Titus 2:11-14
Hier hebben wij de gronden of redenen, waarom al de vorige vermaningen gegeven zijn-ontleend aan den aard en de bedoeling van het Evangelie en aan het doel van den dood van Christus.
I. Aan den aard en de bedoeling van het Evangelie. Jong en oud, mannen en vrouwen, meesters en dienstknechten, en Titus zelf, moeten ieder hun eigen plichten vervullen, want dat is het doel en het werk van het Christendom, om mensen te onderrichten, te helpen, te vormen tot een recht en behoorlijk gedrag, ieder in zijn eigenaardige roeping. Daarom:
1. Zij zijn onder de bedeling der genade Gods, zoals het Evangelie genoemd wordt, Efeze 3:2. Het is genade in zijn oorsprong: de vrije gunst en goedertierenheid Gods, geen verdienste in het schepsel. Het is genade door op uitnemende en duidelijke wijze deze goedertierenheid te verklaren en te openbaren, en het is het middel om genade te brengen en te werken in de harten der gelovigen. Genade nu verplicht en dringt tot goedheid. Dat dan de zonde niet heerse, maar stelt uzelven Gode ten dienste, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade, Romeinen 6:12 14. De liefde van Christus dringt ons om niet ons zelven te leven, maar voor Hem, 2 Corinthiërs 5:14, 15. Zonder dit gevolg, is de genade vergeefs ontvangen.
2. Dit Evangelie brengt zaligmaking (ontdekt die aan zondaren en biedt ze hun aan) en verzekert ze aan de gelovigen-verlossing van zonde en toorn, van dood en hel. Daarom wordt het genoemd het woord des levens, het brengt tot geloof en zo tot het leven, het leven van heiligheid hier en van gelukzaligheid hiernamaals. De wet is de bediening des doods, maar het Evangelie is de bediening van leven en vrede. Daarom moet het als redding ontvangen worden, zijn voorschriften moeten betracht, zijn geboden gehoorzaamd worden, opdat het einddoel moge bereikt worden, de zaligheid der zielen. En de verwerpers van deze genade Gods zullen des te minder te verontschuldigen zijn, sinds:
3. Zij is verschenen, of helderder en duidelijker dan vroeger schijnt. De oude bedeling was vergelijkenderwijze duister en vol schaduwen, maar dit is een helder en stralend licht, en gelijk het zoveel helderder is zo is het ook veel meer verspreid, want:
4. Zij is verschenen aan alle mensen, niet alleen aan de Joden, zoal de heerlijkheid Gods op den berg Sinaï aan dat afgezonderde volk alleen, buiten gezicht van alle anderen, verscheen, maar de Evangelische genade is bereikbaar voor allen, en allen worden uitgenodigd om te komen en deel te nemen aan zijne zegeningen, heidenen zowel als Joden. De mededeling er van is vrij en algemeen. Onderwijst alle volken. Predikt het Evangelie aan alle creaturen. De afscheiding is verbroken, er is niet meer de uitsluiting van vroeger. De prediking van Jezus Christus is verzwegen geweest van de tijden der eeuwen, maar nu geopenbaard, en door de profetische Schriften, naar het bevel des eeuwigen Gods, tot gehoorzaamheid des geloofs, onder alle heidenen bekendgemaakt, Romeinen 16:25, 26. De leer van genade en verlossing door het Evangelie is voor mensen van alle rangen en in alle omstandigheden, slaven en dienstknechten zowel als meesters, en nodigt daarom allen uit en moedigt allen aan om haar te ontvangen en te geloven en dienovereenkomstig te wandelen en haar door ons gedrag te versieren. 5. De goddelijke openbaring onderwijst, niet alleen door middel van inlichting en onderrichting zoals een leraar zijn leerlingen doet, maar door voorschrift en gebod, zoals een vorst de wet geeft aan zijn onderdanen. Zij onderwijst ons wat wij te mijden hebben. en wat te volgen, wat te laten en wat te doen. Het Evangelie is niet alleen of niet voornamelijk voor overdenking, maar voor naleving en als levensregel gegeven, want het onderwijst ons:
A. De zonden te verlaten: de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden te verzaken, er afstand van te doen en er niet mede te doen te hebben. Aangaande uw vorige wandeling, legt af den ouden mens, die verdorven wordt, dat is: dat gehele lichaam der zonde, hier goddeloosheid en wereldse begeerlijkheden genoemd. "Doe weg alle ongoddelijkheid en ongodsdienstigheid, alle ongeloof, verachting of verzuim van het goddelijk Wezen, alle liefdeloosheid, wantrouwen en gebrek aan vreze voor Hem, alle verachting van Zijn instellingen, alle nalatigheid in verering van Hem, alle ontheiliging van Zijn naam of Zijn dag. Verzaak dus alle goddeloosheid, haat die en doe er afstand van, en alle wereldse begeerlijkheden, alle verkeerde en ondeugende begeerten en genegenheden, die in wereldse mensen heerschappij voeren. Doe ook afstand van de begeerlijkheid des vlezes en de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens, van alle zinnelijkheid en onzedelijkheid, gierigheid en eerzucht, van alle zoeken van de eer van mensen boven de eer die uit God is, doe dat alles van u. Zij, die van Christus zijn, hebben het vlees gekruisigd en zijne begeerlijkheden en lusten. Zij hebben dat gedaan door het sluiten van het verbond en door belofte, en zijn nu verplicht het daadwerkelijk en voor alles te doen, zij moeten aan het werk gaan en zich zelven meer en meer reinigen van alle onreinheid des vlezes en des geestes. Zo leert het Evangelie ons in de eerste plaats wat wij niet moeten doen en dat wij de zonde moeten verzaken. