Handelingen 2:14-36
Wij hebben hier de eerstelingen des Geestes in de rede, door Petrus onmiddellijk uitgesproken. Zij was gericht, niet in ene vreemde taal tot hen, die tot andere volken behoorden (er wordt ons niet meegedeeld welk antwoord hij gaf aan hen die ontzet waren, en vroegen: Wat wil toch dit zijn?) maar tot de Joden in de volkstaal, tot hen die den spot dreven, want hij begint met hier nota van te nemen, vers 15, tot de Joodse mannen, en allen die te Jeruzalem wonen. Maar wij hebben alle reden om te denken, dat de andere discipelen voortgingen met te spreken tot degenen, die hen verstonden (en zich daarom om hen heen verzamelden) in de talen van hun respectieve landen, van de grote werken Gods. En het was niet alleen door de prediking van Petrus, maar van al de overigen, of van de meesten der honderd en twintig, dat op dien dag drie duizend zielen bekeerd werden, en toegevoegd tot de gemeente, maar alleen de rede van Petrus wordt vermeld, om een getuigenis te wezen, dat hij volkomen opgericht was van zijn val, en volkomen hersteld in de gunst van God. Hij, die sluipend en lafhartig Christus had verloochend, heeft Hem nu met evenveel kloekmoedigheid beleden. Let op:
I. Zijne inleiding, waarin hij om de aandacht zijner hoorders verzoekt, of liever, die aandacht van hen eist. Petrus stond op, vers 14, om te tonen, dat hij niet dronken was, met de elven, die instemden met hetgeen hij zei, en waarschijnlijk op hun beurt in gelijke strekking hebben gesproken. Zij, die met het grootste gezag bekleed waren, stonden op, om tot de smalende Joden te spreken, en de lasteraars en tegensprekers het hoofd te bieden, maar de zeventig discipelen lieten zij spreken tot de gewillige proselieten uit andere volken, die niet zo bevooroordeeld waren, en dat wel in hun eigene taal. Zo zijn onder de dienstknechten van Christus sommigen, die met grotere gaven bedeeld zijn, geroepen om de tegenstanders te onderwijzen, zwaard en speer aan te grijpen, anderen, van geringere bekwaamheid worden gebruikt om diegenen te onderwijzen, die zich gewillig onderwerpen, om wijngaardeniers te zijn. Petrus verhief zijne stem, als iemand, die wèl verzekerd is van hetgeen hij zegt, en er door ontroerd is, en niet bevreesd is om dit te erkennen, en er zich ook niet voor schaamt. Hij richtte zich tot de mannen van Judea, andres Ioudaioi, -de Joodse mannen, "en inzonderheid gij, die te Jeruzalem woont, die medeplichtig waart aan den dood van Jezus, dit zij u bekend, wat u te voren niet bekend was, en dat voor u van groot belang is, om nu te weten, en laat mijne woorden uwe oren ingaan, luistert naar mij, die u tot Christus wil leiden, en niet naar de schriftgeleerden en Farizeeën, die u van Hem af willen trekken. Mijn Meester, wiens woorden gij dikwijls te vergeefs hebt gehoord, en niet meer, zoals vroeger horen zult, is heengegaan, maar Hij spreekt tot u door ons, laat dan nu onze woorden tot uwe oren ingaan".
II. Zijn antwoord op hun goddelozen laster, vers 15 :Dezen zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt. Deze discipelen van Christus, die nu spreken met andere talen, verstandige woorden spreken, weten wat zij zeggen, gelijk ook zij het weten, tot wie zij spreken, en door hun redenen geleid worden tot de kennis van de grote werken Gods. Gij kunt niet geloven, dat zij dronken zijn, want het is eerst de derde ure van den dag, negen uur in den morgen, en voor die ure hebben de Joden op sabbatten en hoge feestdagen niet gegeten of gedronken. Gewoonlijk zijn die dronken zijn, des nachts dronken, en niet des morgens, het zijn voorwaar wel versufte, verdwaasde dronkaards, die, als zij opwaken nog meer zoeken. Spreuken 23:35.
III. Zijne verklaring van de wonderbare uitstorting des Geestes, bestemd om hen allen op te wekken het geloof van Christus te omhelzen en zich bij Zijne kerk te voegen. Hij wijst hen er op, dat hierin de Schrift wordt vervuld, en dat het de vrucht is van Christus' opstanding en hemelvaart, en bijgevolg van die beide feiten het bewijs.
