te rechtvaardigen dat Hij hun, zoals nu geschied was, Johannes' bediening had ontnomen, en dat licht onder een korenmaat had gesteld.
3. Christus' eigen werken getuigden van Hem, vers 36:Ik heb ene getuigenis, meerder dan die van Johannes, want, zo wij de getuigen geloven van mannen, door God gezonden, zoals Johannes, de onmiddellijke getuigenis Gods, en die niet door den dienst van mensen gegeven wordt, is meerder, 1 Johannes 5:9. Merk op, dat, hoewel de getuigenis van Johannes minder krachtig en van minder aanbelang was, het onzen Heere toch behaagd heeft er gebruik van te maken. Wij moeten blijde zijn met al den steun, dien wij kunnen verkrijgen ter bevestiging van ons geloof, al is het ook, dat er geen afdoend bewijs door verkregen wordt, en wij moeten geen enkel getuigenis krachteloos verklaren onder voorgeven, dat anderen meer beslissend zijn, wij hebben ze allen nodig. Die meerdere getuigenis nu bestond in de werken, die de Vader Hem gegeven heeft te volbrengen. Dat is:
a. den gansen loop Zijns levens en van Zijne bediening-Zijn openbaren aan ons van God en van Gods wil, de oprichting van Zijn koninkrijk onder de mensen. Zijne hervorming van de wereld, Zijn verderven van het rijk van Satan, Zijn herstellen van den gevallen mens in zijn oorspronkelijke reinheid en gelukzaligheid, Zijn uitstorten van de liefde tot God en tot elkaar in het hart der mensen- al het werk, waarvan Hij, toen Hij stierf, gezegd heeft: Het is volbracht, het was alles, van het begin tot het einde: opus Deo dignum -een werk, Gode waardig. Al wat Hij zei en deed was heilig en hemels, een Goddelijke reinheid, kracht en genade blonk er in uit, overvloedig bewijzende, dat Hij van God gezonden was. b. In het bijzonder. De wonderen, die Hij wrocht ten bewijze van Zijn Goddelijke zending, getuigden van Hem. Nu wordt hier gezegd: Dat deze werken Hem door Zijn Vader gegeven waren, dat is: dat Hij beide bestemd en gemachtigd was ze te werken, want, als Middelaar heeft Hij beide de opdracht en de kracht aan Zijn Vader ontleend. Zij zijn Hem gegeven te volbrengen, Hij moet al die wonderwerken doen, die de raad en de voorkennis Gods tevoren bepaald hadden, dat zij gedaan zouden worden, en Zijn volbrengen er van bewijst een Goddelijke macht, want Gods werk is volkomen. Deze werken hebben van Hem getuigd, hebben bewezen, dat Hij van God was gezonden, en dat hetgeen Hij van zich zelven zei waar was, Hebreeën 2:4, Handelingen 2:22. Dat de Vader Hem gezonden heeft als Vader, niet zoals een meester zijn dienstknecht op ene boodschap uitzendt, maar zoals een vader zijn zoon zendt om bezit te nemen. Indien God Hem niet had gezonden, Hij zou Hem niet hebben ondersteund, zou Hem niet hebben verzegeld, zoals Hij gedaan heeft door de werken, die Hij Hem te doen gaf, want de Schepper der wereld zal nooit de misleider der wereld zijn,
4. Hij wijst meer volledig dan tevoren op de getuigenis Zijns Vaders Hem betreffende, vers 37. De Vader, die Mij gezonden heeft, die heeft zelf van Mij getuigd. De vorst is niet gewoon zelf zijn gezant te volgen om viva voce -door te spreken -zijne zending te bevestigen. Maar het heeft Gode behaagd zelf van Zijn Zoon te getuigen door ene stem van den hemel bij gelegenheid van Zijn doop, Mattheus 3:1 7: Dat is Mijn Gezant, deze is Mijn geliefde Zoon. De Joden achtten Bath-kol -de dochter ener stem, ene stem van den hemel te zijn, een van de middelen, door welke God Zijn wil en bedoeling te kennen gaf, en door dat middel heeft Hij Christus openlijk en plechtig erkend, en Hij heeft dit herhaald, Mattheus 17:5. God zal getuigenis afleggen van hen, die door Hem gezonden worden, als Hij ene opdracht geeft, zal Hij niet falen die opdracht te bezegelen, Hij, die zich nooit onbetuigd heeft gelaten, Handelingen 14:17, zal ook Zijne dienstknechten niet onbetuigd laten, die op Zijne boodschappen uitgaan. Waar God geloof eist, zal Hij niet falen er genoegzaam bewijs voor te leveren, zoals Hij betreffende Christus ook gedaan heeft. Wat betreffende Christus getuigd moest worden bestond voornamelijk hierin, dat God, dien wij beledigd