1 Timotheus 1:12-17
Hier brengt de apostel:
I. Dank aan Jezus Christus, omdat die hem in de bediening gesteld heeft. Merk hier op:
1. Het is het werk van Christus mensen in de bediening te stellen, Handelingen 26:16, 17. God veroordeelde de valse profeten onder de Joden met deze woorden: Ik heb die profeten niet gezonden, nochtans hebben zij gelopen, Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd, Jeremia 23:21. Eigenlijk gezegd kunnen dienaren geen dienaren aanstellen, veel minder nog kunnen de mensen zich zelven tot dienaren aanstellen, want dat is het werk van Christus, als koning en hoofd, profeet en leraar van Zijne gemeente.
2. Hen, die Hij in de bediening plaatst, maakt Hij er toe bekwaam, die Hij roept, dien geeft Hij de geschiktheid. Dienaren, die in geen enkel opzicht bekwaam zijn voor hun werk en er geen geschiktheid voor hebben, zijn niet door Christus in de bediening gesteld, ofschoon er verscheidene vereisten zijn wat de gaven en genaden betreft.
3. Christus geeft niet enkel bekwaamheid, maar ook getrouwheid aan hen, die Hij tot de bediening roept. Hij heeft mij getrouw geacht, en niemand wordt getrouw geacht dan die Hij het maakt. De dienaren van Christus zijn getrouwe dienstknechten, en zij behoren dat te zijn, want hun is een groot werk toevertrouwd.
4. De roeping tot de bediening is een grote gunst, en zij. die haar deelachtig worden, behoren er Jezus Christus voor te danken. Ik dank Jezus Christus, onzen Heere, die mij in de bediening gesteld heeft.
II. Ten einde meer de genade van Christus, die hem bewezen is door hem in de bediening te stellen, te verheerlijken, geeft hij een schets van zijne bekering.
1. Wat hij was voor zijne bekering: Een Godslasteraar, een vervolger en een verdrukker. Saulus blies dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren, Handelingen 9:1. Hij verwoestte de gemeenten, Handelingen 8:3. Hij was een lasteraar van God, een vervolger der gemeente en ongerechtig jegens beiden. Dikwijls zijn zij, die aangewezen worden voor grote en uitnemende diensten, voor hun bekering aan zich zelven overgelaten, om in grote ondeugden te vervallen, opdat de barmhartigheid Gods des te meer verheerlijkt worde in hun terechtbrenging, en de genade Gods in hun wedergeboorte. De grootheid onzer zonden is geen beletsel voor God om ons aan te nemen, en ook niet om ons in Zijn dienst te gebruiken, wanneer wij er waarlijk berouw over gevoelen. Merk op:
A. Godslastering, vervolging en verdrukking zijn grote en vreeslijke zonden, en zij, die er zich aan schuldig maken, zijn zondaren bij uitnemendheid voor God. Godslastering is rechtstreeks en onmiddellijk de hand tegen Hem opheffen, Zijn volk vervolgen is trachten Hem in hen te wonden, verdrukken is gelijk Ismael zijn, wiens hand tegen allen was en de hand van allen tegen hem, want het maakt inbreuk op Gods voorrechten en op de vrijheid Zijner schepselen. B. Zij, die waarachtig berouw hebben, zullen nooit nalaten te belijden hoe hun vroegere toestand was, alvorens zij tot God gebracht werden, wanneer zij met die mededeling nut kunnen doen, deze apostel deelde dikwijls mede hoe zijn vroegere leven geweest was, Handelingen 22:4, 26:10, 11.
2. De grote gunst Gods voor hem. Maar mij is barmhartigheid geschied. Dat was inderdaad een gezegend maar, dat zulk een welbekende opstandeling barmhartigheid van zijn vorst ondervond.
A. Indien Paulus de Christenen zelfbewust vervolgd had, wetende dat zij het volk Gods waren, dan weet ik wel dat hij zich schuldig zou gemaakt hebben aan de onvergeeflijke zonde, maar omdat hij het onwetende en in zijne ongelovigheid deed, geschiedde hem barmhartigheid. Wat wij onwetende doen is minder misdadig dan wat wij willens misdrijven, maar toch is een zonde in onwetendheid zonde, want hij, die den wil des Meesters niet kende en dingen gedaan heeft die slagen waardig zijn, zal met weinige slagen geslagen worden, Lukas 12:48. Onwetendheid kan in sommige gevallen een misdaad verminderen, maar deze wordt er niet door weggenomen. Ongeloof ligt ten grondslag aan wat de zondaars onwetende doen, zij geloven niet in Gods bedreigingen, anders zouden zij niet handelen gelijk ze doen. Om deze redenen verkreeg Paulus barmhartigheid. Mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetende gedaan heb in mijne ongelovigheid, vers 13. Hier was barmhartigheid voor iemand, die Godslasteraar, vervolger en verdrukker was. Die tevoren enz., vers 13.