1. Het was de vervulling van de profetieën van het Oude Testament, betrekkelijk het koninkrijk van den Messias, en daarom een blijk en bewijs, dat dit koninkrijk gekomen is, en dat de andere voorzeggingen er van vervuld zijn. Hij noemt inzonderheid ene, die van den profeet Joël, Hoofdstuk 2:28. Het is wel opmerkelijk, dat Petrus, hoewel hij vervuld was met den Heiligen Geest, en met andere talen sprak, zoals de Geest hem gaf uit te spreken, toch de Schrift niet op zijde heeft geschoven, noch gedacht heeft boven de Schrift te staan, ja zelfs is veel in zijne rede ene aanhaling uit het Oude Testament, waarop hij zich beroept, en waarmee hij bewijst wat hij zegt. Christus' leerlingen hebben nooit ene geleerdheid, die boven den Bijbel staat, en de Geest is gegeven, niet om de Schriften te vervangen, maar om ons in staat te stellen de Schriften te verstaan en te benuttigen. Merk op:
A. Den tekst zelf, door Petrus aangehaald, vers 17-21. Hij verwijst naar de laatste dagen, den Evangelie-tijd, die de laatste dagen genoemd wordt, omdat de bedeling van Gods koninkrijk onder de mensen, dat door het Evangelie wordt opgericht, de laatste bedeling is, en wij niets anders te verwachten hebben dan de voortduring er van tot aan het einde van den tijd. Of, in de laatste dagen, dat is: zeer lang nadat de profetie in de Oud-Testamentische kerk heeft opgehouden. Of, in de dagen, die den ondergang van het Joodse volk onmiddellijk voorafgaan, in de laatste dagen van dat volk, eer dat de grote en doorluchtige dag des Heeren komt, vers 20, waarvan gesproken is. "Het is voorzegd en beloofd, en daarom behoort gij het te verwachten, en er niet verrast of verbaasd over te wezen, gij behoort er naar te verlangen en het welkom te heten, maar het niet te betwisten, alsof het niet waard was om opgemerkt te worden". De apostel haalt de gehele paragraaf aan, want het is goed de Schrift in haar geheel te nemen. Nu was er voorzegd: Ten eerste. Dat de Geest der genade overvloediger van Boven uitgestort zou worden, dan ooit te voren. De profeten van het Oude Testament zijn vervuld geweest met den Heiligen Geest, en van het volk Israël werd gezegd, dat God hun Zijn goeden Geest had gegeven om hen te onderwijzen, Nehemia 9:20. Maar nu zal de Geest uitgestort worden, niet alleen over de Joden, maar over alle vlees, over Heidenen, zowel als over Joden, hoewel Petrus zelf dit nog niet aldus begreep, zoals blijkt uit Hoofdstuk 11:17. Of, over alle vlees, dat is: over sommigen van allen staat en toestand van mensen. De Joodse rabbijnen leerden, dat de Geest slechts op wijze en rijke mannen kwam, en die uit het zaad Israël's waren, maar God laat zich niet binden aan hun regelen.
Ten tweede. Dat de Geest in hen een Geest van profetie zou wezen. Door den Geest zullen zij in staat worden gesteld toekomstige dingen te voorzeggen, en het Evangelie te prediken aan alle creaturen. Deze macht zal verleend worden zonder onderscheiding van geslacht of sekse-niet alleen uwe zonen, maar ook uwe dochters zullen profeteren, zonder onderscheiding van leeftijd, uwe jongelingen zullen gezichten zien, en uwe ouden zullen dromen dromen en daarin Goddelijke openbaringen ontvangen, om aan de kerk te worden meegedeeld, en zonder onderscheid van uitwendigen rang of staat-zelfs de dienstknechten en de dienstmaagden zullen den Geest ontvangen, en zij zullen profeteren, vers 18, of, in het algemeen, mannen en vrouwen, die God Zijne dienstknechten en dienstmaagden noemt. In het begin van den tijd der profetie in het Oude Testament waren er profetenscholen, en voor dien tijd kwam de Geest der profetie op de oudsten van Israël, die tot opzieners waren aangesteld. Maar nu zal de Geest uitgestort worden over personen van minderen rang of aanzien, en de zulke, die niet in de profetenscholen waren opgeleid, want het koninkrijk van den Messias zal van zuiver geestelijken aard zijn. De vermelding van de dochters, vers 17, en de dienstmaagden, vers 18, doet ons denken, dat de vrouwen, van wie nota wordt genomen in Hoofdstuk 1:14 de buitengewone gaven des Heiligen Geestes hebben ontvangen, zowel als de mannen. Filippus, de evangelist, had vier dochters, die profeteerden, Hoofdstuk 21:9. En Paulus, overvloedige gaven, zowel van talen als van profetie, in de gemeente van Corinthe vindende, zag, dat het nodig was, om aan vrouwen het gebruik dezer gaven in het openbaar te verbieden, 1 Corinthiërs 14:26, 34.
