Handelingen 2:42-47
Wij spreken dikwijls van de oorspronkelijke kerk en beroepen ons op haar en op hare geschiedenis, in deze verzen hebben wij de geschiedenis van de wezenlijke oorspronkelijke kerk, van hare eerste dagen, toen zij in hare kindsheid was, maar die staat van kindsheid was de staat van hare grootste onschuld.
I. Zij hielden zich nauwgezet aan de heilige inzettingen, en waren overvloedig in alle voorbeelden van vroomheid en Godsvrucht, want het Christendom zal de ziel neigen tot gemeenschap met God in al die wegen en middelen, waarin Hij ons bescheiden heeft Hem te ontmoeten, en beloofd heeft ons te zullen ontmoeten.
1. Zij waren naarstig en standvastig in hun bijwonen van de prediking des woords. Zij volhardden in de leer der apostelen, en hebben haar nooit verzaakt of verlaten, of, zoals wij het ook kunnen lezen: zij bleven volstandig bij het onderwijs der apostelen, bij den doop, die hun geleerd was, en zij waren gewillig, om onderwezen te worden. Zij, die hun namen aan Christus hebben overgegeven, moeten nauwgezet zijn in het horen van Zijn woord, want daardoor geven wij Hem ere, en bouwen wij ons op in ons allerheiligst geloof.
2. Zij onderhielden de gemeenschap der heiligen. Zij volhardden in de gemeenschap, vers 42, en dagelijks volhardden zij eendrachtelijk in den tempel, vers 46. Zij koesterden niet slechts ene wederzijdse genegenheid voor elkaar, maar gingen veel met elkaar om, zij waren veel en dikwijls te zamen. Toen zij zich terugtrokken van het verkeerdgeslacht, zijn zij gene kluizenaars gaan worden, maar gingen vertrouwelijk met elkaar om, gebruikten alle gelegenheden om samen te komen, overal, waar gij een discipel zaagt, zaagt gij er meer, want "soort zoekt soort". Zie, hoe lief deze Christenen elkaar hadden. Zij waren bezorgd voor elkaar, sympathiseerden met elkaar, trokken zich van harte elkanders belangen aan. Zij hadden gemeenschap met elkaar in hun Godsverering. Zij kwamen samen in den tempel, dat was hun plaats van bijeenkomst, want mede-gemeenschap met God is de beste gemeenschap, die wij met elkaar kunnen hebben, 1 Johannes 3. Merk op:
A. Zij waren dagelijks in den tempel, niet slechts op de sabbatdagen en op de plechtige feestdagen, maar ook op andere dagen, elke dag. De aanbidding Gods moet ons dagelijks werk zijn, en, als er de gelegenheid toe is, hoe meer dit openlijk gedaan wordt, hoe beter. God bemint de poorten van Zion, en wij moeten ze ook beminnen.
B. Zij waren eendrachtig, niet slechts was er gene onenigheid of twisting onder hen, maar er was veel heilige liefde, en zij hebben zich van harte verenigd tot den openbaren eredienst. Wèl ontmoetten zij de Joden in de tempelvoorhoven, maar de Christenen hielden zich bij elkaar en waren eensgezind in hun afzonderlijke Godsverering.
3. Zij verenigden zich dikwijls voor de inzetting van het Heilig Avondmaal. Zij volhardden in de breking des broods voor de viering van de gedachtenis van den dood huns Meesters, als degen n, die zich hun betrekking tot, en hun afhankelijkheid van, Christus en dien gekruisigd, niet schaamden. Zij konden den dood van Christus niet vergeten, en toch bleven zij die gedachtenis van Hem vieren, deden het voortdurend, omdat het ene inzetting was van Christus om aan de volgende eeuwen der kerk overgeleverd te worden. Zij braken brood van huis tot huis. Zij achtten het niet voegzaam om het Avondmaal in den tempel te vieren, want het was ene bijzonder Christelijke instelling, en daarom bedienden zij het in particuliere huizen, waar zij dan zulke huizen van de bekeerde Christenen voor kozen, als die het meest geschikt waren, om er ook de naburen te ontvangen, en zij gingen van de ene naar de andere van deze kleine synagogen, of kapellen, huizen, waarin kerken waren, en daar vierden zij het Avondmaal met hen, die er gewoonlijk samenkwamen om God te aanbidden.
4. Zij volhardden in de gebeden. Nadat de Geest was uitgestort, hebben zij, evenals te voren, toen zij er op wachtten, volhard in den gebede, want het gebed zal nooit ophouden, voor het als verzwolgen wordt in eeuwigdurende lofzeggingen. Het breken des broods komt tussen het woord en het gebed, want het staat met die beiden in verband, en is voor beiden ene hulpe. Des Heeren Avondmaal is ene prediking voor het oog, en ene bevestiging voor ons van Gods woord, het is ene aanmoediging van ons gebed, en ene plechtige uitdrukking van de instemming onzer ziel met God.
5. Zij waren overvloedig in dankzegging, voortdurend prezen zij God, vers 47. Dit behoort een deel uit te maken van ieder gebed, en moet niet als in een hoek worden gedrongen. Zij, die de gave des Heiligen Geestes hebben ontvangen, zullen overvloedig zijn in lof.
