Johannes 1:44-52
Wij hebben hier de roeping van Filippus en Nathanaël.
I. Filippus werd onmiddellijk, door Christus zelven geroepen, niet zoals Andreas, die door Johannes op Christus gewezen werd, noch als Petrus, die door zijn broeder tot Hem werd gebracht. God heeft onderscheidene middelen en wegen om Zijne uitverkorenen tot Zich te brengen, maar welke middelen Hij ook gebruikt, Hij is aan geen enkel middel gebonden.
1. Filippus werd op een voorkomende wijze geroepen: Jezus vond Filippus. Christus zocht ons en vond ons, eer wij naar Hem gevraagd hebben. De naam Filippus is van Grieksen oorsprong, en veel gebruikt onder de heidenen, hetgeen voor sommigen een bewijs is van de ontaarding der Joodse kerk van dien tijd, en hun gelijkvormigheid aan de heidenen, toch heeft Christus zijn naam niet veranderd.
2. Hij werd des anderen daags geroepen. Zie met hoeveel ijver Christus zich op Zijn werk heeft toegelegd. Als er werk gedaan moet worden voor God, behoren wij geen dag te verliezen. Doch merk op, dat Christus nu een of twee op een dag riep. maar nadat de Geest was uitgestort, zijn op een dag duizenden krachtdadig geroepen, waarin het woord vervuld is, dat Hij gesproken heeft in Hoofdstuk 14:12.
3. Jezus wilde heengaan naar Galilea om hem te roepen. Christus zal allen vinden, die Hem gegeven zijn, wáár zij zich ook bevinden, en geen hunner zal verloren gaan.
4. Filippus werd door de kracht van Christus, die uitging met het woord: "Volg Mij" er toe gebracht om een discipel te worden. Zie den aard van het ware Christendom, het is een volgen van Christus, het is ons over te geven aan Zijn bestuur en leiding, het is in Zijne voetstappen te wandelen. Zie de kracht van Christus' genade, waardoor Zijn woord overwint, Zijn roepstem gehoorzaamd wordt, het is de scepter Zijner sterkte.
5. Er wordt ons meegedeeld, dat Filippus van Bethsaïda was, en ook Andreas en Petrus waren van die stad, vers 45. Deze uitnemende discipelen ontleenden geen eer aan hun geboorteplaats, maar deden er ere op afstralen, hebben er ere aan bijgezet. Bethsaïda betekent het huis der netten, omdat het meestal door vissers bewoond werd. Vandaar heeft Christus discipelen gekozen, die met buitengewone gaven begiftigd zouden worden, en die dus de gewone voorrechten van geleerdheid niet van node hadden. Bethsaïda was een goddeloze plaats, Mattheus 11:21, toch was ook dáár een overblijfsel naar de verkiezing der genade.
II. Nathanaël werd door Filippus genodigd om tot Christus te komen, en van hem wordt veel gezegd. Waaromtrent wij kunnen opmerken:
1. Wat er voorviel tussen Filippus en Nathanaël, waarin een opmerkelijk mengsel van vromen ijver en van zwakheid valt waar te nemen, zoals die gewoonlijk bij eerstbeginnenden gevonden wordt, die nog slechts vragen naar den weg naar Zion. Hier is: a. Het blijde nieuws dat Filippus aan Nathanaël mededeelt, vers 46. Evenals tevoren Andreas, zo kan ook Filippus, na zelf Christus enigermate te hebben leren kennen, niet rusten voor hij den reuk dier kennis openbaar heeft gemaakt. Hoewel Filippus slechts kortelings met Christus is bekend geworden, treedt hij toch ter zijde om Nathanaël te zoeken. Ook als wij de heerlijkste gelegenheid hebben om goeds te verkrijgen voor onze eigen ziel, moeten wij nog gelegenheid zoeken om goed te doen aan de zielen van anderen, gedenkende aan de woorden van den Heere Jezus: Het is zaliger te geven dan te ontvangen, Handelingen 20:35. "O!" zegt Filippus, wij hebben dien gevonden, van welken Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten. Merk hier op: In welk een vervoering van vreugde Filippus was door zijn bekend worden met Christus: "Wij hebben Hem gevonden, van wie wij zo dikwijls gesproken hebben, naar wie wij zo lang verlangd, dien wij zo lang verwacht hebben, eindelijk