Johannes 16:28-33
Christus vertroost Zijne discipelen hier met twee dingen:
I. Met de verzekering, dat Hij, hoewel Hij deze wereld ging verlaten, terugkeerde tot den Vader, van wie Hij was uitgegaan, vers 28-32, waar wij hebben:
1. Een duidelijke, bepaalde verklaring van Christus' zending door den Vader, en van Zijn terugkeren tot Hem, vers 28. Ik ben van den Vader uitgegaan, en ben (gelijk gij ziet) in de wereld gekomen. Wederom verlaat Ik de wereld, (gelijk gij weldra zien zult) en ga heen tot den Vader. Dat is het einde van geheel de zaak. Er was niets, dat Hij hun meer ingeprent had dan deze twee dingen- vanwaar Hij gekomen is, en waar Hij heenging, de Alfa en Omega van de verborgenheid der Godzaligheid, 1 Timotheus 3:16, dat de Verlosser bij Zijne komst was God, geopenbaard in het vlees, en bij Zijn heengaan is opgenomen in heerlijkheid.
a. Deze twee grote waarheden zijn hier: a. Saamgetrokken, en in weinige woorden uitgedrukt. Zulk een kort begrip van de Christelijke leer is zeer nuttig voor eerstbeginnenden. De eerste beginselen der woorden Gods, neergelegd in een klein bestek, in geloofsbelijdenissen en catechismussen, hebben, evenals de zonnestralen in een brandglas saamgebracht, met een verwonderlijke kracht Goddelijk licht en warmte aangebracht. Zo hebben wij in Job 28:28, Prediker 12:13, 1 Timotheus 1:15, Titus 2:11, 12, 1 Johannes 5:11 veel in een klein bestek. b. Met elkaar vergeleken, tegenover elkaar gesteld. Er is in Goddelijke waarheden een bewonderenswaardige harmonie, zij versterken elkaar, helderen elkaar op, dat is ook zo met Christus' komen en heengaan. Christus had Zijne discipelen geprezen, omdat zij geloofden dat Hij van God was uitgegaan, vers 27, en leidt daaruit het noodzakelijke en redelijke af van Zijn weer heengaan tot God, hetgeen hun dus noch vreemd noch treurig moet toeschijnen. Het rechte gebruik van hetgeen wij weten en kennen kan ons helpen om datgene te begrijpen, hetwelk moeilijk of twijfelachtig schijnt.
b. Als wij betreffende den Verlosser vragen, vanwaar Hij kwam en werwaarts Hij is heengegaan, dan wordt ons gezegd: a. Dat Hij is uitgegaan van den Vader, die Hem heeft geheiligd en verzegeld, en Hij is gekomen in deze wereld, deze lagere wereld, deze wereld van het mensdom, en het heeft Hem behaagd door hun vlees aan te nemen hun gelijk te worden. Hier had Hij werk te doen, en hier is Hij gekomen om het te doen. Voor dit vreemde land heeft Hij Zijn vaderland verlaten, Hij heeft Zijn paleis verlaten voor ene hut. Welk ene neerbuiging! b. Toen Hij Zijn werk op aarde volbracht had, verliet Hij de wereld, en is Hij bij Zijne hemelvaart wedergekeerd tot Zijn Vader. Hij was niet gedwongen heen te gaan, het was Zijn eigen daad, Zijn eigen wil, de wereld te verlaten, om er niet weer te keren eer Hij komt om er een einde aan te maken, maar geestelijk is Hij nog altijd tegenwoordig bij Zijne kerk, en Hij zal tot het einde bij haar blijven.