II. Zij waren liefdevol jegens elkaar, en zeer vriendelijk, hun weldadigheid was even uitnemend als hun Godsvrucht, en doordat zij zich te zamen verenigden in het waarnemen der heilige inzettingen, werden hun harten aan elkaar verbonden, en werden zij elkaar zeer dierbaar.
1. Zij kwamen dikwijls bijeen voor Christelijke gesprekken, vers 44. Allen, die geloofden, waren bijeen, niet al de duizenden aan ene plaats (dit was niet doenlijk), maar, zoals Dr. Lightfoot het verklaart, zij bleven bijeen in verscheidene gezelschappen, of vergaderingen, naar gelang van hun taal, hun natie, of van andere omstandigheden, die hen te zamen brachten en te zamen hielden. En aldus verenigd zijnde, wijl zij zich afgezonderd hielden van hen, die niet geloofden, en wijl zij dezelfde belijdenis hadden en dezelfde Godsdienstplichten uitoefenden, werden zij gezegd bijeen te zijn epi to auto. Zij vergezelden zich met elkaar, en aldus hebben zij hun wederzijdse liefde uitgedrukt en vermeerderd.
2. Zij hadden alle dingen gemeen, zij hadden misschien ene gemene tafel (zoals de Spartanen van ouds) ter bevordering van vertrouwelijkheid, matigheid en vrijheid van gesprekken. Zij aten te zamen, opdat zij, die veel hadden, minder zouden hebben en aldus bewaard zouden blijven voor de verzoeking van den overvloed, en zij, die weinig hadden, des te meer zouden hebben, en aldus bewaard zouden blijven voor de verzoeking aan armoede en gebrek verbonden. Of, er was zulk ene belangstelling in elkaar, en zulk ene bereidwilligheid om elkaar te helpen, naar dat de gelegenheid er zich toe aanbood, dat gezegd kon worden: Zij hadden alle dingen gemeen, overeenkomstig de wet der vriendschap, de een had geen gebrek aan hetgeen de ander had, want hij kon het hebben door er om te vragen.
3. Zij waren zeer blijmoedig, en zeer edelmoedig in het gebruik van hetgeen zij hadden. Behalve het Godsdienstige in hun heilige maaltijden (hun breking des broods van huis tot huis) blijkt daar ook veel van in hun gewone maaltijden, zij aten te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten. Zij brachten het liefelijke van Gods tafel aan hun eigene tafel, hetgeen in tweeërlei opzicht ene goede uitwerking op hen had: A. Het maakte hen aangenaam, en verruimde hun hart door heilige vreugde, zij aten hun brood met verheuging, en dronken hun wijn van goeder harte, wetende, dat God thans een behagen had aan hun werken. Niemand heeft zulk ene reden om goedsmoeds te zijn als goede Christenen.
B. Het maakte hen zeer vrijgevig voor hun arme broederen, en verruimde hun hart in liefdadigheid. Zij aten te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten -met edelmoedigheid des harten, zoals sommigen dit lezen. Zij aten hun stukken niet alleen, maar heetten de armen welkom aan hun tafel, niet onwillig of met tegenzin, maar met zo hartelijke gewilligheid als maar mogelijk was. Het betaamt Christenen om mild van hart te wezen, voor alle goed werk overvloedig te zaaien, als degenen, in wie God overvloedig gezaaid heeft, en die aldus hopen te oogsten. Zij legden een fonds aan voor liefdadige doeleinden, vers 45. Zij verkochten hun goederen en have. Sommigen verkochten hun landerijen en huizen, anderen hun levende have en hun huisraad, en verdeelden dezelve, dat is: het geld, aan hun broederen, naar dat elk van node had. Dit was geen te niet doen van den eigendom, maar van zelfzucht (zoals Ds. Baxter zegt). Hiermede hadden zij waarschijnlijk het gebod op het oog, dat Christus den rijken jongeling had gegeven, als een toetssteen voor zijne oprechtheid, Verkoop wat gij hebt, en geef het den armen. Niet dat dit bedoeld was als een voorbeeld om een verbindende regel te zijn, alsof alle Christenen, aan alle plaatsen en in alle tijden verplicht en gehouden waren om hun goederen te verkopen, en het geld voor liefdadige doeleinden te geven. Want daarna heeft Paulus in zijne brieven dikwijls gesproken van het onderscheid tussen rijk en arm, en Christus heeft gezegd, dat wij de armen altijd met ons hebben, en zullen hebben, en de rijken moeten hun altijd goed doen uit de renten, voordelen en opbrengsten van hun goederen, en zij maken zich onbekwaam om dit te doen, indien zij ze verkopen en alles tegelijk weggeven. Maar hier was het een buitenge- woon geval.