B. Hier maakt hij melding van de overvloedige genade van Jezus Christus, vers 14. De bekering en zaliging van grote zondaren zijn te danken alleen aan de genade van Christus, Zijn uitnemend- overvloeiende genade, de genade van Christus, die verschijnt in het Evangelie, vers 15. Dit is een getrouw woord enz. Hier hebben wij den inhoud van het gehele Evangelie: dat Jezus Christus in de wereld gekomen is. De Zoon van God nam onze natuur aan, werd vlees en woonde onder ons, Johannes 1:14. Hij kwam in de wereld, niet om rechtvaardigen maar om zondaren tot bekering te roepen, Mattheus 9:13. Zijn zending in de wereld was te zoeken, te vinden en te redden die verloren waren, Lukas 19:10. De bekendmaking daarvan is een getrouw woord en aller aanneming waardig. Het is goed nieuws, waard door allen aangenomen te worden, en toch niet te goed om waar te zijn, want het is een getrouw woord. Het is een getrouw woord, en verdient daarom met de armen des geloofs omhelsd te worden, het is alle aanneming waardig, en moet derhalve met heilige liefde ontvangen worden. Dat zegt ons het vorige vers, waar van de genade van Christus gemeld wordt dat zij zeer overvloedig geweest is, met geloof en liefde. In het slot van dit vers zegt Paulus van zich zelven: Waarvan ik de voornaamste ben. Paulus was een zondaar van den eersten rang, hij erkende dat zelf, omdat hij was blazende (ademende) dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren, Handelingen 9:1, 2. Vervolgers zijn soms de slechtste der zondaren, en Paulus was een hunner. Of, waarvan ik een hoofd ben, van de zondaren, die vergeving ontvingen, stond hij bovenaan. Het is een uitdrukking van zijn grote nederigheid, hij, die zich op een andere plaats noemt den minsten van al de heiligen, Efeze 3:8, noemt zich hier den voornaamsten der zondaren. Merk hier op:
a. Christus Jezus is in de wereld gekomen, de profetieën betrekkelijk Zijn komst zijn nu vervuld,
b. Hij kwam om zondaren zalig te maken, Hij kwam om zalig te maken hen, die zich zelven niet konden redden en helpen,
c. Godslasteraars en vervolgers zijn de grootste zondaren, als zodanig beschouwde Paulus hen, d. De voornaamste der zondaren kan de voornaamste der heiligen worden, zo ging het dezen apostel, want hij was in geen ding minder dan de voornaamste apostelen. 2 Corinthiërs 11:5, Christus kwam om de grootste zondaren zalig te maken.
e. Dit is een zeer grote waarheid, een getrouw woord, het zijn ware en getrouwe woorden, waar men zich op verlaten kan.
f. Het verdient door ons allen aangenomen en geloofd te worden, tot onze troost en bemoediging.
C. De barmhartigheid, welke Paulus bij God vond, niettegenstaande zijn grote goddeloosheid voor zijn bekering. Daarvan zegt hij het volgende:
a. Ter aanmoediging van anderen om berouw te hebben en te geloven. Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al Zijne lankmoedigheid zou betonen, tot een voorbeeld dergenen, die in Hem geloven zullen ten eeuwigen leven, vers 16. Het was een openbaring van de lankmoedigheid van Christus, dat Hij zo handelde met iemand, die Hem zo beledigd had, en dat was ten voorbeeld voor anderen, opdat zelfs de grootste zondaren nooit zouden wanhopen aan de barmhartigheid van God. Merk hier op: Ten eerste. Onze apostel was een van de grootste zondaren voor zijne bekering tot het Christendom. Ten tweede. Hij werd bekeerd en verkreeg barmhartigheid, zowel terwille van anderen als voor hem zelven, hij werd een voorbeeld voor anderen. Ten derde. De Heere Jezus Christus toont grote lankmoedigheid in de bekering van grote zondaren. Ten vierde. Zij, die barmhartigheid verkrijgen, geloven in den Heere Jezus Christus, want zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen, Hebreeën 11:6. Ten vijfde. Zij, die in Christus geloven, geloven in Hem ten eeuwigen leven, zij geloven tot zaligheid der ziel, Hebreeën 10:39.
b. Hij vermeldt het ter verheerlijking Gods, na gesproken te hebben van de barmhartigheid, die God hem bewezen had, kon hij niet goed voortgaan met het schrijven van dezen brief, indien hij hier niet een dankbare erkenning van Gods goedheid jegens hem ingelast had. Den Koning nu der eeuwen, den onverderflijken, den onzienlijken, den alleen-wijzen God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen! vers 17. Merk hier op: Ten eerste. Gode komt de eer toe voor de genade, waarvan wij den troost genieten. Zij, die gevoel hebben voor hun verplichting aan de barmhartigheid en genade van God, zullen hun harten uitbreiden tot Zijne heerlijkheid. Hier wordt Hem ere gegeven als den Koning der eeuwen, den onverderflijken en onzienlijken God. Ten tweede. Wanneer wij ondervonden hebben dat God goed is, moeten wij niet vergeten uit te spreken dat Hij groot is, en Zijn vriendelijke gedachten over ons mogen in geen enkel opzicht onze hoge gedachten over Hem verminderen, maar moeten die veelmeer doen toenemen. God had in bijzondere mate op Paulus neergezien en hem barmhartigheid betoond en zich met hem in gemeenschap gesteld, en nu noemt Paulus Hem den Koning der eeuwen. Gods genadige handelingen met ons moeten ons vervullen met bewondering voor Zijn heerlijke eigenschappen. Hij is eeuwig, zonder begin van dagen en zonder einde des levens of verandering van tijd. Hij is de Oude van dagen, Daniël 7:9. Hij is onsterfelijk en de bron der onsterflijkheid, Hij alleen bezit de onsterflijkheid, 1 Timotheus 6:16, want Hij kan niet sterven. Hij is onzienlijk, want Hij kan niet gezien worden met sterflijke ogen, Hij woont in het licht dat geen mens naderen kan, dien geen mens gezien heeft of zien kan, 1 Timotheus 6:16. Hij is de alleenwijze God, Judas 25, Hij alleen is oneindig wijs en de fontein van alle wijsheid. Hem zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid, of: ik wil altijd bezig zijn met Hem eer en heerlijkheid te geven, zoals duizendmaal duizenden doen, Openbaring 5:12, 13.