Ten derde. De ene grote zaak, waarover zij moesten profeteren, moest het oordeel wezen, dat over de Joodse natie komen zou, want dat was het voornaamste, dat Christus zelf voorzegd had, Mattheus 24, bij Zijne intrede te Jeruzalem, Lukas 19:41, en toen Hij ging sterven, Lukas 23:29, en deze oordelen zullen over hen gebracht worden om hen te straffen voor hun versmading van het Evangelie, en hun tegenstaan er van, hoewel het met zo klaarblijkelijk bewijs van waarheid tot hen gekomen is. Zij, die zich niet wilden onderwerpen aan de kracht van Gods genade, in deze wonderbare uitstorting van Zijn Geest zullen vallen en neer blijven liggen onder de uitgieting van de fiolen van Gods toorn. Die niet willen buigen, zullen breken. De verwoesting van Jeruzalem, die omstreeks veertig jaren na Christus' dood plaats had, wordt hier genoemd de grote en doorluchtige dag des Heeren, omdat hierdoor een einde kwam aan de Mozaïsche bedeling, het Levitische priesterschap en de ceremoniële wet werden er door opgeheven. Het was ene verwoesting zo als nooit te voren, en nimmer daarna, over enigerlei plaats of volk gekomen is. Het was de dag des Heeren, want het was de dag Zijner wrake over dat volk wegens hun kruisiging van Christus en hun vervolging van Zijne dienstknechten, het was het jaar der vergeldingen om Zions twistzaak, ja en wegens al het bloed der heiligen en martelaars, van het bloed des rechtvaardigen Abels af, Mattheus 23:35. Het was een kleine oordeelsdag, het was een doorluchtige dag, een uitnemende dag: in Joël wordt hij een vreselijke dag genoemd, want dat was hij voor de mensen op aarde, maar hier wordt hij epiphanê genoemd, (naar de Septuaginta), een, doorluchtige, glorierijke dag, want dat was hij voor Christus in den hemel, het was Zijne verschijning, aldus wordt er door Hem zelven van gesproken, Mattheus 24:30. De ondergang, het verderf, der Joden was de verlossing der Christenen, die door hen gehaat en vervolgd werden, en daarom werd door de profeten van dien tijd dikwijls van dien dag gesproken ter bemoediging van de lijdende Christenen, dat de toekomst des Heeren genaakt, de Rechter voor de deur staat, Jakobus 5:8, 9. De schrikkelijke voortekenen dezer verwoesting zijn voorzegd: Er zullen wonderen zijn in den hemel boven, de zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur, en rookdamp. In zijne inleiding tot zijne geschiedenis der Joodse oorlogen spreekt Josephus van de tekenen en wonderen, die er aan voorafgingen, schrikkelijke donderslagen, bliksemen, en aardbevingen, er hing gedurende een geheel jaar een vurige komeet boven de stad, en een vlammend zwaard werd gezien, dat met de punt er heen gericht was, te middernacht scheen een licht over den tempel en het altaar, alsof het middag was. Dr. Lightfoot geeft een anderen zin aan deze voortekenen: Het bloed van den Zone Gods, het vuur des Heiligen Geestes, dat nu verschenen is, de rook en damp waarin Christus is opgevaren, de verduisterde zon, en de in bloed verkeerde maan ten tijde van Christus' lijden, waren luide waarschuwingen aan dat ongelovig volk om zich te bereiden op het komende oordeel over hen. Of het kan toegepast worden, en dat wel zeer terecht, op de voorafgaande oordelen zelven, waardoor die verwoesting over hen is gekomen. Het bloed wijst op de oorlogen der Joden met de naburige volken, met de Samaritanen, de Syriërs, en Grieken, in welke zeer veel bloed vergoten werd, zoals ook in hun burgeroorlogen, en de worstelingen van de oproerigen -zoals zij hen noemden-die zeer bloedig waren. Er was geen vrede voor hem, die uitging, noch voor hem, die inkwam. Het vuur en de rookdamp, hier voorzegd, zijn letterlijk gekomen in het verbranden hunner steden, en dorpen, en synagogen, en ten laatste in hun tempel. En dit verkeren van de zon in duisternis en van de maan in bloed voorspelt de ontbinding van hun regering, de burgerlijke en de Godsdienstige, en het uitblussen van al hun licht. De opmerkelijke bewaring van des Heeren volk is hier voorzegd, vers 21 :Een iegelijk, die den naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden, - waarmee een waar Christen wordt aangeduid, 1 Corinthiërs 1:2. Hij zal zalig worden, hij zal ontkomen aan het oordeel, en dat zal een type en voorproef wezen van de eeuwige zaligheid. In de verwoesting van Jeruzalem door de Chaldeeën, was er een overblijfsel, verzegeld om, ten dage van des Heeren toorn, verborgen te zijn, en in de verwoesting door de Romeinen is geen enkel Christen omgekomen. Zij, die zich onderscheiden door grote Godsvrucht, zullen onderscheiden worden door ene bijzondere bewaring. En let er op. dat het behouden overblijfsel hierdoor aangeduid, en als beschreven wordt, dat zij een biddend volk zijn, zij roepen den naam des Heeren aan, hetgeen te kennen geeft, dat zij niet behouden worden door enigerlei verdienste, of gerechtigheid van hen zelven, maar zuiver en alleen door de gunst van God, die verkregen moet worden op het gebed. Het is de naam des Heeren, dien zij aanroepen, die hun sterke toren is.
B. De toepassing van deze profetie op de tegenwoordige gebeurtenis, vers 16 :Dit is het, wat gesproken is door den profeet Joël. Het is er de vervulling van, de volkomene vervulling. Dit is die uitstorting van den Geest over alle vlees, die komen zou, en wij hebben gene andere te verwachten, evenmin als wij een' anderen Messias hebben te verwachten. Want gelijk onze Messias eeuwig leeft in den hemel, heersende over, en biddende voor Zijne kerk op aarde, zo zal deze Geest der genade, de Voorspraak, of de Trooster, die nu overeenkomstig de belofte gegeven is, overeenkomstig diezelfde belofte met de kerk op aarde tot het einde toe blijven, al hare werken in haar en voor haar werken, voor haar en voor ieder lid van haar, de gewone en de buitengewone werken, door middel van de Schrift en van de bediening des woords.
