Johannes 14:12-14
De discipelen waren vervuld van smart bij de gedachte aan het scheiden van hun Meester, en ook van zorg omtrent hetgeen er van hen worden zou na Zijn heengaan. Zolang Hij met hen was, was Hij hun Beschermer, hield Hij hen kalm en kloekmoedig, maar als Hij hen verlaat, zullen zij als schapen wezen zonder herder, een gemakkelijke prooi voor hen, die hun ondergang zoeken. Om nu deze vrees tot zwijgen te brengen, verzekert Christus hun hier, dat zij met genoegzame kracht ter ondersteuning voorzien zullen worden. Daar Christus alle macht heeft, zullen zij, in Zijn naam, grote macht hebben in hemel en op aarde.
I. Grote macht op aarde, vers 12:Die in Mij gelooft (gelijk Ik weet, dat gij in Mij gelooft) de werken, die Ik doe, zal hij ook doen. Dat verzwakt geenszins het argument, dat Christus aan Zijne werken had ontleend, om te bewijzen dat Hij een is met den Vader (namelijk dat anderen even grote werken zullen doen) maar versterkt het veeleer, want de wonderen, door de apostelen gewrocht, werden gedaan in Zijn naam en door het geloof in Hem, en hierdoor wordt meer dan door iets anders Zijne macht groot gemaakt en verheerlijkt, dat Hij niet slechts zelven wonderen heeft gedaan, maar dat Hij aan anderen de macht heeft gegeven om ze ook te doen.
1. Van twee dingen geeft Hij hun de verzekering:
a. Dat zij bekwaam gemaakt zullen worden om zulke werken te doen als Hij gedaan had, en dat zij grotere macht zullen hebben om ze te doen, dan toen Hij hen het eerst had uitgezonden, Mattheus 10:8. Heeft Christus de kranken genezen, de melaatsen gereinigd, de doden opgewekt? Ook zij zullen dit doen. Heeft Hij zondaren overtuigd en bekeerd, en grote scharen tot zich getrokken? Dat zullen ook zij. Ofschoon Hij heengaat, zal het werk niet ophouden, noch ter aarde vallen, het zal met evenveel kracht en goed gevolg als ooit tevoren worden voortgezet, en zo gaat het ook nu nog voort.
b. Dat zij meer zullen doen. In het rijk der natuur zullen zij grotere wonderen doen. Geen wonder is klein, maar voor ons begrip schijnen sommige groter dan andere. Christus had genezing gewerkt door de aanraking van den zoom Zijns kleeds, maar Petrus door zijne schaduw, Handelingen 5:15, Paulus door den zweetdoek, die hem had aangeraakt, Handelingen 19:12. Christus heeft gedurende twee of drie jaren wonderen gewerkt in een land, maar Zijne volgelingen hebben in Zijn naam wonderen gewerkt gedurende vele eeuwen en in verschillende landen. Gij zult meer doen, als er gelegenheid toe is, tot eer en heerlijkheid Gods. Indien dit ooit nodig ware geweest, zou het gebed des geloofs bergen verzet hebben. In het rijk der genade. Zij zullen door het Evangelie grotere overwinningen behalen dan toen Christus op aarde was. En voorzeker, dat de apostelen onder zo ongunstige omstandigheden zo groot een deel der wereld onder Christus' banier hebben gebracht, was wel het grootste wonder van allen. Ik denk, dat dit inzonderheid ziet op de gave der talen, die de onmiddellijke uitwerking was van de uitstorting des Geestes, hetgeen een voortdurend wonder is op het hart, waarin woorden geformeerd en ingegeven worden, en dienstbaar zou worden aan zo heerlijk doeleinde als de verbreiding van het Evangelie onder alle volken in hun eigen taal. Dat was een groter teken voor de ongelovigen, 1 Corinthiërs 14:22, en krachtiger om hen tot overtuiging te brengen dan alle andere wonderen.
2. De reden, die Christus hiervoor geeft is: want Ik ga heen tot Mijn Vader. a. "Omdat Ik heenga, zal het nodig wezen dat gij zodanige macht hebt, want Ik ga heen tot den Vader om u den Trooster te zenden, van wie gij kracht zult ontvangen," Handelingen 1:18. De wondervolle werken, die zij in Christus' naam hebben gedaan, maakten deel uit van de heerlijkheid van Zijn verhoogden staat, toen Hij opgevaren is in de hoogte, Efeze 4:8.
II. Grote macht in den hemel. Zo wat gij begeren zult in Mijn naam, dat zal Ik doen, vers 13, 14, zodat Israël, die een vorst was bij God. Gij zult zo grote werken doen, omdat gij invloed hebt op Mij, en Ik op Mijn Vader. Merk op:
1. Waardoor zij hun gemeenschap met Hem moesten onderhouden, en kracht en macht van Hem zouden verkrijgen, als Hij heengegaan zou zijn tot den Vader-namelijk het gebed. Als geliefde vrienden van elkaar worden gescheiden, dan voorzien zij in het middel om gemeenschap met elkaar te kunnen onderhouden, en toen Christus heenging tot Zijn Vader, zegt Hij hun, hoe zij Hem bij elke gelegenheid bericht kunnen zenden en wel op veilige en zekere wijze, zonder gevaar dat hun brieven of berichten niet terechtkomen, of onder weg zullen blijven: "Laat Mij van u horen door het gebed, het gebed des geloofs, en gij zult van Mij horen door den Geest". Dat was het oude middel van gemeenschap met den hemel, van dat men den naam des Heeren begon aan te roepen, en Christus heeft door Zijn dood dien weg van gemeenschap geopend, en hij is nog voor ons geopend. Hier wordt:
a. Ootmoed voorgeschreven: Gij zult vragen, of begeren. Hoewel zij alles om Christus' wil hadden verlaten, konden zij toch niets van Hem eisen als ene schuld, die Hij aan hen zou hebben, zij moeten nederige smekelingen zijn, bedelen of van honger sterven, bedelen of omkomen.
b. Vrijheid toegestaan. "Begeert wat gij wilt, wat goed en geschikt voor u is, mits gij weet waar gij om vraagt, moogt gij alles vragen, gij moogt vragen om hulp bij uwen arbeid, om mond en wijsheid, om bewaring uit de handen uwer vijanden, om macht om wonderen te kunnen doen, als dit nodig is, om voorspoed op uwe bediening in de bekering van zielen, vraagt om onderwezen, geleid, gerechtvaardigd te worden." De gelegenheden, de noden en behoeften verschillen, maar ten allen tijde zult gij er welkom mede wezen voor den troon der genade.
2. In welken naam zij hun gebeden moeten opzenden: "Begeert in Mijn naam." In Christus naam te begeren of te vragen is:
a. Te pleiten op Zijne verdienste en voorbede, en daarop te steunen. De Oud Testamentische heiligen hadden hier het oog op, als zij baden om des Heeren wil, Daniël 9:17, en om den wil des Gezalfden, Psalm 48:10, maar Christus' middelaarschap wordt in een helderder licht gesteld, en zo worden wij in staat gesteld om meer uitdrukkelijk te bidden in Zijn naam. Toen Christus het gebed des Heeren voorschreef, is er dit niet bijgevoegd, omdat zij die zaak toen nog niet zo ten volle begrepen als later, nadat de Geest was uitgestort. Als wij bidden in onzen eigen naam, dan kunnen wij geen voorspoed, dat is gene verhoring, verwachten op ons gebed, want, vreemdelingen zijnde, hebben wij geen naam in den hemel, zondaars zijnde, hebben wij er een slechten naam, maar Christus heeft een goeden naam, wel bekend in den hemel, en zeer dierbaar.
b. Het is Zijne eer op het oog te hebben, en die tot het voornaamste doel te maken van al onze gebeden. 3. Welken voorspoed zij zullen hebben op hun gebeden. Wat gij begeren zult, dat zal Ik doen, vers 13. En wederom: Ik zal het doen, vers 14. "Gij kunt er zeker van zijn, dat Ik het doen zal. Niet bloot: het zal gedaan worden, Ik zal er voor zorgen, of Ik zal orders geven dat het gedaan zal worden, maar Ik zal het doen, want Hij heeft niet slechts den invloed van een voorspraak, maar de macht van een soeverein, die aan de rechterhand Gods is gezeten, de hand der handeling of werkzaamheid, en Hem is al het doen in het koninkrijk Gods opgedragen. Door het geloof in Zijn naam kunnen wij hebben al wat wij willen, zo wij er slechts om vragen.
4. Om welke reden hun gebeden aldus voorspoedig zullen zijn: opdat de Vader in den Zoon verheerlijkt worde. Dat is:
a. Dat moet hun doel wezen, hierop moeten zij het oog hebben, als zij bidden. Hierin moeten al onze begeerten en gebeden samenkomen als in hun middelpunt, hierop moeten zij gericht wezen, dat God in Christus geëerd worde door onze diensten en in onze zaligheid. Uw naam worde geheiligd is een verhoord gebed, en wordt het eerst gesteld, omdat, zo het hart hierin oprecht is, het in zekeren zin wijding geeft aan al de andere beden.
b. Dat heeft Christus op het oog in het verlenen der gunst, de verhoring van het gebed, om den wille hiervan zal Hij doen wat zij vragen, dat hierdoor de heerlijkheid van den Vader in den Zoon tentoongespreid zal worden. De wijsheid, macht en goedheid van God werden verheerlijkt in den Verlosser, toen Zijne apostelen door ene macht, die zij aan Hem hadden ontleend, en uitgeoefend hadden, in Zijn naam en tot Zijn dienst, instaat waren gesteld om zulke grote dingen te doen, zowel ter bevestiging van Zijne leer, als om haar in de wereld bekend te maken.