2. De tevredenheid der discipelen met deze verklaring, vers 29, 30. Zie, nu spreekt Gij vrijuit. Het schijnt, dat dit ene woord van Christus hun meer goed gedaan heeft dan al de andere, hoewel Hij veel gezegd had, dat hun wèl bijgebleven moet zijn. Evenals de wind, blaast de Geest wanneer en waar en door welk woord Hij wil, misschien door een woord, dat eenmaal, ja tweemaal gesproken werd, maar niet werd opgemerkt, maar dikwijls herhaald zijnde, zal het ten laatste toch doordringen tot de ziel. Door dit woord zijn zij toegenomen in twee dingen. a. In kennis: Zie, nu spreekt Gij vrijuit. Toen zij in het duister waren omtrent hetgeen Hij zei, hebben zij niet gezegd: Zie, nu spreekt Gij op duistere, voor ons onverstaanbare wijze, als om Hem te laken, maar nu zij Zijne bedoeling vatten, geven zij Hem de eer voor Zijn zich neerbuigen tot hun verstand: Zie, nu spreekt Gij vrijuit. Goddelijke waarheden zullen het meeste goed doen, als zij vrijuit, dat is duidelijk, worden gesproken, 1 Corinthiërs 2:4. Zie, hoe zij jubelen, evenals de wiskunstenaar der oudheid zijn: "Eureka, eureka", "ik heb het gevonden! ik heb het gevonden! uitjubelde, toen hem de oplossing van een vraagstuk, waarover hij lang gepeinsd had, duidelijk was geworden. Als het Christus behaagt om duidelijk tot onze ziel te spreken en ons met geopende ogen Zijne heerlijkheid te doen aanschouwen, dan hebben wij grotelijks reden om ons hierover te verblijden.
b. In geloof: "Nu zijn wij er zeker van" . Let op: a. Het voorwerp van hun geloof: Wij geloven, dat Gij van God zijt uitgegaan. In vers 27 had Hij gezegd, dat zij dit geloofden. "Heere", zeggen zij, "wij geloven het, en wij hebben reden het te geloven, en wij weten dat wij het geloven, en wij genieten er de vertroosting van". b. Wat de beweegoorzaak was van hun geloof-Zijne alwetendheid. Hieruit bleek, dat Hij een Leraar was, van God gezonden, dat Hij meer was dan een profeet, dat Hij alle dingen wist, en hier- van werden zij overtuigd, doordat Hij de twijfelingen oploste, die nog in hun hart verborgen waren, en op de bezwaren antwoordde, die zij niet hadden uitgesproken of beleden. Diegenen kennen Christus het best, die Hem kennen uit ervaring, die van Zijne macht kunnen zeggen: zij werkt in mij, en van Zijne liefde: Hij heeft mij liefgehad. En hieruit blijkt, dat Christus niet slechts een Goddelijke zending heeft, maar dat Hij een Goddelijk Persoon is, dat Hij een oordeler is der gedachten en der overleggingen des harten, en dus het essentiële, eeuwige Woord is, Hebreeën 4:12. Hij heeft alle gemeenten doen weten, dat Hij nieren en harten onderzoekt, Openbaring 2:23. Dat bevestigde hier het geloof der discipelen, zoals het ook den eersten indruk maakte op de Samaritaanse vrouw, dat Christus haar "alles gezegd heeft, wat zij gedaan heeft", Hoofdstuk 4:29, en op Nathanaël, dat Christus hem onder den vijgenboom gezien heeft, Hoofdstuk 1:48, 49. De woorden: Gij hebt niet van node, dat U iemand vrage, kunnen aanduiden: Ten eerste. Christus' bereidwilligheid om te onderwijzen. Hij voorkomt ons met Zijn onderricht, en is mededeelzaam met de schatten van wijsheíd en kennis, die in Hem verborgen zijn, zodat het niet nodig is er bij Hem op aan te dringen, of er Hem lastig om te vallen. Of, ten tweede. Zijne bekwaamheid in het onderwijzen. "Gij hebt het niet nodig, zoals andere leraars, dat de twijfelingen der leerlingen U worden meegedeeld, want Gij weet, zonder dat het U gezegd wordt, wat hen in verlegenheid brengt." De beste onderwijzers kunnen slechts antwoorden op hetgeen hun gezegd wordt, maar Christus kan antwoorden op hetgeen gedacht wordt, op hetgeen wij vrezen te vragen, zoals de discipelen, Markus 9:32. Aldus kan Hij medelijden hebben, Hebreeën 5:2.
3. De zachte bestraffing van Christus aan Zijne discipelen wegens hun vertrouwen, dat zij Hem nu begrepen, vers 31, 32. Bemerkende hoe zij triomferen wegens hun verkregen kennis, zei Hij: "Gelooft gij nu? Beschouwt gij uzelven thans als vergevorderde en bevestigde discipelen? Denkt gij, dat gij nu gene fouten en vergissingen meer begaan zult? Helaas, gij kent uwe zwakheid niet, weldra zult gij verstrooid worden, een iegelijk naar het zijne", en verder. Hier hebben wij:
a. Ene vraag, bestemd om hen te doen nadenken: Gelooft gij nu? a. "Indien nu, waarom dan niet eerder? Hebt gij diezelfde dingen niet dikwijls tevoren gehoord?" Zij, die na veel onderwijs, en nadat vele roepstemmen tot hen gekomen zijn, ten laatste bewogen worden om te geloven, hebben reden om zich te schamen, dat zij zolang weerstaan hebben. b. "Indien nu, waarom dan niet altijd? Als de ure der verzoeking komt, waar zal dan uw geloof wezen?" In zoverre er onstandvastigheid is in ons geloof, is er reden om er de oprechtheid van te betwijfelen, en te vragen: "Geloven wij wezenlijk?"