hadden, bereid was Hem als Middelaar aan te nemen. Hieromtrent nu heeft Hij zelf ons volkomen voldoening gegeven (en Hij was het geschiktst om dit te doen) verklarende een welbehagen in Hem te hebben, indien wij dit nu ook hebben, dan is het werk gedaan. Nu zou men kunnen vragen: indien God zelf aldus van Christus getuigd heeft, hoe kwam het dan, dat Hij door het Joodse volk en zijne oversten niet algemeen aangenomen werd? Hierop antwoordt Christus, dat dit niet vreemd geacht moest worden, ook kon hun ongelovigheid Zijne geloofwaardigheid niet tenietdoen, en wel om twee redenen: -Omdat zij niet bekend waren met zulke buitengewone openbaringen van God en Zijn wil: Gij hebt noch Zijne stem ooit gehoord, noch Zijne gedaante gezien. Zij betoonden zich even onbekend met God, hoewel zij beleden tot Hem in betrekking te staan, als wij ten opzichte van iemand, dien wij nooit gezien of gehoord hebben. "Maar waarom spreek Ik tot u van Gods getuigenis van Mij? Gij kent Hem niet, gij weet niets van Hem, gij hebt gene gemeenschap met Hem." Onbekendheid met God is de ware reden van der mensen verwerping van de getuigenis, die Hij van Zijn Zoon heeft gegeven. Een recht begrip van den natuurlijken Godsdienst zou ons zulk een heerlijke gepastheid ontdekken in den Christelijken Godsdienst, dat ons hart geneigd en gezind zou worden om hem te omhelzen. Sommigen geven hier deze betekenis aan: "De Vader heeft van Mij getuigd door ene stem, en het nederdalen ener duive, dat iets zo buitengewoons is, dat gij nooit tevoren iets dergelijks gezien of gehoord hebt, en toch geschiedde om mijnentwil die stem en die nederdaling der duive, ja, en gij zoudt die stem hebben kunnen horen, gij zoudt die duive hebben kunnen zien nederdalen, evenals de anderen, indien gij de prediking van Johannes trouw had bijgewoond, maar door haar te veronachtzamen, hebt gij die getuigenis gemist. Omdat zij niet aangedaan, of getroffen, waren door de gewone middelen, door welke God zich aan hen had geopenbaard: Zijn woord hebt gij niet in u blijvende, vers 38. Zij hadden de Schriften des Ouden Testaments, hadden dezen hen niet geneigd moeten maken om Christus te ontvangen? Ja, indien zij den rechten invloed op hen hadden gehad. Maar: Ten eerste. Het woord Gods was niet in hen, het was onder hen, in hun land, in hun handen, maar niet in hen, niet in hun hart, niet heersende in hun ziel, maar slechts schijnende in hun ogen en klinkende in hun oren. Wat baatte het hun, dat hun de woorden Gods waren toe- vertrouwd? Romeinen 3:2, als deze woorden niet heersten in hen? Indien dit wèl zo ware, dan zouden zij Christus geredelijk hebben aangenomen. Ten tweede. Het was niet in hen blijvende. Er zijn velen, in wie het woord Gods wel komt, en voor ene wijle zijn zij ook onder den indruk er van, maar het blijft niet in hen, het is niet voortdurend in hen, zoals iemand in zijn tehuis is, het is er slechts nu en dan, zoals een reiziger in een herberg. Indien het woord in ons blijft, als wij er gemeenschap mede hebben door menigvuldige overpeinzing, er bij iedere gelegenheid mede te rade gaan, er ons naar regelen in onzen levenswandel, dan zullen wij geredelijk de getuigenis van den Vader aannemen betreffende Christus, zie Hoofdstuk 7:17. Maar hoe bleek het, dat het woord Gods niet blijvende in hen was? Dat is hieruit gebleken: Gij gelooft dien niet, dien Hij gezonden heeft. Er was in het Oude Testament zo veel betreffende Christus gezegd, om het volk te leren wanneer en waar zij naar Hem hadden uit te zien, en aldus de ontdekking van Hem te vergemakkelijken, dat zo zij behoorlijk over deze dingen hadden nagedacht, zij wel tot de overtuiging hadden moeten komen, dat Christus van God gezonden was, zodat hun niet geloven in Christus een onmiskenbaar teken was, dat het woord Gods niet blijvende was in hen. De inwoning van het woord, den Geest, en Gods genade in ons wordt het best getoetst aan hare uitwerkselen, inzonderheid door ons ontvangen van wat Hij zendt, de geboden, de boodschappers, de leidingen Zijner voorzienigheid, en zeer bijzonder Christus, dien Hij gezonden heeft.
