4. Maar zij zullen, in ongestoord en dankbaar genot der gaven Gods, zitten een ieder onder zijnen wijnstok en onder zijnen vijgeboom, zo als dat in voorafbeelding onder Salomo het geval was (1 Kon 4:25.
Zacharia 3:10), en er zal niemandmeer zijn van enigen verborgen of openbaren vijand, die ze verschrikke 1). Zo heeft de Heere aan Zijn volk beloofd (
Leviticus 26:6), en hoe ongelofelijk het moge schijnen, zo zal het zeker geschieden; want de getrouwe mond des HEEREN der heirscharen, die waarachtig is en sterk en machtig in den strijd, heeft het gesproken 2). Hij zelf zal het ondanks alle hindernissen daartoe brengen.
1) Deze belofte van grote rust en stilte is niet te verstaan, alsof de Heere de Christenen ondermijnde van een wettigen oorlog veroordelen. Want de Overheid, het zwaard der Justitie dragende, hetwelk menigmaal door geweld van wapenen moet uitgevoerd worden is ene ordonnantie Gods (Romeinen 13). Ook hebben wij het niet te verstaan, dat de kerk altijd een uitwendige rust en vrede genieten zou. Want dit wordt door Christus zelf weerlegd (Mattheus 10:34). Ook is de geestelijke vrede der godzaligen in alle beroeringen niet genoeg voldoenende aan het oogmerk van deze belofte. Maar het oogmerk leert ons: 1. dat de zaligmakende uitwerking van het Evangelie op de mensen hun verdorvenheden ten onder brengt, doende hun handelbaar en buigzaam zijn voor den wille Gods, alsook vreedzaam trachten om God te dienen in hun standplaatsen en om nuttig te zijn voor elkaar. 2. Dit temmen van der mensen verdorvenheden, door het Evangelie blijkt verder, in dat de heiligen en bekeerden in zo verre als zij vernieuwd zijn, in vrede zullen leven, en dat er niet meer zulk ene vijandschap zal zijn tussen de gelovige Heidenen en Joden, als er ware eer de middelmuur des afscheidsels was weggenomen. 3. De kerke Gods zal ten spijt van alle de macht en de verzinning der vijanden zelfs uitwendigen vrede en stilheid hebben, in zo verre die nodig en dienstig kan zijn tot bevordering van haar geestelijk voordeel. 2) Hiermede geeft de Profeet weer de vastheid en de zekerheid der belofte aan. Niet hij, maar de Heere Jehova, de getrouwe Verbonds God, heeft dit gesproken, en deze belofte gedaan. Zijne beloften falen niet, zijn toezeggingen zijn waarachtig en getrouw.