is Hij gekomen, en wij hebben Hem gevonden. Welk een voorrecht het voor hem was om zo goed bekend te zijn met de Schriften des Ouden Testaments, waardoor zijn hart en zijn verstand toebereid werden om het licht des Evangelies te ontvangen. "Hem, van wie Mozes en de profeten hebben geschreven". Wat geheel en van eeuwigheid af in het boek der Goddelijke raadsbesluiten was geschreven, was gedeeltelijk, op verschillende tijden en velerlei wijzen gekopieerd in het boek der Goddelijke openbaringen. Heerlijke dingen waren geschreven betreffende het Zaad der vrouw, het Zaad van Abraham, den Silo, den Profeet gelijk Mozes, den Zone David's, EMMANUEL, den Man, de Spruit, den Messias, den Vorst. Filippus had deze dingen bestudeerd en was er van vervuld, hetgeen hem geredelijk Christus welkom deed heten. Welke vergissingen hij nog maakte, met welke zwakheid hij nog bevangen was, hij noemde Christus Jezus van Nazareth, terwijl Hij toch van Bethlehem was, hij noemt Hem den zoon van Jozef, terwijl Hij slechts diens vermeende zoon was. Eerstbeginnenden in den Godsdienst zijn aan vergissingen onderhevig, welke door den tijd en de genade Gods hersteld zullen worden. Het was zijne zwakheid om te zeggen: Wij hebben Hem gevonden, want Christus vond hen, eer zij Christus hebben gevonden. Hij heeft nog niet, gelijk Paulus, begrepen, dat hij van Christus Jezus gegrepen was, Filippenzen 3:12.
b. Nathanaels bedenking hiertegen: Kan uit Nazareth iets goeds zijn? vers 46. Zijne voorzichtigheid was prijzenswaardig. Hij heeft niet lichtvaardig ingestemd met alles wat gezegd werd, maar hij onderzocht en overwoog het. Onze stelregel is: Onderzoek alle dingen. Maar zijne bedenking ontstond uit onwetendheid. Indien hij bedoelde, dat uit Nazareth niets goeds kon komen, dan was dit om zijne onbekendheid met de Goddelijke genade, alsof die in de ene plaats van minder kracht en uitwerking was dan in een andere plaats, of aan der mensen dwaze en gemelijke opmerkingen gebonden was. Indien hij bedoelde, dat de Messias, het grote Goed, niet uit Nazareth kon komen, dan had hij hierin gelijk. In de wet had Mozes gezegd, dat Hij uit Juda zou voortkomen, en de profeten hadden Bethlehem aangewezen als de plaats Zijner geboorte, maar dan was hij toch onbekend met het feit, dat deze Jezus te Bethlehem was geboren, zodat de vergissing van Filippus in Hem Jezus van Nazareth te noemen, deze tegenwerping heeft uitgelokt. De vergissingen der predikers doen dikwijls vooroordelen ontstaan bij de hoorders.
c. Het korte antwoord van Filippus op deze bedenking: Kom en zie. Het was zijne zwakheid, waardoor hij er geen voldoend antwoord op kon geven, maar zo gaat het gewoonlijk met pas- beginnenden in den Godsdienst. Wij kunnen wel genoeg weten om zelven voldaan te wezen, en toch niet instaat zijn genoeg te zeggen, om het vitten van spitsvondige tegenstanders tot zwijgen te brengen. Nu toonde hij zijne wijsheid en zijn ijver, dat hij zijne tegenwerping zelf niet kunnende beantwoorden, hem tot Enen wilde laten gaan, die het wèl kon: Kom en zie. Laat ons niet staan redeneren en moeilijkheden opwerpen voor ons zelven, waar wij niet over heen kunnen, maar laat ons heengaan en met Christus zelf spreken, en dan zullen die moeilijkheden terstond verdwijnen. Het is dwaasheid om den tijd in twijfelachtigen redetwist door te brengen, die beter en nuttiger besteed zou kunnen worden in oefening der Godsvrucht. Kom en zie, niet: "Ga en zie", maar Kom, en ik zal met u medegaan, zoals in Jesaja 2:3. Naar aanleiding van dit gesprek tussen Filippus en Nathanaël kunnen wij opmerken: Ten eerste. Dat velen van den Godsdienst teruggehouden worden door de onredelijke vooroordelen, die zij er tegen opgevat hebben wegens de een of andere omstandigheid, die er geheel vreemd aan is.