5. De laatste getuigenis, die Hij noemt, is het Oude Testament, hetwelk van Hem getuigde, en daarop beroept Hij zich, vers 39. Onderzoekt de Schriften, ereunate.
a. Dit kan gelezen worden, hetzij: Gij onderzoekt de Schriften, en gij doet er wèl aan. Dagelijks leest gij ze in uwe synagogen, gij hebt rabbi's, en leraren, en schriftgeleerden, die er hun werk van maken ze te bestuderen en te verklaren." De Joden roemden op den bloei der schriftgeleerdheid in de dagen van Hillel, die ongeveer twaalf jaren na Christus' geboorte gestorven is, en zij achtten sommigen van hen, die toen leden waren van het sanhedrin, als de schoonheid hunner wijsheid en den roem hunner wet, en Christus erkent, dat zij ook wezenlijk de Schriften onderzochten, maar het was een zoeken van hun eigen eer. "Gij onderzoekt de Schriften, en daarom zoudt gij, indien gij niet willens blind waart, in Mij geloven." Het is mogelijk, dat de mensen grote kennis hebben van de letter der Schrift, en toch vreemd zijn aan de kracht en den invloed er van. Of: Gelijk wij het lezen: Onderzoekt de Schriften, en aldus was het tot hen gezegd: Ten eerste. Bij wijze van beroep. "Gij zegt de Schriften aan te nemen en te geloven, hier zal Ik Mij met u aan de uitspraak van den rechter onderwerpen, laat de Schrift dus rechter zijn, mits gij niet aan de letter hangen blijft" (hoerere in cortice) "maar haar wilt onderzoeken". Als men zich op de Schrift beroept, moet men haar onderzoeken. Onderzoek al de Schriften, vergelijk de ene plaats met de andere en verklaar de ene door de andere. Evenzo moeten wij bijzondere plaatsen zeer grondig onderzoeken, en zien, niet wat zij op het eerste gezicht schijnen te zeggen, maar wat zij wezenlíjk zeggen. Ten tweede. Dit is gesproken tot ons bij wijze van raadgeving, of bevel aan alle Christenen om de Schriften te onderzoeken. Allen, die Christus willen vinden, moeten de Schriften onderzoeken, ze niet slechts lezen of horen, maar ze onderzoeken, hetgeen aanduidt:
1. Naarstigheid in het onderzoeken, arbeid en studie, grote inspanning van den geest.
2. Begeerte en doel om te vinden. Wij moeten geestelijk voordeel beogen bij het lezen en onderzoeken der Schrift en dikwijls vragen: "Waarnaar doe ik onderzoek?" Wij moeten zoeken als naar verborgen schatten, Spreuken 2:4, als degenen die graven naar goud, of duiken naar paarlen, Job 28:1-11. Dat heeft de Bereërs geadeld, Handelingen 17:11.
