Handelingen 17:10-15
In deze verzen hebben wij:
I. Het vertrek van Paulus en Silas naar Berea, waar zij het Evangelie predikten, vers 10. Zij waren te Thessalonica zo ver gekomen, dat er de grond gelegd was voor het stichten ener gemeente. Anderen werden opgewekt om den aangevangen arbeid voort te zetten, tegen wie de oversten en het volk niet zo bevooroordeeld waren als tegen Paulus en Silas, daarom hebben dezen, toen de storm opstak, dit als ene aanduiding voor hen beschouwd, dat zij voor het ogenblik die plaats moesten verlaten, en hebben zij zich dan ook teruggetrokken. Het gebod van Christus aan Zijne discipelen: Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de andere, bedoelt niet zo zeer hun veiligheid "Vliedt in de andere om u daar te verbergen," als wel de voortzetting van hun arbeid, "vliedt in ene andere om daar te prediken", zoals blijkt uit de reden, die er voor opgegeven wordt- Gij zult uwe reis door de steden Israël's niet geëindigd hebben, of de Zoon des mensen zal gekomen zijn, Mattheus 10:23. Aldus ging spijze uit van den eter en is des duivels wapen tegen zich zelven gekeerd, hij dacht door de apostelen te vervolgen den voortgang van het Evangelie te stuiten, maar het werd zo bestuurd, dat het er juist door bevorderd werd. Zie hier:
1. De zorg, die de broederen voor Paulus en Silas hebben gedragen, toen zij bemerkten welk complot er tegen hen gesmeed werd: zij zonden terstond des nachts Paulus en Silas weg naar Berea. Dat kon voor de pas bekeerden gene verrassing zijn, Want toen wij bij u waren -zegt Paulus tot hen, 1 Thessalonicenzen 3:4- toen wij voor het eerst tot u gekomen zijn, voorzeiden wij u, dat wij zouden verdrukt worden, gelijk ook geschied is, en gij weet het. Het schijnt wel, dat Paulus en Silas gaarne gebleven zouden zijn, den storm het hoofd hadden willen bieden, indien de broeders het hun hadden toegelaten, maar zij wilden liever hun hulp ontberen, dan hun leven in gevaar te zien, dat aan hun vrienden dierbaarder scheen te zijn, dan aan hen zelven. Zij zonden hen weg des nachts, onder bedekking van den nacht, alsof zij kwaaddoeners waren.
2. De standvastigheid van Paulus en Silas in hun arbeid, zij vluchtten wel van Thessalonica, maar niet van den dienst van Christus. Toen zij te Berea kwamen, gingen zij naar de synagoge der Joden, en zijn daar openlijk verschenen. Hoewel de Joden te Thessalonica hun boosaardige vijanden waren, en-voor zoveel zij wisten-die te Berea dit wellicht ook zijn zouden, hebben zij daarom niet geweigerd, hetzij uit wraak wegens de beledigingen en het onrecht hun aangedaan, of uit vrees voor het kwaad, dat hun misschien aangedaan zou worden, den Joden hun achting te gaan betuigen. Als anderen hun plicht niet willen doen aan ons, behoren wij toch onzen plicht te doen aan hen. Het goede karakter van de Joden te Berea, vers 11. Dezen waren edeler dan die te Thessalonica waren. De Joden in de synagoge te Berea waren meer gezind om het Evangelie te ontvangen dan de Joden in de synagoge te Thessalonica. Zij waren er niet zo tegen bevooroordeeld, niet zo korzelig en gemelijk, zij waren edeler -eugenesteroi -beter opgevoed, wellevender.
1. Zij waren ruimer in hun denken, waren meer vatbaar voor overtuiging, meer bereid om naar rede te luisteren, er de kracht van te erkennen, en in te stemmen met hetgeen hun toescheen waarheid te zijn, al was het ook in strijd met hun vorige gevoelens, dit was edeler.
2. Zij hadden een beter humeur, waren niet zuur en gemelijk, niet kwalijk gezind tegen allen, die niet van hun mening waren. Gelijk zij bereid waren zich te verbinden met hen, met wie zij door de kracht der waarheid tot eenstemmigheid waren gekomen, zo wilden zij ook in de liefde blijven jegens hen, met wie zij reden vonden te verschillen, dit was edeler- Zij hebben niet voorbarig geoordeeld over de zaak, noch waren zij afgunstig op hen, die haar voorstonden, zoals de Joden te Thessalonica, maar edelmoedig van zin en ruim van hart, hebben zij zonder hartstocht of partijdigheid de zaak onderzocht, en hun die haar voorstonden gehoor verleend, want:
A. Zij ontvingen het woord met alle toegenegenheid, begrepen er terstond de betekenis van, en sloten hun ogen niet voor het licht. Evenals Lydia namen zij acht op hetgeen van Paulus gesproken werd, en zij hoorden het met genoegen. Zij hebben niet getwist met het woord, hebben er niet op gevit, zochten gene gelegenheid tegen de predikers er van, maar heetten het welkom, en gaven een goeden, gunstigen zin aan alles wat gezegd werd, Hierin waren zij edeler dan de Joden te Thessalonica, hebben zij gewandeld in dezelfden geest en in dezelfde voetstappen als de Heidenen aldaar, van wie gezegd is, dat zij het woord aangenomen hebben met blijdschap des Heiligen Geestes en zich tot God bekeerd hebben van de afgoden, 1 Thessalonicenzen 1:6, 9. Dat was in waarheid edel. De Joden hebben er zeer in geroemd Abrahams zaad te zijn, achtten zich van goede geboorte, vonden dat zij van gene betere geboorte konden zijn. Maar hier wordt hun gezegd wie onder hen het edelst, het meest welopgevoed waren, nl. zij, die het meest gezind waren het Evangelíe aan te nemen, in wie de hoge gedachte gevangen geleid en tot de gehoorzaamheid van Christus gebracht is. Dezen waren de edelsten. Nobilitas sola est atque unica virtus Deugd en Godsvrucht zijn ware adeldom, ware eer, en zonder dezen-Stemmata quid prosunt - Wat zijn stambomen en weidse titels? Wat is hun waardij?
B. Zij onderzochten dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren. Hun bereidwilligheid om het woord te ontvangen was niet van dien aard, dat zij alles maar op horen zeggen aannamen, aan alles wat zij hoorden, een onbepaald geloof hechtten. Neen, daar Paulus zijne argumenten aan de Schrift ontleende, hen naar het Oude Testament verwees voor het bewijs van hetgeen hij zei, namen zij hun Bijbel ter hand, zochten de plaatsen op, waarnaar hij hen verwees, lazen het context, overwogen er het doel en de strekking van, vergeleken ze met andere Schriftuurplaatsen, gingen na, of de gevolgtrekkingen, die Paulus er uit afleidde, juíst en natuurlijk, en de argumenten, die hij er op grondde, steekhoudend waren, en naar de uitkomst van dit hun onderzoek kwamen zij dan tot een besluit. Merk op:
a. De leer van Christus vreest geen nauwkeurig onderzoek. Wij, die Zijne zaak bepleiten, verlangen slechts, dat de mensen niet zullen zeggen: Deze dingen zijn niet zo, voordat zij zonder vooroordeel en partijdigheid onderzocht hebben, of zij al of niet zo zijn.
b. Het Nieuwe Testament moet onderzocht en getoetst worden aan het Oude. De Joden namen het Oude Testament aan, en als zij, die dit deden, de zaken recht beschouwden, kon het niet anders of zij moesten genoegzamen grond vinden, om het nieuwe aan te nemen, omdat zij er al de profetieën en beloften van het oude nauwkeurig en volkomen in vervuld zagen.
c. Zij, die de Schriften lezen en aannemen, moeten ze onderzoeken, Johannes 5:39, moeten ze bestuderen, en zich moeite geven om ze te overdenken, zowel om de waarheid te ontdekken, die er in opgesloten is, er de betekenis van niet mis te verstaan en aldus in dwaling te vervallen, of in dwaling te blijven, als ook om de gehele waarheid te ontdekken, die er in vervat is, ten einde niet te blijven bij ene oppervlakkige kennis in den buitensten voorhof der Schrift, maar tot ene innige bekendheid te komen met den wil en de bedoeling Gods, die er in geopenbaard zijn.
d. De Schriften te onderzoeken moet ons dagelijks werk wezen, zij, die het woord hoorden in de synagoge op den sabbatdag, hebben niet gedacht dat dit genoeg was, neen, zij hebben het ook op iedere dag der week onderzocht, ten einde toe te passen wat zij op den vorigen sabbat hadden gehoord, en zich te bereiden voor hetgeen zij op den volgenden sabbat zullen horen.
d. Diegenen zijn waarlijk edel, en goed op weg om het al meer en meer te worden, die de Schriften tot hun Godsspraak en toetssteen maken, en ze als zodanig raadplegen. Zij, die de Schrift op de rechte wijze bestuderen en haar dag en nacht overdenken, zullen vervuld worden van edele gedachten, geneigd worden tot edele beginselen, en toebereid worden voor ene edele bestemming.
Dezen zijn edeler.
III. De goede uitwerking van de prediking van het Evangelie te Berea, zij had het gewenste gevolg. Het hart des volks bereid zijnde, werd spoedig zeer veel werk gedaan, vers 12.
1. Velen dan uit hen -dat is: uit de Joden-geloofden. Te Thessalonica hebben slechts sommigen uit hen geloofd, vers 4, maar te Berea, waar zij hen met een onbevooroordeeld hart hoorden, hebben velen geloofd, meer Joden dan te Thessalonica. God geeft genade aan hen, wier hart Hij eerst geneigd heeft om vlijtig gebruik te maken van de middelen der genade, en inzonderheid om de Schriften te onderzoeken.
2. Ook van de Grieken, de Heidenen, geloofden velen, zowel van de achtbare vrouwen, de vrouwen van hogen stand, als van de mannen, niet weinigen, mannen van den hoogsten rang, naar het schijnt, daar zij met de achtbare vrouwen genoemd worden. De vrouwen hebben het eerst het Evangelie aangenomen, en toen bewogen zij hare mannen om het ook aan te nemen.