2. Dat het de gave was van Christus, het gevolg en het bewijs van Zijne opstanding en hemelvaart. Uit deze gave des Heiligen Geestes neemt hij aanleiding om hun Jezus te prediken, en dit deel zijner rede leidt hij in met de plechtige toespraak, vers 22 :Gij Israëlitische mannen! hoort deze woorden. Het is ene grote genade Gods, dat gij ze kunt horen, en het is uw plicht er acht op te geven. Woorden, betreffende Christus, behoren voor Israëlitische mannen, liefelijke, welaangename woorden te zijn. Het is:
A. Een uittreksel uit het leven van Christus, vers 22. Hij noemt Hem Jezus den Nazarener. omdat Hij bij dien naam algemeen bekend was, maar (en dit volstond om er de smaadheid van weg te nemen) hij was een man van God, onder ulieden betoond, gelaakt en veroordeeld door mensen, maar door God erkend. God betuigde Zijne goedkeuring van Zijne leer door de kracht, die Hij Hem gaf om wonderen te werken. Een man, aangewezen door God, aldus wordt het door Dr. Hammond gelezen, "als een merkwaardig Man onderscheiden onder ulieden, die mij thans hoort. Hij was u gezonden, om een heerlijk, schitterend licht te wezen in uw land. Gij zelven zijt getuigen, hoe Hij vermaard is geworden door krachten, wonderen en tekenen, door werken, boven de kracht der natuur, buiten hare gewone werking en loop en er tegen indruisende, die God door Hem gedaan heeft, dat is: die Hij gedaan heeft door de Goddelijke macht, waarmee Hij was bekleed, en waarin God duidelijk en merkbaar met Hem was, want niemand kan zulke tekenen doen, zo God met hem niet is. Zie, welk een nadruk door Petrus op Christus' wonderen wordt gelegd. Het feit kan niet worden ontkend: " Zij zijn gedaan in het midden van u, in het midden van uw land, uwe stad, uwe plechtige vergaderingen, gelijk ook gij zelven weet. Gij zijt ooggetuige geweest van Zijne wonderen, ik beroep mij op u, of gij er iets tegen inbrengen kunt, of iets kunt aanvoeren om ze te weerleggen." De gevolgtrekking, die er uit wordt afgeleid, kan niet worden betwist, de redenering is even krachtig als het bewijs, indien Hij deze wonderen gedaan heeft, dan voorzeker heeft God Hem erkend, Hem verklaard te zijn, wat Hij zelf zich verklaard heeft te zijn, nl. de Zoon van God en de Zaligmaker der wereld, want de God der waarheid zou nooit Zijn zegel op ene leugen hebben geplaatst.
B. Een bericht, of verhaal, van Zijn dood en lijden, waarvan zij slechts weinige weken geleden, ook getuigen zijn geweest, en dit was het grootste wonder van allen, dat een Man, door God betoond, aldus door Hem verlaten scheen te zijn, en een Man, aldus betoond onder het volk, en in het midden van hen, aldus ook door hen verlaten werd. Maar beide deze verborgenheden worden hier verklaard, vers 23. Zijn dood wordt beschouwd: Ten eerste. Als de daad Gods, en in Hem was het ene daad van grote genade en wijsheid. Hij heeft Hem den dood overgeleverd, niet slechts toegelaten om Hem ter dood te brengen, maar Hem overgegeven. Dit wordt verklaard in Romeinen 8:32, Hij heeft Hem voor ons allen overgegeven. En toch was Hij door God betoond, en er was in die betoning niets dat afkeuring van Hem te kennen gaf, want het is geschied door den bepaalden raad en voorkennis Gods, in oneindige wijsheid en tot heilige doeleinden, waarmee Christus zelf ingestemd heeft, en medegewerkt heeft in de middelen, die er heen leidden. Aldus moest aan de Goddelijke gerechtigheid voldaan, en moesten de zondaars behouden worden, God en de mens weer tot elkaar gebracht, en Christus zelf verheerlijkt worden. Het was niet slechts naar den wil van God, maar naar den raad van Zijn wil, dat Hij leed en stierf, naar een eeuwig raadsbesluit, dat niet veranderd kon worden. Dit heeft Hem verzoend met het kruis: Vader, Uw wil geschiede, en Vader, verheerlijk Uwen naam, laat Uw voornemen volvoerd, en het grote doel er van bereikt worden. Ten tweede. Als de daad van het volk, en in hen was het ene daad van ontzettende zonde en buitensporige dwaasheid. Het strijden tegen God om een Man te vervolgen, die door Hem als den Gunstgenoot des hemels was aangewezen, en het was strijden tegen hun eigene zegeningen om Hem te vervolgen, die de grootste zegen was van deze aarde. Dat dit Gods eeuwige raad en bedoeling is geweest, en dat Hij uit dit kwaad goed heeft doen voortkomen voor de eeuwigheid kan als gene verontschuldiging aangevoerd worden voor hun zonde, want het was hun vrij willige daad en handeling, uit een beginsel, dat zedelijk slecht was, en daarom waren het boze, of onrechtvaardige handen, waarmee gij Hem aan het kruis gehecht en gedood hebt. Het is waarschijnlijk, dat sommigen van hen, die geroepen hadden: Kruis hem, kruis hem, of op andere wijze medeplichtig waren aan den moord, nu tegenwoordig waren, en dat Petrus dit wist. Evenwel, het werd met recht als ene nationale daad beschouwd, omdat zij geschied was zowel door de stemmen van den groten raad, als door de stemmen, het geroep van de grote volksmenigte. Als regel wordt aangenomen: Refertur ad universos quod publice fit per majorem partem -Hetgeen openlijk door het grootste deel gedaan wordt, schrijven wij toe aan allen. Hij legt het inzonderheid hun ten laste als deel uitmakende van de natie, aan wie dit bezocht zal worden, ten einde hen hierdoor tot geloof en bekering te brengen, daar dit de enige manier was om zich te onderscheiden van de schuldigen, en de schuld van zich af te wentelen.