b. Nu zijn er twee dingen, die ons bevolen worden hierbij op het oog te hebben: de hemel, als ons doel, en Christus, als onze Weg. Wij moeten de Schriften onderzoeken om den hemel, ons groot doel, te vinden. Want gij meent in dezelven het eeuwige leven te hebben. De Schrift verzekert ons van een eeuwigen staat, ons voorgesteld, en biedt ons het eeuwige leven in dien staat. Zij bevat de kaart, waarop hij getekend en beschreven is, het voorrecht, waardoor men er komt, den weg, die er henen leidt, en het fondament waarop de hoop er op gegrond is, en het is wel der moeite waard te zoeken, waar wij zo zeker zijn van te zullen vinden. Maar tot de Joden zegt Jezus Christus alleen: "gij meent in de Schrift het eeuwige leven te hebben, omdat, hoewel zij het geloof aan en de hoop op het eeuwige leven behielden, en hun verwachting er van grondden op de Schriften, zij hierin echter hebben misgetast, dat zij het van het blote lezen en bestuderen der Schriften verwachtten. Het was een gewoon, doch verdorven gezegde onder hen: "Hij, die de woorden der wet heeft, heeft het eeuwige leven." Zij dachten zeker te zijn van den hemel, indien zij zekere gedeelten der Schrift, daartoe aangewezen door de inzettingen der ouden, van buiten konden opzeggen, en zij dachten, dat het gemene volk vervloekt was, omdat zij aldus de wet niet wisten, Hoofdstuk 7:49. En zo kwamen zij dan tot de gevolgtrekking, dat alle geleerden ongetwijfeld zalig worden. Wij moeten de Schrift onderzoeken om Christus te vinden, als zijnde de verse en levende Weg, die tot dat doel heenleidt. Dezen, de grote en voorname getuigen, zijn het, die van Mij getuigen. De Schriften, zelfs die van het Oude Testament, getuigen van Christus, en door haar getuigt God van Hem. De Geest van Christus, die in de profeten was, heeft tevoren van Hem getuigd. 1 Petrus 1:11, getuigd van de bedoelingen en beloften Gods omtrent Hem. De Joden wisten zeer goed, dat het Oude Testament van den Messias getuigde, en waren ook oordeelkundig in hun opmerkingen over de plaatsen, die hierover handelen, en toch waren zij onachtzaam in de toepassing er van. Daarom moeten wij de Schriften onderzoeken, en kunnen wij hopen bij dat onderzoek het eeuwige leven te zullen vinden, omdat zij van Christus getuigen, want dit is het eeuwige leven, Hem te kennen, 1 Johannes 5:11. Christus is de schat, verborgen in den akker der Schrift, het water in die bron.
c. Bij dit getuigenis voegt Hij ene bestraffing wegens hun ongeloof en hun goddeloosheid in vier opzichten, inzonderheid hun veronachtzaming van Hem en van Zijne leer: "Gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben," vers 40. Gij onderzoekt de Schriften, gij gelooft de profeten, die, zoals gij wel moet zien, van Mij getuigen, en toch wilt gij tot Mij niet komen, naar wie zij u heen wijzen." Hun vervreemding van Christus was de schuld, niet zozeer van hun verstand als van hun wil. Dit wordt uitgedrukt als ene klacht: Christus bood het leven aan, maar het werd niet aangenomen. Er is in Jezus Christus leven voor arme zielen, wij kunnen het leven hebben, het leven der vergeving, en genade, en vertroosting, en heerlijkheid. Leven is de volkomenheid van ons bestaan en sluit alle geluk in, en Christus is ons leven. Zij, die dat leven wensen te hebben, moeten tot Jezus Christus er voor komen, wij kunnen het verkrijgen, zo wij er om tot Hem komen. Het onderstelt ene instemming van het verstand met de leer van Christus, en met het getuigenis omtrent Hem gegeven. Het is gelegen in de toestemming van den wil in Zijn bestuur en genade, en het brengt een ongeveinsde onderwerping te weeg van ons hart en onze genegenheden aan Zijn wil en gebod. De enige reden, waarom zondaren sterven, is dat zij niet tot Christus willen komen om leven en zaligheid van Hem te ontvangen. Het is niet omdat zij niet kunnen, maar omdat zij niet willen. Zij willen het aangeboden leven niet aannemen, omdat het geestelijk en Goddelijk is, en zij willen het niet aannemen op de voorwaarden, waarop het hun is aangeboden, en zij willen ook de bestemde middelen daartoe niet gebruiken. Zij willen niet genezen worden, want zij willen zich aan de methode der genezing niet onderwerpen. De moedwil en de hardnekkigheid der zondaren in het afwijzen van de aanbiedingen der genade zijn een grote smart voor den Heere Jezus, en waarover Hij klaagt. De woorden, vers 41: Ik neem gene eer van mensen, staan in een tussenzin, om ene tegenwerping te voorkomen, alsof Hij Zijn eigen eer of heerlijkheid zocht, en zich tot hoofd ener partij opwierp, door allen te verplichten tot Hem te komen en Hem toe te juichen. Hij heeft de toejuiching der mensen noch begeerd, noch gezocht: Hij heeft niet gestreefd naar dien wereldsen glans en pracht, waarin de vleselijk-gezinde Joden verwachtten, dat de Messias zou verschijnen. Hij gebood hun, die Hij genas, Hem niet bekend te maken, en onttrok zich aan hen, die Hem koning wilden maken. Hij had de toejuiching der mensen niet. In plaats van eer te ontvangen van mensen, heeft Hij zeer veel versmaadheid van mensen ontvangen, want Hij heeft zich zelven vernietigd.