Want wat weet gij, vrouw! of gij den man zult zalig maken? 1 Corinthiërs 7:16.
IV. De vervolging tegen Paulus en Silas verwekt te Berea, waardoor Paulus genoodzaakt werd van daar te vertrekken.
1. De Joden van Thessalonica waren de kwaadstichters te Berea. Zij verstonden, dat het woord Gods ook te Berea van Paulus verkondigd werd, want nijd en afgunst brengen snel berichten over. Zij hoorden ook, dat de Joden aldaar, er niet zo heftig tegen waren als zij. Nu kwamen zij ook daar, om er de wereld onderst boven te keren, en zij bewogen de scharen, ontstaken hen in toorn tegen de predikers van het Evangelie, alsof zij van den vorst der duisternis de opdracht hadden om van plaats tot plaats het Evangelie te gaan tegenstaan, gelijk de apostelen de opdracht hadden om het van plaats tot plaats te gaan prediken. Aldus hebben wij te voren gelezen, dat de Joden van Antiochië en Iconium naar Lystra kwamen om het volk tegen de apostelen op te zetten, Hoofdstuk 14:19. Zie hoe rusteloos Satans agenten zijn in hun tegenstaan van het Evangelie van Christus, en de verlossing van de zielen der mensen! Dit is een voorbeeld van de vijandschap die er is in het zaad der slang tegen het Zaad der vrouw, en wij moeten het niet vreemd vinden, als de vervolgers in het eigen land hun woede zo ver uitstrekken, dat zij ook vervolging daar buiten trachten te doen ontstaan. Dit veroorzaakte Paulus' vertrek naar Athene. Door hun poging om het Goddelijk vuur uit te blussen, dat Christus alreeds ontstoken had, hebben zij het slechts sneller en verder verbreid. Paulus bleef zo lang te Berea, en arbeidde er met zoveel zegen, dat daar broeders waren, -en het waren verstandige, werkzame mannen-hetgeen bleek uit de zorge, die zij voor Paulus hebben gedragen, vers 14. Zij waren er van onderricht, dat de vervolgzieke Joden van Thessalonica waren gekomen, en dat zij bezig waren het volk tegen Paulus op te zetten. Vrezende voor hetgeen daarvan het gevolg zou zijn, verloren zij geen tijd, maar hebben Paulus van stonde aan weggezonden, tegen wie zij het meest bevooroordeeld, en op wie zij het meest verwoed waren, hopende, dat dit hen tevreden zou stellen, terwijl zij Silas en Timotheus daar nog hielden, want, nu Paulus het ijs gebroken had, zouden dezen kunnen volstaan om den arbeid voort te zetten, zonder hem aan gevaar bloot te stellen. Zij zonden Paulus om zelfs naar zee te gaan, zo wordt dit door sommigen gelezen, wij lezen het: dat hij ging als naar de zee -hoos epi tên thalassan. Hij ging uit van Berea op den weg, die naar de zee voert, opdat de Joden, als zij hem zochten, zouden denken, dat hij ver weg was gegaan. Maar hij ging over land naar Athene, en daarin was volstrekt gene schuldige veinzerij gelegen. Die Paulus geleidden (als zijne gidsen en wachten, daar hij een vreemdeling was in het land en vele vijanden had) brachten hem tot Athene toe. De Geest Gods, invloed uitoefenende op zijn geest, leidde hem naar die beroemde stad, van ouds her vermaard om hare macht en heerschappij, toen de Atheense republiek wedijverde met de Spartaanse. Later was zij vermaard om hare geleerdheid, zij was de plaats van bijeenkomst voor de geleerden. Zij, die geleerdheid wensten te hebben, gingen daarheen, om haar te verkrijgen, omdat zij, die geleerdheid hadden, daar heen gingen, om haar te tonen. Het was ene grote universiteit, waar men van overal heen stroomde, en daarom wordt Paulus ter betere verspreiding van het Evangelielicht, er heen gezonden, en hij is noch beschaamd noch bevreesd om zijn aangezicht onder de wijsgeren aldaar te tonen, en er Christus gekruist te prediken, ofschoon hij wist, dat het den Grieken evenzeer dwaasheid zou zijn, als het den Joden ene ergernis was. 3. Hij gaf bevel, dat Silas en Timotheus tot hem zouden komen te Athene, toen hij bevond, dat daar een uitzicht bestond, om er goed te doen, of misschien, omdat hij daar niemand kennende, zich eenzaam en droefgeestig gevoelde zonder hen. Het schijnt echter, dat hij, hoezeer hij ook verlangde, dat zij spoedig tot hem zouden komen, toch aan Timotheus beval, om over Thessalonica te reizen, ten einde hem bericht te brengen omtrent de zaken dier gemeente, want hij zegt, 1 Thessalonicenzen 3:1, 2, Wij hebben gaarne willen te Athene alleen gelaten worden, en hebben Timotheus gezonden om u te versterken.