b. Ene voorzegging van hun val. Hoe vol vertrouwen zij nu waren in hun eigen vastheid, binnen kort zullen zij Hem allen verlaten, en in diezelfden nacht werd dit vervuld, toen, nadat Hij door de wacht gevangen was genomen, al de discipelen vluchtten, Hem verlatende, Mattheus 26:56. Zij werden verstrooid. a. Van elkaar: ieder hunner was op zijn eigen veiligheid bedacht, zonder zich om de anderen te bekommeren. Tijden van beroering zijn tijden van verstrooiing voor Christelijke gezelschappen, ten dage der wolk en der donkerheid wordt Christus' kudde verstrooid, Ezechiël 34:12. b. Verstrooid van Hem: Gij zult Mij alleen laten. Zij hadden als getuígen voor Hem behoren op te treden bij Zijn verhoor, zij hadden Hem behoren bij te staan in Zijn lijden, indien zij Hem al gene verlichting of vertroosting hadden kunnen geven, hadden zij Hem toch tot eer kunnen wezen, maar zij schaamden zich Zijner keten, waren bevreesd om in Zijn lijden te moeten delen, en zo lieten zij Hem dan alleen. Menige goede zaak zal, als zij door vijanden in nood wordt gebracht, door hare vrienden worden verlaten. De discipelen waren met Christus gebleven in Zijn andere verzoekingen, maar hebben Hem nu toch den rug toegekeerd, zij, die beproefd worden, blijken niet altijd getrouw te zijn. Als wij te eniger tijd bevinden, dat onze vrienden onvriendelijk voor ons zijn, zo laat ons gedenken, dat Christus' vrienden dit voor Hem geweest zijn. Toen zij Hem alleen lieten, werden zij verstrooid, een iegelijk naar het zijne, niet naar hun eigen bezittingen of woningen, die waren in Galilea, maar naar hun eigen vrienden en bekenden te Jeruzalem, ieder ging zijns weegs, waar hij dacht het veiligst te wezen. Iedereen zorgde voor zich zelven, voor zijn eigen leven. Diegenen zullen niet durven lijden voor hun Godsdienst, die meer het hun zoeken dan hetgeen van Christus is, en die op de dingen der wereld zien als op hun eigendom, waarin hun geluk is gelegen. Merk hier nu op: Ten eerste, dat Christus van tevoren wist, dat Zijne discipelen Hem in de ure der benauwdheid zullen verlaten, en toch was Hij teder en vriendelijk jegens hen. Wij zijn gereed van sommigen te zeggen: "Als wij hun ondankbaarheid hadden kunnen voorzien, wij zouden niet zo mild zijn geweest met onze gunsten aan hen". Christus heeft de hun voorzien, en toch was Hij vriendelijk voor hen. Ten tweede. Hij sprak hun er van, als ene bestraffing van hun opgetogenheid over hun tegenwoordige kennis, "Gelooft gij nu? Weest niet hoog gevoelende, maar vreest, want gij zult uw geloof zo droevig zien wankelen, dat het de vraag zal wezen, of het al of niet oprecht was." Zelfs als wij de vertroosting smaken van onze genadegaven, is het goed om aan ons gevaar te worden herinnerd, dat uit ons bederf voortkomt. Als ons geloof sterk, onze liefde vurig, en onze verzekerdheid helder en duidelijk voor ons is, kunnen wij daar toch niet uit afleiden, dat het morgen zal wezen zoals het heden is. Zelfs als wij de meeste reden hebben om te denken dat wij staan, dan hebben wij toch nog reden genoeg om toe te zien, dat wij niet vallen. Ten derde. Hij sprak er van als van iets, dat zeer nabij was. De ure was alrede gekomen in zekeren zin, wanneer zij even schuw van Hem zullen zijn, als zij ooit begerig naar Hem geweest waren. Een kleine tijd kan grote veranderingen teweegbrengen, zowel met ons als in ons.