C. Een getuigenis van Zijne opstanding, waardoor de smaad van Zijn dood voor goed werd weggenomen, vers 24: Welke God opgewekt heeft, Hij, die Hem den dood heeft overgeleverd, is dezelfde, die Hem van den dood bevrijd heeft, en hiermede heeft Hij Hem ene hogere erkenning gegeven dan door al de tekenen en wonderen, door Hem gewerkt. Daarom zal hij hier uitvoeriger over spreken. Hij geeft ene omschrijving van Zíjne opstanding: God heeft de smarten des doods ontbonden, alzo het niet mogelijk was, dat Hij van dezelve dood zou gehouden worden, oodinas -de smarten des doods, het woord wordt gebruikt voor barensweeën, en sommigen denken, dat het ziet op den angst, de benauwdheid Zijner ziel, waarin zij geheel bedroefd was tot den dood toe. Van deze smarten en benauwdheid der ziel, dezen arbeid der ziel, heeft de Vader Hem ontbonden, toen Hij bij Zijn sterven zei: Het is volbracht. Dr. Godwin verstaat het aldus: De verschrikkingen waardoor de ziel van Heman was als de verslagenen, Psalm 88:6-16, hadden Christus aangegrepen, maar Hij was ze te sterk, en heeft ze verbroken. Dit was de wederoprichting Zijner ziel (en het is ene grote, machtige, daad om ene ziel uit de diepten van geestelijke doodsbenauwdheden op te voeren). Dit was Zijne ziel in de hel niet te verlaten, zoals hetgeen volgt, dat Hij gene verderving zou zien, van de opstanding Zijns lichaams spreekt, en beiden te zamen maken de grote opstanding uit". Dr. Lightfoot geeft hier ene andere betekenis aan. "De smarten des doods ontbonden hebbende met betrekking tot allen, die in Hem geloven, heeft God Christus opgewekt, en door Zijne opstanding al de macht des doods verbroken, en de benauwdheid er van voor Zijn volk weggenomen. Hij heeft den dood vernietigd, er de eigenschap van veranderd, en omdat het niet mogelijk was, dat Hij er lang door gehouden zou worden, is het ook niet mogelijk, dat zij er eeuwig door gehouden worden. De meesten brengen dit echter in verband met de opstanding van Christus' lichaam. Maar Dr. Ham mond toont aan, dat de Septuaginta, en, naar hen, de apostel hier, het woord gebruikt voor koorden en banden, zoals in Psalm 18:5, waarmee de metafoor (overdrachtelijke uitdrukking) van ontbinden en gehouden worden ook het best overeenkomt. Christus was voor onze schuld in de gevangenis, in de banden des doods geworpen, maar daar aan de Goddelijke gerechtigheid voldaan was, was het niet mogelijk, dat Hij er in gehouden werd, hetzij door recht of geweld, want Hij had leven in zich zelven en in Zijne eigene macht, en Hij had den overste des doods overwonnen. Hij betuigt de waarheid Zijner opstanding, vers 32 :God heeft Hem opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn -wij apostelen, en anderen, onze metgezellen, die volkomen bekend met Hem waren voor Zijn dood, vertrouwelijken omgang met Hem hadden na Zijne opstanding, met Hem gegeten en gedronken hebben. Door de nederdaling des Heiligen Geestes op hen hebben zij kracht ontvangen om bekwame, getrouwe en kloekmoedige getuigen te zijn van deze zaak, in weerwil van de beschuldiging hunner vijanden, dat zij Hem gestolen hadden. Hij toont aan, dat hierdoor de Schrift wordt vervuld, en dat het, wijl de Schrift had verklaard, dat Hij moest opstaan, voordat Hij verderving zou zien, onmogelijk was, dat Hij door den dood en het graf gehouden zou worden, want David spreekt van Zijn opgewekt zijn, vers 25. De Schriftuurplaats, waarnaar hij verwijst is Psalm 16:8-11, die, hoewel ten dele toepasselijk op David als heilige, toch voornamelijk betrekking heeft op Jezus Christus, van wie David een type geweest is. Hier is: Ten eerste. De tekst volledig aangehaald, vers 25-28, want het was alles vervuld in Hem, en toont ons:
1. Hoe onze Heere Jezus in geheel Zijne onderneming steeds het oog gericht had op Zijn Vader: Ik zag den Heere allen tijd voor mij. Hij heeft zich in alles de heerlijkheid Zijns Vaders ten doel gesteld- want Hij zag, dat Zijn lijden overvloedig tot eer van God zou strekken, en in Zijne eigene blijdschap zou uitlopen. Dat stelde Hij zich voor, daarop had Hij het oog in alles wat Hij deed en leed, en het vooruitzicht hiervan heeft Hem ondersteund en gedragen, Johannes 13:31-32, 17:4, 5.