Ten tweede. De beste manier om die vooroordelen weg te nemen, welke zij tegen den Godsdienst koesteren, is ze te onderzoeken en te toetsen, en er niet op te antwoorden voordat wij de zaken onderzocht hebben.
2. Wat er voorviel tussen Nathanaël en onzen Heere Jezus. Hij kwam en zag, en dat wel niet tevergeefs.
a. Onze Heere Jezus gaf een eervol getuigenis van Nathanaels oprechtheid. Jezus zag Nathanaël tot zich komen, en ging hem met een gunstrijke aanmoediging tegemoet. Hij zei van hem tot de Hem omringenden, terwijl Nathanaël zelf reeds binnen het bereik was van Zijne stem: Zie waarlijk een Israëliet. Merk op: Dat Hij hem prees, niet om hem te vleien, of hem op te blazen met een goeden dunk van zich zelven, maar wellicht omdat Hij wist, dat hij een nederig, bescheiden man was, indien al niet een droefgeestig man, iemand, die harde en geringe gedachten koesterde van zich zelven en maar al te gereed was om aan zijn eigen oprechtheid te twijfelen. Door Zijn getuigenis heeft Christus die zaak buiten twijfel gesteld. Nathanaël had meer dan een der andere kandidaten voor het discipelschap bedenkingen geopperd tegen Christus, maar Christus toonde hiermede, dat Hij dit verontschuldigde, heeft niet ten kwade geduid wat hij verkeerds gezegd had, omdat Hij wist, dat zijn hart oprecht was. Hij heeft hem niet tegengeworpen: Kan uit Kana iets goeds zijn? Hoofdstuk 21:2, Kana, een onbekend vlek in Galilea? Neen, Hij geeft hem dezen vriendelijken lof, om ons aan te moedigen in de hope van door Christus aangenomen te zullen worden, in weerwil van onze zwakheid, en ons te leren met achting te spreken van hen, die zonder oorzaak minachtend over ons gesproken hebben, en hun den lof te geven, die hun toekomt. Dat Hij hem loofde om zijne oprechtheid. Ten eerste. Zie waarlijk een Israëliet. Het is Christus' kroonrecht te weten wat de mensen waarlijk zijn, wij kunnen slechts het beste van hen hopen. De gehele natie bestond uit Israëlieten in naam, maar die zijn niet allen Israël die uit Israël zijn, Romeinen 9:6. Hier echter was waarlijk een Israëliet.
1. Een oprecht volger van het goede voorbeeld van Israël, wiens karakter was aangeduid als te zijn een oprecht man in tegenstelling met Ezau, die een man was verstandig ter jacht, een loos jager. Nathanaël was een ware zoon van den oprechten Jakob, hij was niet slechts van zijn zaad, maar van zijn geest.
2. Een oprecht belijder van het geloof van Israël, hij was trouw aan den Godsdienst, dien hij beleed, en leefde naar zijne belijdenis, hij was wezenlijk zo goed als hij scheen, en zijn praktijk strookte met zijne belijdenis. Hij is de Jood, die het in het verborgen is, Romeinen 2:29, en zo is hij ook de Christen. Ten tweede. Hij is iemand in wie geen bedrog is-dat is het karakter, de aard van een waar Israëliet, een waar Christen: geen bedrog jegens de mensen, een man zonder list of boosheid, een man, dien men kan vertrouwen, geen bedrog jegens God. dat is: oprecht in zijn berouw over de zonde, oprecht in zijn verbond met God, in wiens geest geen bedrog is, Psalm 32:2. Hij zegt niet: geen schuld, maar geen bedrog. Hoewel hij in vele zaken dwaas en vergeetachtig is, is hij toch nergens onoprecht in, is hij niet goddelooslijk van God afgegaan. Er was gene schuld in hem, die hij in zich goedkeurde. Zie waarlijk een Israëliet.
1. "Let op hem, en doet zoals hij doet".