c. Ene verzekering van Zijn eigen vertroosting, in weerwil hiervan. Nochtans ben Ik niet alleen. Hij wil den schijn niet hebben van te klagen over hun verlaten van Hem, alsof dit een wezenlijke schade of nadeel voor Hem was, want in hun afwezigheid is Hij zeker van Zijns Vaders tegenwoordigheid, hetgeen voor Hem alles was: De Vader is met Mij. Wij kunnen dit beschouwen: a. Als een bijzonder voorrecht van den Heere Jezus. De Vader was zo met Hem in Zijn lijden, als Hij nooit met iemand anders geweest is, want nog was Hij in den schoot des Vaders. De Goddelijke natuur heeft de menselijke natuur niet verlaten, maar haar ondersteund, en een onverwinbare vertroosting en een onschatbare waarde in Zijn lijden gelegd. De Vader had zich verbonden met Hem te zijn in geheel Zijne onderneming, Psalm 89:22, en Hem te bewaren, Jesaja 49:8, dit heeft Hem kloekmoedigheid gegeven, Jesaja 50:7. Zelfs toen Hij klaagde, dat Zijn Vader Hem had verlaten, heeft Hij Hem toch Mijn God genoemd, en terstond daarna was Hij zo wel verzekerd van Zijn gunstrijke tegenwoordigheid, dat Hij Zijn geest in Zijne handen heeft bevolen. Daarmee had Hij zich steeds vertroost, Hoofdstuk 8:29. Die Mij gezonden heeft is met Mij. De Vader heeft Mij niet alleen gelaten, en inzonderheid nu, bij het einde. Dit helpt ons geloof in het welbehaaglijke van Christus' voldoening. Ongetwijfeld heeft de Vader een welbehagen in Hem gehad, want Hij is van het begin tot het einde met Hem geweest in Zijne onderneming. b. Als een voorrecht, dat aan alle gelovigen gemeen is, krachtens hun eenheid met Christus, als zij alleen zijn, zijn zij niet alleen, want de Vader is met hen. Ten eerste. Als zij alleen zijn door eigen keus, als zij alleen zijn, zoals Izaak in het veld, Nathanaël onder den vijgenboom, Petrus op het dak, in overpeinzing en gebed, dan is de Vader met hen. Zij, die in de eenzaamheid met God spreken, zijn nooit minder alleen dan wanneer zij alleen zijn. Een goede God en een goed hart vormen ten allen tijde een goed gezelschap. Ten tweede. Als eenzaamheid hun ene beproeving is: hun vijanden stellen hen alleen, hun gezelschap is, gelijk dat van Job, verwoest, toch zijn zij niet zo alleen als men zou denken, de Vader is met hen, zoals Hij met Jozef was in de gevangenis, en met Johannes in de ballingschap. In hun grootste benauwdheid zijn zij als een, over wie zijn vader zich ontfermt, als een, dien zijne moeder troost. En zolang Gods gunstrijke tegenwoordigheid met ons is, zijn wij gelukkig, en behoren wij gerust te zijn, al zou de gehele wereld ons verlaten. "Wij geven Gode de eer niet, die Hem toekomt, indien wij Hem alleen niet algenoegzaam voor ons achten", zegt Calvijn.
II. Hij vertroost hen met de belofte, dat zij in Hem vrede zullen hebben, krachtens Zijne overwinning over de wereld, wèlke moeilijkheden en bezwaren zij er ook in ontmoeten zullen, vers 33. Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt, en zo gij in Mij geen vrede hebt, zult gij in het geheel geen vrede hebben, want in de wereld zult gij verdrukking hebben. Gij moet niets anders verwachten, en toch kunt gij goedsmoeds zijn, want Ik heb de wereld overwonnen. Merk op:
1. Het doel, dat Christus beoogde met deze afscheidsrede aan Zijne discipelen: Dat zij in Hem vrede zouden hebben. Het was hiermede Zijn voornemen niet om hun een vol gezicht te geven op die leer, waarin zij weldra door de uitstorting des Geestes meesters zullen zijn, maar alleen hen voor het ogenblik er van te overtuigen, dat Zijn heengaan van hen wezenlijk ten beste was. Of, wij kunnen het in meer algemenen zin nemen, dat Christus hun dit alles gezegd heeft, opdat zij, door zich in Hem te verlustigen, het grootste genot mochten smaken. Het is de wil van Christus, dat Zijne discipelen innerlijk vrede zullen hebben, hoe groot de onrust van buiten ook moge zijn. Vrede in Christus is de enige ware vrede, en alleen gelovigen hebben dien vrede, want deze zal Vrede zijn, Micha 5:4. Door Hem hebben wij vrede met God, en zo hebben wij in Hem vrede in ons eigen gemoed. Het woord van Christus heeft ten doel, dat wij in Hem vrede zullen hebben. Vrede is de vrucht der lippen, en van Zijne lippen, Jesaja 57:19.