2. De verzekerdheid, die Hij had, dat de tegenwoordigheid en de kracht Zijns Vaders met Hem zijn zouden: Hij is aan Mijne rechterhand, de hand der handeling, Hem versterkende, leidende en ondersteunende, opdat Ik niet bewogen worde, noch weggedreven van Mijne onderneming, niettegenstaande de moeilijkheden, die Ik heb te verduren". Dit was een der punten van het verbond der verlossing, Psalm 89:22, Met welken Mijne hand vast blijven zal, ook zal hem Mijn arm versterken, en daarom heeft Hij de overtuiging, dat het werk in Zijne handen niet zal mislukken. Indien God aan onze rechterhand is, dan zullen wij niet bewogen worden.
3. De blijmoedigheid, waarmee onze Heere Jezus voortging met Zijn werk, niettegenstaande de smart en de benauwdheid, waar Hij door heen moest gaan. "Overtuigd zijnde, dat Ik niet zal bewogen worden, maar dat het welbehagen des Heeren door Mijne hand gelukkiglijk zal voortgaan, is Mijn hart verblijd, en verheugt zich Mijne tong, en is de gedachte aan mijne smart als niets voor Mij". Het was een voortdurend genot voor onzen Heere Jezus om op het einde Zijns werks te zien, en er zeker van te wezen, dat de uitkomst er van heerlijk zou zijn. Hij heeft zulk een welbehagen in Zijne onderneming, dat het Hem goed doet aan het hart te bedenken, hoe de uitkomst er van beantwoorden zal aan het plan. Hij verheugde zich in den geest, Lukas 10:21. Mijne tong verheugt zich. In den Psalm is het: Mijne eer verheugt zich, hetgeen aanduidt, dat onze tong onze eer is, het vermogen om te spreken is ene ere voor ons, en nooit meer, dan wanneer het gebruikt wordt om God te loven. Christus' tong verheugde zich, want toen Hij aan het einde van Zijn laatste avondmaal inging tot Zijn lijden, heeft Hij een lofzang gezongen.
4. Zijn liefelijk vooruitzicht van de gelukkige einduitkomst van Zijn dood en lijden, dit was het, dat Hem niet slechts kloekmoedig, maar blijmoedig er door heen heeft gevoerd, Hij heeft het lichaam uitgetrokken, Colossenzen 2:11, maar Mijn vlees zal rusten. Het graf zal voor het lichaam, terwijl het er in is, een rustbed wezen, en de hoop zal het ene liefelijke ruste doen zijn, het zal rusten in hope, hoti, dat Gij Mijne ziel in de hel niet zult verlaten, hetgeen volgt is het voorwerp Zijner hope, of liever Zijne verzekerdheid er van. Dat de ziel niet zal blijven in den toestand van afgescheiden te zijn van het lichaam, want behalve nog dat dit een bezwaar is voor ene menselijke ziel, die geschapen is voor het lichaam, zou het ook de voortduring zijn van den triomf des doods over Hem, die in waarheid de Overwinnaar was van den dood: Gij zult Mijne ziel in de hel niet verlaten (in hades, in den onzichtbaren staat, wat de eigenlijke betekenis is van hades), maar hoewel Gij haar voor een tijd derwaarts laat gaan en laat blijven, zult Gij haar toch terugroepen, Gij zult haar daar niet laten, zoals Gij er de zielen van andere mensen laat".
B. Dat het lichaam slechts ene kleine wijle in het graf zal blijven: Gij zult Uwen Heilige niet overgeven om verderving te zien, het lichaam zal niet zo lang dood blijven, dat er bederf bij komt, en daarom moet het tot het leven wederkeren op, of voor, den derden dag na den dood. Christus was Gods Heilige, geheiligd en afgezonderd tot Zijn dienst in het werk der verlossing, Hij moest sterven, want Hij moest ingewijd worden door Zijn eigen bloed, maar Hij moest gene verderving zien, want Zijn dood moest Gode een liefelijke reuk wezen. Dit was afgeschaduwd door de wet op het offer, dat geen deel van het vlees, dat gegeten moest worden tot op den derden dag bewaard mocht worden, uit vreze, dat er bederf aan kwam, Leviticus 7:15-18.
C. Dat Zijn dood en lijden niet alleen voor Hem, maar ook voor al de Zijnen, een ingang zou wezen tot ene zalige onsterfelijkheid, Gij hebt Mij de wegen des levens bekendgemaakt, en door Mij, ze bekend gemaakt aan de wereld, en ze bloot gelegd". Toen de Vader den Zoon gegeven heeft leven te hebben in zich zelven, de macht, om Zijn leven af te leggen, en het wederom te nemen, toen heeft Hij den weg des levens getoond, zowel heen, als weer, de poorten des doods waren Hem ontdekt, en de poorten van de schaduw des doods, Job 38:17, om er heen en weer door heen te gaan, naar de gelegenheid er Hem voor des mensen verlossing toe leidde. D. Dat al Zijne smart en lijden zou eindigen in volmaakte en eeuwige gelukzaligheid: Gij zult Mij vervullen met verheuging door Uw aangezicht. Het loon, Hem voorgesteld, was blijdschap, volheid van verheuging, en dat wel in God's aangezicht, in de gunst en bescherming, die Hij verleende aan Zijne onderneming, en, om Zijnentwil, aan allen, die in Hem geloven. Het vriendelijk aanschijn, waarmee de Vader Hem ontving, toen Hij, bij Zijne hemelvaart, tot den Oude van dagen kwam, vervulde Hem met onuitsprekelijke blijdschap, en dat is de vreugde onzes Heeren, in welke alle de Zijnen zullen ingaan, en in welke zij eeuwig zalig zullen zijn.