2. "Bewondert hem, ziet hem aan, en verwondert u". De geveinsdheid der schriftgeleerden en Farizeeën was zo doorgedrongen tot de Joodse kerk en natie, en hun Godsdienst was zo verbasterd door formalisme en wereldwijsheid, dat een Israëliet, die dit waarlijk was, een man was om zich over te verwonderen, een wonder van genade, dat hij iemand als Job was, Job 1:8.
b. Nathanaël is hierover zeer verbaasd, waarop Christus hem nog een verder bewijs geeft van Zijne alwetendheid en een vriendelijke herinnering aan vroeger betoonde Godsvrucht. Nu zien wij hier Nathanaels nederigheid, daar hij geheel van zijn stuk raakt door de vriendelijke opmerking, die Christus hem schonk: Van waar kent Gij mij? mij, die Uwe kennisneming niet waardig ben? Wie ben ik, Heere, Heere? 2 Samuël 7:18. Dat was een blijk van zijne oprechtheid, dat hij den lof, die hem gegeven werd, niet met beide handen aangreep, maar hem afwees. Christus kent ons beter dan wij ons zelven kennen. Wij weten niet wat in het hart eens mensen is door hem in het gelaat te zien, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor Christus, Hebreeën 4:12, 13. Kent Christus ons? Laat ons ijveren om Hem te kennen. Hier zien wij hoe Christus zich nog verder aan hem openbaart. Eer u Filippus riep, zag Ik u.
Ten eerste. Hij geeft hem te verstaan, dat Hij hem kende, en aldus openbaart Hij hem Zijne Godheid. Het is Gods kroonrecht alle mensen en alle dingen onfeilbaar te kennen, en hieraan heeft Christus zich bij menige gelegenheid bewezen God te zijn. Van den Messias was voorzegd, dat Hij snel van bevatting zal zijn in de vreze des Heeren, Jesaja 11:3 1) dat is: in het beoordelen van de oprechtheid en de mate van de vreze Gods in anderen, en dat Hij naar het gezicht Zijner ogen niet zal richten. Hier beantwoordt Hij aan die voorzegging, 2 Timotheus 2:19.
Ten tweede. Dat Hij, eer Filippus hem riep, hem onder den vijgenboom gezien heeft, dit toont een bijzondere vriendelijkheid voor hem.
1. Zijn oog was op hem, eer Filippus hem riep, toen Nathanaël voor het eerst met Christus bekend werd. Christus kent ons eer wij Hem kennen, Jesaja 45:4, Galaten 4:9.
2. Zijn oog was op hem, toen hij onder den vijgenboom was, dat was een bijzonder teken, hetwelk door niemand dan Nathanaël verstaan werd. "Toen gij u terugtrok onder den vijgenboom in uwen hof, en dacht, dat geen oog u zag, was Mijn oog op u, en zag Ik hetgeen Mij zeer welbehaaglijk was". Zeer waarschijnlijk heeft Nathanaël onder den vijgenboom gedaan wat Izaak gedaan heeft in het veld, nl. zich overgegeven aan overpeinzing, gebed en gemeenschapsoefening met God. Misschien was het in die ure en aan die plaats, dat hij zich met een onverbreekbaar verbond aan den Heere had gegeven. Christus zag in het verborgen, en door deze openlijke kennisneming er van heeft Hij hem gedeeltelijk in het openbaar vergolden. Het neerzitten onder den vijgenboom duidt rust en kalmte van geest aan, hetgeen zeer bevorderlijk is aan gemeenschapsoefening met God. Micha 4:4, Zacheria 3:10. Hierin was Nathanaël waarlijk een Israëliet, dat hij, gelijk Israël, alleen met God worstelde, Genesis 32:24, niet bad, zoals de geveinsden, op de hoeken der straten, maar onder den vijgenboom.