3. Hij had de toejuiching der mensen niet nodig, zij heeft niets toegevoegd aan de ere van Hem, dien al de engelen Gods aanbidden, ook heeft zij Hem niet anders behaagd dan in zover zij overeenkomstig den wil des Vaders was, en strekken kon tot het geluk van hen, die door Hem ere te geven, veel groter eer van Hem ontvingen. Hun gebrek aan liefde tot God: Ik ken ulieden, dat gij de liefde Gods in uzelven niet hebt, vers 42. Waarom zou het Mij verwonderen, dat gij niet tot Mij komt, daar u toch zelfs het eerste beginsel van den natuurlijken Godsdienst ontbreekt, welke is de liefde tot God? De reden, waarom de mensen Christus veronachtzamen, is, dat zij God niet liefhebben, want indien wij God waarlijk liefhadden, dan zouden wij ook Hem liefhebben, die Zijn uitgedrukt beeld is, en dan zouden wij ons haasten om tot Hem te komen, door wie alleen wij in Gods gunst hersteld kunnen worden. Hij beschuldigde hen, in vers 37, van onbekendheid met God, en hier van gebrek aan liefde tot Hem, de mensen hebben gene liefde tot God, omdat zij gene begeerte hebben Hem te kennen. Let op: Ten eerste. De misdaad, die hun ten laste gelegd wordt: Gij hebt de liefde Gods niet in u. Zij beweerden grote liefde te hebben tot God, en dachten dit te bewijzen door hun ijver voor de wet, den tempel en den sabbat, en toch waren zij in werkelijkheid zonder de liefde Gods. Er zijn velen, die een fraaie belijdenis van den Godsdienst afleggen, maar toch hun gebrek aan liefde tot God tonen door hun veronachtzaming van Zijne geboden, zij haten Zijne heiligheid en onderschatten Zijne goedheid. Het is de liefde Gods in ons, de liefde, die zetelt in ons hart, een levend, werkzaam beginsel in het hart, die God wil aannemen, de liefde, die in ons hart is uitgestort, Romeinen 5:5.
Ten tweede. Het bewijs voor deze beschuldiging, door de persoonlijke kennis van Christus, die de harten onderzoekt, Openbaring 2:23, en weet wat in den mens is, Ik ken u. Christus doorziet al onze bedekselen, en tot een iegelijk onzer kan Hij zeggen: Ik ken u. 1. Christus kent de mensen beter dan hun naburen hen kennen. Het volk dacht, dat de Schriftgeleerden en Farizeeën zeer vrome en Godvruchtige mensen waren, maar Christus wist, dat zij de liefde Gods niet in zich hadden.
2. Christus kent de mensen beter dan zij zich zelven kennen. Deze Joden hadden een zeer goeden dunk van zich zelven, maar Christus wist hoe verdorven hun binnenste was, in weerwil van het schoonschijnende uiterlijk. Wij kunnen ons zelven bedriegen, maar Hem kunnen wij niet bedriegen.
3. Christus kent mensen, die Hem niet kennen en niet willen kennen. Hij ziet op hen, die al hun best doen om hun ogen van Hem af te wenden, en noemt diegenen bij hun naam, hun waren naam, die Hem niet gekend hebben. Een andere misdaad, die hun ten laste gelegd wordt, is hun bereidwilligheid
om valse Christussen en valse profeten te ontvangen, terwijl zij hardnekkig Hem tegenstonden, die de ware Messias is, vers 43. Ik ben gekomen in den naam Mijns Vaders, en gij neemt Mij niet aan, zo een ander komt in zijn eigen naam, dien zult gij aannemen. Ontzet u hierover, gij hemelen, want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan, Jeremia 2:12, 13. Grote boosheden, voorwaar! Ten eerste. Zij hebben: den springader des levenden waters verlaten, want zij hebben Christus niet willen aannemen, die gekomen is in den naam Zijns Vaders, Zijne opdracht had van Zijn Vader, en alles deed tot Zijne eer.
Ten tweede. Zij hebben zich zelven bakken uitgehouwen, gebroken bakken. Zij horen naar ieder, die in zijn eigen naam tot hen komt. Zij geven hun eigen zegeningen op, hetgeen al erg genoeg is, en het is voor valse ijdelheden, dat nog erger is. Merk hier op:
1. Het zijn valse profeten, die komen in hun eigen naam, die lopen zonder gezonden te zijn, en slechts zich zelven bedoelen.
2. Het is rechtvaardig in God, dat Hij hen bedrogen liet worden door valse profeten, die de liefde der waarheid niet hebben aangenomen, 2 Thessalonicenzen 2:10, 11. De dwalingen van den antichrist zijn de rechtvaardige straf voor hen, die de leer van Christus niet gehoorzamen. Zij, die hun ogen sluiten voor het ware licht, worden door het oordeel Gods overgegeven om eindeloos om te dwalen in vals licht, en door ieder ignis fatuus ter zijde te worden afgeleid.
3. Het is de grote dwaasheid van velen, dat zij een afkeer hebben van oude waarheden, terwijl zij iedere nieuwe dwaling met geestdrift ontvangen, zij walgen van het manna, en ondertussen voeden zij zich met as. Nadat de Joden Christus en Zijn Evangelie hadden verworpen, werden zij voortdurend bedrogen door valse Christussen en valse profeten, Mattheus 24:24, en hun neiging om de zodanige te volgen veroorzaakte die beroeringen en opstanden, welke hun val verhaastten. Er wordt hun hier ook hoogmoed en ijdelheid ten laste gelegd, en als gevolg daarvan, ongeloof, vers 44. Scherpelijk hun ongeloof bestraft hebbende, doet Hij, als een wijs geneesheer, onderzoek naar de oorzaak er van, en legt Hij de bijl aan den wortel. Zij veronachtzaamden en onderschatten Christus, omdat zij zich zelven bewonderden en overschatten, Hier is: Ten eerste. Hun eerzucht naar wereldse grootheid. Christus verachtte haar: vers 41. Zij hebben er hun hart op gezet. Gij neemt eer van elkaar. Dat is: "Gij verwacht een Messias in uitwendige pracht en belooft uzelven wereldse eer door Hem te zullen verkrijgen. Gij neemt eer:
1. "Gij begeert haar te ontvangen, en streeft hiernaar in al uw doen."
2. "Gij geeft eer aan anderen en juicht hen toe, met geen ander doel dan dat zij op hun beurt u zullen eren en toejuichen." Het is de kunstgreep van den hoogmoedige ere toe te werpen aan anderen, opdat zij op hem zelven terug zal vallen.
3. "Gij draagt er zorg voor om alle eer voor uzelven te behouden, haar tot uw eigen partij te bepalen, alsof gij het monopolie had van hetgeen eervol is". De achting of eerbied, die u betoond wordt, neemt gij aan voor uzelven, en geeft haar niet aan God, en daarin handelt gij dan zoals Herodes gehandeld heeft. De mensen en hun gevoelens te vergoden, en zich dan door hen te laten vergoden is, een afgoderij, die evengoed als elke andere indruist tegen het Christendom.
Ten tweede. Hun veronachtzamen van geestelijke eer, welke hier genoemd wordt de eer, die van God alleen is, deze zochten zij niet, om deze bekommerden zij zich niet. Ware eer is die, welke alleen van God komt, diegenen zijn in waarheid eerbaar en acht baar, die door Hem in het verbond worden opgenomen, en met wie Hij gemeenschap oefent. Deze eer hebben al de heiligen. Allen, die in Christus geloven, ontvangen door Hem de eer, die van God komt. Hij is niet partijdig, Hij zal ere geven waar Hij genade geeft. Deze eer, die van God komt, moeten wij zoeken, moeten wij op het oog hebben, met niets minder moeten wij tevreden wezen, Romeinen 2:29. Wij moeten haar ons loon achten, zoals de Farizeeën den lof der mensen. Zij, die niet tot Christus komen, en zij, die naar wereldse eer streven, tonen dat zij niet de eer zoeken, die van God komt, en dat is hun dwaasheid en hun verderf.
Ten derde. De invloed, dien dit had op hun ongeloof. "Hoe kunt gij geloven, als gij aldus gezind zijt?" Let hier op:
1. Dat de moeilijkheid om te geloven uit ons zelven voortkomt en uit ons bederf, wij maken ons zelf het werk zwaar, en dan klagen wij dat wij het niet doen kunnen.
2. Dat de eerzucht, het streven naar wereldse eer, een grote hinderpaal is voor het geloof in Christus. Hoe kunnen zij geloven, die van den lof en de toejuiching der mensen hun afgod maken? Als de belijdenis en het oefenen van ernstige Godsvrucht uit de mode zijn, overal tegengesproken worden, -als men zich over Christus en Zijne volgelingen verbaast, als een Christen te zijn hetzelfde is als een "gesprenkelde vogel" te zijn (en dat is gewoonlijk het geval) hoe kunnen zij dan geloven, wier hoogste eerzucht het is een schoon gelaat te tonen naar het vlees? 6. De laatste getuige, op wie Hij zich beroept, is Mozes, vers 45 en verder. De Joden hadden een grote verering voor Mozes, en lieten er zich op voorstaan Mozes' discipelen te zijn, zij gaven voor Mozes aan te hangen in hun tegenstand tegen Christus. Maar Christus toont hun hier:
a. Dat Mozes een getuige was tegen de ongelovige Joden, en hen verklaagde bij den Vader. Die u verklaagt is Mozes. Dit kan verstaan worden: of: Als het verschil aantonende tussen de wet en het Evangelie. Mozes, dat is de wet, verklaagt u, want door de wet is de kennis der zonde, zij veroordeelt u, zij is hun, die op haar betrouwen, ene bediening des doods en der verdoemenis. Maar het doel van Christus' Evangelie is niet ons te verklagen: Meent niet, dat Ik u verklagen zal. Christus is niet in de wereld gekomen om iedereen te bedillen, met iedereen te twisten, of als iemand, die de handelingen der mensen bespioneert, of om misdaden uit te lokken, neen, Hij is gekomen om een Voorspraak niet om een beschuldiger te zijn, om verzoening teweeg te brengen tussen God en den mens, niet om hen nog meer van elkaar te verwijderen. Welke dwazen waren zij dan, die Mozes aanhingen tegenover Christus, en onder de wet wilden zijn? Galaten 4:21. Of, als het blijkbaar onredelijke aantonende van hun ongeloof: "Denkt niet, dat Ik Mij van uwe rechtbank op Gods rechtbank zal beroepen, en u zal tarten om dáár te verantwoorden wat gij tegen Mij doet, zoals de belaagde onschuld gewoonlijk doet, neen, dat heb Ik niet nodig, gij zijt alrede aangeklaagd en voor het hof des hemels gedaagd. Mozes zelf zegt genoeg om u schuldig te doen verklaren en u te doen veroordelen om uw ongeloof". Zij moeten zich ten opzichte van Christus niet vergissen, hoewel Hij een profeet was, zal Hij Zijn in vloed in den hemel niet gebruiken tegen hen, die Hem hebben vervolgd, Hij heeft niet, gelijk Elia, God aangesproken tegen Israël, Romeinen 11:2:noch, evenals Jeremia, begeerd Gods wraak van hen te zien, Jeremia 20:12. In stede van hen, die Hem kruisigden, bij den Vader te verklagen, heeft Hij gebeden: Vader, vergeef hun. En laat hen zich ook niet vergissen omtrent Mozes, alsof hij hen zou steunen in hun verwerpen van Christus, neen, die u verklaagt is Mozes, op welken gij gehoopt hebt. Uitwendige voorrechten en voordelen zijn gewoonlijk de ijdele hoop van hen, die Christus en Zijne genade verwerpen. De Joden hoopten op Mozes en dachten, dat zij behouden zouden worden, omdat zij zijne wetten en inzettingen hadden. Zij, die betrouwen op hun voorrechten, zonder ze te gebruiken, zullen niet slechts in hun vertrouwen teleurgesteld worden, maar diezelfde voorrechten zullen tegen hen getuigen.