Ten tweede. De verklaring van dezen tekst, inzonderheid van zo veel er van als betrekking heeft op de opstanding van Christus. Hij spreekt hen aan met ene eervolle benaming: Mannen broeders, vers 29. "Gij zijt mannen, en daarom behoort gij u te laten leiden door verstand, gij zijt broeders, en daarom behoort gij vriendelijk op te nemen wat u gezegd wordt door iemand, die u na verwant is, van harte belang in u stelt en het goede voor u wenst. Vergunt mij dan nu vrij uit tot u te spreken van den patriarch David, en laat het u niet ergeren, als ik u zeg, dat het niet zo verstaan kan worden, alsof David hier van zich zelven spreekt, maar wèl, dat Hij spreekt van Christus, die komen zou." David wordt hier een patriarch genoemd, omdat hij de stamvader was van een koninklijk geslacht, en een man van groot aanzien in zijn tijd, wiens naam en gedachtenis met recht zeer dierbaar waren. Als wij nu zijn psalm lezen, dan moeten wij bedenken:
1. Dat hij dit niet van zich zelven kon zeggen, want hij is gestorven en begraven, en zijn graf is te Jeruzalem tot op dezen dag, dat is: tot op den dag toen Petrus van hem sprak, en zijn gebeente en as zijn in dat graf. Niemand heeft ooit beweerd, dat hij is opgestaan, en daarom heeft hij niet van zich zelven kunnen zeggen, dat hij gene verderving zou zien, want het is duidelijk, dat hij wèl verderving heeft gezien. Paulus voert dit aan, Hoofdstuk 13:35-37. Hoewel hij een man was naar Gods hart, is hij toch heengegaan in den weg der ganse aarde, zoals hij zelf zegt, 1 Koningen 2:2, beide in zijn' dood en zijne begrafenis.
2. Daarom heeft hij het gewis gesproken als profeet, met het oog op den Messias, van wiens lijden de profeten te voren getuigd heb- ben, met de heerlijkheid daarna volgende. Dat heeft David in dezen psalm gedaan, gelijk door Petrus duidelijk wordt aangetoond.
A. David wist, dat de Messias uit zijne lendenen zou voortkomen, vers 30, dat God hem met ede gezworen had, dat Hij uit de vrucht zijner lenden, zoveel het vlees aangaat, den Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten. Hij beloofde hem een zoon, wiens koninkrijk Hij zou bevestigen, 2 Samuël 7:12. En in Psalm 132:11 wordt gezegd: De Heere heeft David de waarheid gezworen. Bij de geboorte van onzen Heere Jezus was beloofd: "God de Heere zal Hem den troon van Zijn' vader David geven", Lukas 1:32. En geheel Israël wist, dat de Messias de Zone David's zijn zou, dat is: dat Hij voor zoveel het vlees aangaat dit zijn zou door Zijne menselijke natuur, want, naar den Geest, en door Zijne Goddelijke natuur moest Hij David's Heere zijn, en niet zijn zoon. God, aan David gezworen hebbende, dat de Messias, beloofd aan zijne vaderen, zijn Zoon en Opvolger zou zijn, de Vrucht zijner lendenen en de Erfgenaam van zijn troon, heeft hij, bij het schrijven van zijn' psalm, dit voor ogen gehad.
B. Christus, de Vrucht zijner lendenen zijnde, en bijgevolg in zijne lendenen toen hij dezen psalm schreef (gelijk Levi gezegd is in Abrahams lendenen te zijn, toen hij aan Melchizedek tienden gaf), moeten wij, indien hetgeen hij zegt, niet toepasselijk is op hem zelven, (en het is duidelijk, dat het niet op hem toepasselijk is) tot de gevolgtrekking komen, dat het ziet op dien Zoon van hem, die toen nog in zijne lendenen was, in wie zijn geslacht en zijn koninkrijk tot volkomenheid en eeuwigen duur zouden komen. Als hij dus zegt, dat zijne ziel niet in den staat van afgescheiden te zijn van het lichaam gelaten zou worden, en dat zijn vlees gene verderving zou zien, dan moet dit ongetwijfeld zo verstaan worden, dat hij van de opstanding van Christus spreekt, vers 31. En gelijk Christus gestorven is naar de Schriften, zo is Hij ook opgewekt naar de Schriften, en daarvan zijn wij getuigen.
C. Hier wordt ook een blik geslagen op Zijne hemelvaart. Gelijk David niet van de doden is opgestaan, zo is hij ook niet ten hemel gevaren, niet lichamelijk, zoals Christus, vers 34. En voorts, om te bewijzen, dat toen hij van de opstanding sprak, hij Christus bedoelde, merkt hij op, dat, als hij in een anderen psalm van den volgenden stap tot Zijne verhoging spreekt, duidelijk aantoont, dat hij van iemand anders spreekt, en dat die Andere zijn Heere was. Psalm 110:1. De Heere heeft gesproken tot mijn Heere, toen Hij Hem van de doden had opgewekt: Zit aan Mijne rechterhand, in de hoogste waardigheid en heerschappij, U zij het bestier des koninkrijks, zowel in de voorzienigheid als in de genade, toevertrouwd, zit daar neer als Koning, totdat Ik Uwe vijanden of tot Uwe vrienden heb gemaakt, of hen tot ene voetbank Uwer voeten gezet heb, vers 35. Christus is verrezen uit het graf, om nog hoger te stijgen, en daarom moet het van Zijne opstanding wezen, dat David in den 16den Psalm heeft gesproken, en niet van zijne eigene opstanding, want er was gene aanleiding voor hem om uit het graf op te staan, daar hij niet bestemd was om ten hemel te varen.