c. Hierdoor verkreeg Nathanaël de volle verzekerdheid des geloofs in Jezus Christus, uitgedrukt in die schone belijdenis: Rabbi! Gij zijt de Zone Gods, Gij zijt de Koning Israël's, dat is, in een woord: Gij zijt de ware Messias. Merk hier op hoe vastelijk hij geloofde met het hart. Hoewel hij nog kortelings behept was met vooroordelen omtrent Christus, waren deze nu alle verdwenen. Door geloof te werken werpt Gods genade alle ijdele verbeeldingen omver. Nu vraagt hij niet meer: "Kan uit Nazareth iets goeds zijn?" Want hij gelooft, dat Jezus van Nazareth het hoogste Goed is, en dienvolgens neemt hij Hem aan. Hoe vrijmoedig hij heeft beleden met den mond. Zijne belijdenis heeft den vorm ener aanbidding, gericht tot den Heere Jezus zelven, hetgeen een gepaste manier is om ons geloof te belijden. Ten eerste. Hij erkent en belijdt Christus' profetisch ambt, door Hem Rabbi te noemen, een titel, die door de Joden gemeenlijk aan hun leraren gegeven werd. Christus is de grote Rabbi, aan wiens voeten wij allen onderwezen moeten worden. Ten tweede. Hij belijdt Zijn Goddelijke natuur en Zijne zending door Hem den Zone Gods te noemen, dien Zoon van God, van wie gesproken wordt in Psalm 2:7. In gestalte en voorkomen was Hij een mens, daar Hij echter Goddelijke kennis had, kennis van het hart, kennis van dingen, die op een afstand en in het verborgen geschiedden, komt Nathanaël deswege tot de gevolgtrekking, dat Hij de Zone Gods moet wezen. Ten derde. Hij belijdt: Gij zijt de Koning Israël's, die Koning Israël's, dien wij zo lang hebben verwacht. indien Hij de Zone Gods is, dan is Hij Koning van het Israël Gods. Nathanaël bewijst zich hiermede waarlijk een Israëliet te zijn, dat hij den Koning Israël's zo geredelijk erkent en zich aan Hem onderwerpt.
d. Hierop geeft Christus aan Nathanaël hoop op nog grotere dingen, vers 50, 51. Christus is zeer teder voor pas-bekeerden, en zal een goed begin, al is het ook zwak, aanmoedigen, Mattheus 12:20. Hij geeft hier Zijn welgevallen in, en (naar het schijnt) Zijne bewondering van, het vaardige geloof van Nathanaël te kennen: Omdat Ik u gezegd heb, Ik zag u onder den vijgenboom, zo gelooft gij. Hij verwondert er zich over, dat zulk een gering teken van Christus' Goddelijke kennis zulk ene uitwerking had, het was een bewijs, dat Nathanaels hart tevoren reeds toebereid was, anders zou dit werk niet zo plotseling tot stand zijn gekomen. Het strekt grotelijks tot eer van Christus en Zijne genade, als op de eerste aanmaning het hart zich aan Hem onderwerpt. Hij belooft hem veel meer hulp voor de bevestiging en vermeerdering van zijn geloof, dan hij voor de teweegbrenging er van ontvangen heeft.
Ten eerste. In het algemeen: Gij zult grotere dingen zien dan deze, sterkere bewijzen, dat Ik de Messias ben, nl. de wonderen van Christus en Zijne opstanding.
1. Aan wie heeft, en een goed gebruik maakt van hetgeen hij heeft, zal meer gegeven worden.
2. Zij, die waarlijk in het Evangelie geloven, zullen bevinden dat de bewijzen er van voor hen toenemen en sterker worden, zij zullen steeds meer reden vinden om het te geloven.
3. Wat Christus aan Zijn volk in dit leven van zich zelven openbaren zal, Hij heeft grotere dingen dan deze aan hen te openbaren, ene heerlijkheid, die nog verder geopenbaard zal worden. Ten tweede. In het bijzonder. "Niet alleen gij, maar gij allen, Mijne discipelen, voor wier geloofsbevestiging dit bestemd is, gij zult den hemel zien geopend." Dat is meer, dan aan Nathanaël te zeggen, dat Hij hem onder den vijgenboom gezien heeft. Dit wordt ingeleid met het plechtig: Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden, hetgeen de aandacht gebiedt voor hetgeen gezegd is, als zijnde van groot belang en gewicht, en een volle instemming er mede eist, als zijnde ontwijfelbaar waar: "Ik zeg het, op wiens woord gij kunt steunen, amen, amen." Niemand anders dan Christus heeft dit woord aan het begin van een volzin gebruikt, hoewel de Joden het dikwijls gebruiken aan het einde van een gebed. en het dan soms verdubbelen. Het is een plechtige betuiging. Christus wordt de Amen genoemd, Openbaring 3:14, en als zodanig wordt het ook hier door sommigen verstaan, Ik, de Amen, de Amen, zeg ulieden. Ik, de getrouwe Getuige. De verzekerdheid, die wij hebben van de heerlijkheid, die nog geopenbaard zal worden, is gegrond op het woord van Christus. Zie nu wat het is, waar Christus hun de verzekering van geeft: Van nu aan, of binnen kort, zult gij den hemel geopend zien.