b. Dat Mozes een getuige was voor Christus en Zijne leer, vers 46, 47.
Hij heeft van Mij geschreven. Mozes heeft inzonderheid van Christus geprofeteerd als het Zaad der vrouw, het Zaad van Abraham, den Silo, den groten Profeet. De ceremoniën van de wet van Mozes waren een voorbeeld degene, die komen zou. De Joden maakten Mozes tot den patroon, of beschermer, van hun oppositie tegen Christus, maar Christus toont hun hier hun dwaling, wel verre dat Mozes tegen Christus geschreven zou hebben, heeft hij voor Hem geschreven, en van Hem geschreven. Maar Christus legt hier den Joden ten laste, dat zij Mozes niet geloofden. Hij had gezegd, vers 45, dat zij op Mozes betrouwden, maar hier bewijst Hij hun, dat zij Mozes niet geloofden. Zij betrouwden op zijn naam, maar zij namen zijne leer niet aan in haar waren zin en. betekenis, hetgeen in de geschriften van Mozes betreffende den Messias was, hebben zij niet recht begrepen, en zij hebben er ook geen geloof aan gehecht. Hij bewijst die beschuldiging uit hun ongeloof aan Hem: Indien gij Mozes geloofde, zo zoudt gij Mij geloven. De zekerste toetssteen voor het geloof is gelegen in hetgeen het uitwerkt. Velen zeggen dat zij geloven, maar zij worden gelogenstraft door hun daden, want indien zij de Schriften geloofden, zij zouden anders handelen. Zij, die het ene deel der Schrift wezenlijk geloven, zullen ook de gehele Schrift geloven. De profetieën van het Oude Testament zijn zo volkomen vervuld in Christus, dat zij, die Christus verwierpen, hiermede die profetieën loochenden. Uit hun niet geloven van Mozes leidt Hij af, dat het niet vreemd was, dat zij Hem verwierpen: Zo gij zijne schriften niet gelooft, hoe zult gij Mijne woorden geloven? Hoe zou men kunnen denken dat gij Mijne woorden zoudt geloven? Indien gij de gewijde Schriften niet gelooft, de orakelen in zwart op wit, hoe zult gij Mijne woorden geloven, daar op het gesproken woord gewoonlijk minder gelet wordt dan op het geschreven woord. Indien gij Mozes niet gelooft, voor wie gij zulk een hoge verering hebt, hoe zult gij Mij geloven, dien gij met zoveel minachting aanziet? Zie Exodus 6:11. Indien gij niet gelooft wat Mozes van Mij gesproken en geschreven heeft, hetgeen een krachtig getuigenis voor Mij is, hoe zult gij dan geloof hebben in Mij en in Mijne zending? Indien wij de premissen niet erkennen, hoe zullen wij dan de er uit afgeleide gevolgtrekking erkennen? De waarheid van den Christelijken Godsdienst een zaak van zuiver Goddelijke openbaring zijnde, hangt zij ook af van het Goddelijk gezag der Schrift, indien wij dus niet in de Goddelijke ingeving dier Schiften geloven, hoe zullen wij dan de leer van Christus aannemen? Aldus eindigt Christus' pleitrede voor zich zelven ter beantwoording van de tegen Hem ingebrachte beschuldiging. Wat zij uitgewerkt heeft is ons onbekend: maar voor het ogenblik schijnt hun mond gestopt te zijn geweest, en uit schaamtegevoel moesten zij de vervolging wel opgeven, maar toch bleef hun hart onveranderd.