D. De toepassing van deze rede over den dood, de opstanding en de hemelvaart van Christus. Zij is een verklaring van de tegenwoordige wonderbare uitstorting des Geestes in deze buitengewone gaven. Sommigen uit het volk hadden gevraagd: vers 12, Wat wil toch dit zijn? Ik zal er u de betekenis van aantonen, zegt Petrus. Deze Jezus, aan de rechterhand Gods verhoogd zijnde -zo wordt dit door sommigen gelezen-om daar neer te zitten, door de rechterhand Gods verhoogd zijnde, -zo lezen wij het-door Zijne kracht-(het komt alles op hetzelfde neer,)- en de belofte des Heiligen Geestes ontvangen hebbende van den Vader, tot wie Hij was opgevaren, heeft Hij gegeven wat Hij had ontvangen, Psalm 68:19, en heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort, want de Heilige Geest zou gegeven worden nadat Jezus verheerlijkt zou zijn, en niet te voren, Johannes 7:39. Gij ziet en hoort ons spreken in talen, die wij nooit geleerd hebben. Er was waarschijnlijk ene verandering op te merken in hun voorkomen, die zij zagen, evenals zij de verandering hoorden van hun stem en wijze van spreken. Dit nu is van den Heiligen Geest, wiens komst een bewijs is van Jezus' verhoging, en Hij heeft deze gave ontvangen van den Vader, om haar te verlenen aan de kerk, hetgeen Hem duidelijk aantoont als den Middelaar, of Tussenpersoon, tussen God en de kerk. De gave des Heiligen Geestes was: Ten eerste. Ene vervulling van Goddelijke beloften, alrede gedaan, hier wordt zij genoemd de belofte des Heiligen Geestes. Vele zeer grote en dierbare beloften heeft de Goddelijke macht ons gegeven, maar dit is de belofte, de belofte bij uitnemendheid, zoals die van den Messias geweest is, en dit is de belofte in welke alle anderen zijn opgesloten, vandaar dat, als God den Heiligen Geest geeft aan allen, die er Hem om bidden, Lukas 11:13, Hij hun goede gaven geeft, Mattheus 7:11. Christus heeft de belofte des Heiligen Geestes ontvangen, dat is: de beloofde gave des Heiligen Geestes, en haar gegeven aan ons, want al de beloften zijn in Hem ja en amen. Ten tweede. Het was een onderpand van al de gunsten, die God verder voornemens was te schenken, wat gij nu ziet en hoort is, het begin, het onderpand van grotere dingen. Dat bewijst hetgeen gij allen verplicht zijt te geloven, nl. dat Christus Jezus de ware Messias en Zaligmaker der wereld is. Hiermede besluit hij zijne rede, als het einde van de gehele zaak, het quod erat demonstrandum, vers 36. Zo wete dan zeker het ganse huis Israël's, dat deze waarheid thans ten volle bevestigd is, en dat wij onze volle opdracht ontvangen hebben om haar te verkondigen, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, dien gij gekruist hebt. Hun was gelast om aan niemand te zeggen, dat Jezus de Christus was, dan na Zijne opstanding, Mattheus 16:20, 17:9, maar nu moet het van de daken verkondigd worden aan het ganse huis Israël's, wie oren heeft om te horen, die hore. Het wordt niet voorgesteld als waarschijnlijk, maar getuigd als zeker: zo wete dan zeker het ganse huis Israël's, en laten zij weten dat het hun plicht is om het als een getrouw woord aan te nemen: Ten eerste, dat God Hem verheerlijkt heeft, dien zij gekruist hebben. Dit verzwaart hun schuld, dat zij Enen gekruist hebben, dien God bedoelde te verheerlijken, Hem ter dood brachten als een bedrieger, die zulke gewichtige bewijzen had gegeven van Zijne Goddelijke zending, en het verhoogt de wijsheid en de macht van God, dat, hoewel zij Hem gekruist hebben en hiermede dachten een onuitwisbaar schandmerk op Hem te hebben geplaatst, God Hem toch verheerlijkt heeft, en dat de smaadheden, die zij Hem hebben aangedaan, slechts dienden om Zijn glans en majesteit des te heerlijker te doen uitkomen. Ten tweede. Dat Hij Hem dermate verheerlijkt heeft, dat Hij Hem beide tot een Heere en Christus gemaakt heeft. Dat betekent hetzelfde: Hij is Heere van allen, en geen overweldiger, maar Hij is Christus, gezalfd om dit te zijn. Hij is een Heere voor de Heidenen, die vele heren hadden, en voor de Joden is Hij de Messias, waarin al Zijne ambten begrepen zijn. Hij is de Koning Messias, zoals de Chaldeeuwse paraphrast Hem noemt, of zoals de engel Hem aan Daniël noemt: Messias, de Vorst, Daniël 9:25. Dat is de grote waarheid van het Evangelie, die wij hebben te geloven, dat deze Jezus, dezelfde, die te Jeruzalem gekruist was, Hij is, wie onze hulde toekomt, en van wie wij bescherming hebben te verwachten als Heere en Christus.