2. Het onthaal, dat hun waarschijnlijk in de wereld wachtte. "Gij zult geen uitwendigen vrede hebben, gij moet dien ook niet verwachten". Hoewel zij gezonden waren om vrede op aarde te verkondigen, en in de mensen een welbehagen, moeten zij beroering op aarde verwachten, en kwaadwilligheid van de mensen. Het is het lot geweest van Christus' discipelen om in deze wereld min of meer verdrukking en benauwdheid te hebben. De mensen vervolgen hen, omdat zij zo goed zijn, en God kastijdt hen, omdat zij niet beter zijn. De mensen bedoelen hen af te snijden van de aarde, en God bedoelt om hen door beproeving en verdrukking geschikt te maken voor den hemel, en aldus hebben zij, tussen die beiden, verdrukking.
3. De bemoediging, die Christus hun daartoe geeft. Maar hebt goeden moed, tharseite. "Niet slechts: hebt goede vertroosting, maar hebt goeden moed, versterkt uw hart hieromtrent, want alles zal wèl wezen". Temidden der verdrukking van deze wereld is het de plicht en het belang van Christus' discipelen, om goedsmoeds te zijn, zich in God te blijven verlustigen, niettegenstaande allen druk van buiten, en hun hoop op God te behouden, wàt hun ook moge bedreigen, als droevig zijnde, en toch altijd blijde, 2 Corinthiërs 6:10, en zelfs "roemende in de verdrukkingen", Romeinen 5:3.
4. De grond dezer bemoediging: Ik heb de wereld overwonnen. Christus' overwinning is de triomf des Christens. Christus overwon den overste dezer wereld, ontwapende hem, en wierp hem uit, en nog vertreedt Hij Satan onder Zijne voeten. Hij overwon de kinderen dezer wereld, door de bekering van velen tot het geloof en de gehoorzaamheid van Zijn Evangelie, hen tot kinderen makende van Zijn koninkrijk. Als Hij Zijne discipelen uitzendt in de gehele wereld om Zijn Evangelie te prediken, dan zegt Hij.: Hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen, zo ver als Ik gegaan ben, en dat zult ook gij. Hoewel gij verdrukking hebt in de wereld, zult gij toch uw doel bereiken en de wereld overwinnen, Openbaring 6:2. Hij overwon de bozen der wereld, want menigmaal heeft Hij Zijne vijanden tot zwijgen gebracht, hen beschaamd gemaakt. "En hebt gijlieden goeden moed, want de Geest zal u in staat stellen dit ook te doen". Hij overwon de boze neigingen dezer wereld door er zich aan te onderwerpen, Hij heeft het kruis verdragen en de schande veracht, en Hij overwon de goede dingen dezer wereld, door er dood voor te wezen, hare eerbewijzingen hadden gene schoonheid in Zijn oog, hare genoegens gene bekoorlijkheid voor Hem. Nooit is er zulk een veroveraar van de wereld geweest als Christus was, en dit behoort ons te bemoedigen.
a. Omdat Christus voor ons de wereld overwonnen heeft, zodat wij haar als een overwonnen vijand kunnen beschouwen, die menigmaal teleurgesteld en in de engte gedreven was. Ja meer,
b. Hij overwon haar voor ons, dat is: ten onzen behoeve, als de Overste Leidsman onzer zaligheid. Wij hebben belang bij Zijne overwinning, door Zijn kruis is de wereld ons gekruisigd, hetwelk betekent, dat zij volkomen overwonnen en in ons bezit is gesteld, alles is het uwe, zelfs ook de wereld. Daar Christus de wereld overwonnen heeft, hebben gelovigen niets te doen dan hun overwinning te achtervolgen en den buit te verdelen, en dit doen wij door het geloof, 1 Johannes 5:4. Wij zijn meer dan overwinnaars door Hem, die ons liefgehad heeft.