A. Het is een geringe titel, dien Christus hier aanneemt: De Zoon des mensen, een titel, die Hem dikwijls in het Evangelie wordt gegeven, maar altijd slechts door Hem zelven. Nathanaël had Hem den Zone Gods genoemd, en den Koning Israël's, Hij zelf noemt zich Zoon des mensen.
a. Om Zijne nederigheid aan te duiden temidden van de ere. die Hem wordt aangedaan.
b. Om hun Zijne mensheid te doen verstaan, die even goed als Zijne Godheid geloofd moet worden.
c. Om op Zijn tegenwoordigen staat van vernedering te wijzen, opdat Nathanaël niet zou verwachten, dat deze Koning Israël's in uitwendige pracht zou verschijnen.
B. Maar het zijn grote dingen, die Hij hier voorzegt: Gij zult den hemel zien geopend, en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des mensen.
a. Sommigen verstaan dit in letterlijken zin, als wijzende op een bijzondere gebeurtenis. Hetzij, dat er een visioen was van Christus' heerlijkheid, waarin dit nauwkeurig vervuld werd, en waarvan Nathanaël ooggetuige was, zoals Petrus. Jakobus en Johannes ooggetuigen waren van Zijne verheerlijking op den berg. Er waren vele dingen, die Christus gedaan heeft in de tegenwoordigheid van Zijne discipelen, die niet geschreven zijn, Hoofdstuk 20:30, en waarom dan ook niet dit? Of wel: het was vervuld in de velerlei bedieningen van de engelen aan den Heere Jezus verricht, inzonderheid bij Zijne hemelvaart, toen de hemel geopend was om Hem te ontvangen, en de engelen opklommen en nederdaalden om Hem te vergezellen, te dienen en ere te bewijzen, en dat wel voor de ogen der discipelen. Christus' hemelvaart was het grote blijk Zijner zending en heeft het geloof Zijner discipelen grotelijks versterkt. Het kan ook zien op Jezus' wederkomst, om de wereld te oordelen, wanneer de hemelen geopend zullen zijn, en alle oog Hem zien zal, en de engelen Gods rondom Hem zullen opklimmen en nederdalen, als Zijne dienaren, en zeer veel werks zal er op dien dag gedaan worden. 2 Thessalonicenzen 1:10. Nog anderen vatten het op in overdrachtelijken zin, als sprekende van ene reeks van gebeurtenissen, die van nu aan zullen beginnen, en aldus kunnen wij het verstaan: Van Christus' wonderen. Nathanaël geloofde, omdat Christus, gelijk de profeten van ouds, hem verborgen dingen kon zeggen, maar wat betekent dat? Christus leidt nu ene bedeling in van wonderen, veel groter dan dit, alsof de hemel geopend ware, en zulk een kracht en macht zal door den Zoon des mensen geoefend worden, alsof de engelen, die uitnemend zijn in kracht, voortdurend Zijne bevelen volbrachten. Onmiddellijk daarna begon Christus wonderen te doen, Hoofdstuk 2:11. Of wel, van Zijn Middelaarschap en de zalige gemeenschap, die Hij gevestigd heeft tussen hemel en aarde, in de verborgenheid waarvan de discipelen trapsgewijze in geleid stonden te worden. Ten eerste Door Christus, als Middelaar, zij zullen den hemel zien geopend, opdat wij zullen ingaan in het heiligdom door Zijn bloed, Hebreeën 10:19, 20, den hemel geopend, opdat wij er door het geloof een blik in zullen slaan, en er ten laatste zullen binnengaan, thans de heerlijkheid des hemels zullen aanschouwen, en hiernamaals in zullen gaan in de vreugde onzes Heeren. En ten tweede. Zij zullen engelen zien, opklim mende en nederdalende op den Zoon des mensen. Door Christus hebben wij gemeenschap met, nut en voordeel van, de heilige engelen, en zijn de dingen, die op de aarde, en de dingen, die in de hemelen zijn, verzoend en tot elkaar gebracht. Christus is voor ons de Jakobsladder, Genesis 28:12, waarop, ten goede der heiligen, de engelen voortdurend opklimmen en nederdalen.