A. Zij waren onder gene verplichting van een gebod Gods om dit te doen, zoals blijkt uit hetgeen Petrus zei tot Annanias, Hoofdstuk 5:4 :Was het niet in uwe macht? Maar het was een prijzenswaardig voorbeeld van hun verheven zijn boven de wereld, hun geringachting er van, hun verzekerdheid van ene andere wereld, hun mededogen met de armen en hun groten ijver om het Christendom te bevorderen, hun koesteren en opkweken er van in deszelfs kindsheid. De apostelen hebben alles verlaten om Christus te volgen, en zij zullen zich geheel geven aan de prediking des woords en het gebed, en er moet iets gedaan worden voor hun onderhoud, zodat deze buitengewone vrijgevigheid was als die van Israël in de woestijn voor den bouw van den tabernakel, welke vrijgevigheid toen bedwongen moest worden, Exodus 36:5, 6. Onze regel is: te geven naar dat God ons gezegend heeft, maar in zulk een buitengewoon geval, als dit was, zijn diegenen te prijzen, die geven boven vermogen, 2 Corinthiërs 8:3.
B. Het waren Joden, die dit deden, en zij, die in Christus geloofden, moesten geloven, dat het Joodse volk weldra vernietigd zou worden, en dat er dan een einde gemaakt zou worden aan het bezit van land en goed, en in dit geloof verkochten zij ze voor den tegenwoordigen dienst van Christus en Zijne kerk.
III. God zegende hen, en gaf hun merkbare tekenen van Zijne tegenwoordigheid, vers 43.
Vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen, waardoor hun leer bevestigd werd en onweerlegbaar bewezen van God te zijn. Zij, die wonderen konden werken, zouden zich zelven, en de armen, die onder hen waren, op wonderdadige wijze hebben kunnen onderhouden, zoals Christus met een weinig spijze duizenden gevoed heeft. Maar het was evenzeer tot heerlijkheid Gods, dat het gedaan werd door een wonder van genade (der mensen hart neigende om hun goederen te verkopen om dit te doen) als wanneer het door een wonder in de natuur was geschied. Maar het was niet alles wat de Heere voor hen deed, dat Hij hun macht gaf om wonderen te werken. Hij deed dagelijks tot de gemeente die zalig werden. Het woord in hun mond deed wonderen, en God zegende hun pogingen tot vermeerdering van het getal der gelovigen. Het is Gods werk zielen toe te doen tot de gemeente, en het is beide voor leraren en gewone Christenen ene grote vertroosting dit te zien.
IV. Het volk, zij die nog buiten waren en toezagen, kwam onder den invloed er van.
1. Zij vreesden hen, zij hadden eerbied voor hen, vers 43, ene vreze kwam over alle ziel, dat is: over zeer velen, die de wonderen en tekenen zagen, gewerkt door de apostelen, en die vreesden, dat het rampen zou brengen over het volk indien zij niet naar behoren geëerbiedigd werden. Het gewone volk had ontzag voor hen, zoals Herodes Johannes vreesde. Hoewel er geen uiterlijke pracht of praal aan hen was, die uitwendigen eerbied afdwong, zoals de lange klederen der schriftgeleerden de begroetingen op de markt voor hen verkregen, hadden zij toch overvloedige geestelijke gaven, die waarlijk eerbiedigwaardig waren en den mensen eerbied voor hen inboezemden. Ene vreze kwam over alle ziel, hun ontzagwekkende prediking en hun leven oefenden een groten invloed uit op de zielen des volks.
2. Zij vonden genade bij hen. Hoewel wij reden hebben te geloven, dat er ook onder hen waren, die hen haatten en verachtten (wij zijn er zeker van, dat de Farizeeën en overpriesters dit deden) waren de meesten hun toch vriendelijk gezind-zij hadden genade bij het ganse volk. Christus was zo heftig aangevallen door ene omgekochte volksmenigte, die riep: Kruis hem, kruis hem, dat men zou denken, dat Zijne leer en Zijne volgelingen wel nooit enigen invloed op het volk zouden verkrijgen. En toch zien wij hier, hoe zij genade hadden bij allen, waaruit blijkt, dat hun vervolgen van Christus hun was opgedrongen door de kunstgrepen der priesters, en nu had het gezond verstand weer de bovenhand bij hen. Ongeveinsde Godsvrucht en barmhartigheid dwingen eerbied af, en blijmoedigheid in het dienen van God zal den Godsdienst aanbevelen bij hen, die nog buiten zijn. Sommigen lezen het: Zij hadden liefde voor al het volk, charin echontes pros holon ton laon, zij hebben hun liefde niet beperkt tot hen, die van hun eigene gemeenschap waren, neen, zij was katholiek, dat is: algemeen, en strekte zich ver uit, en dit heeft hen zeer aanbevolen bij het volk.
3. Zij kwamen tot hen over. Dagelijks kwamen dezen en genen tot hen, hoewel niet in zo groten getale als de eerste dag, en het waren de zodanige, die zalig werden. Zij, die door God tot de eeuwige zaligheid verordineerd zijn, zullen eenmaal krachtdadig tot Christus gebracht worden, en zij, die tot Christus gebracht worden, worden toegedaan tot de gemeente in een heilig verbond door den doop, en in heilige gemeenschap door andere inzettingen.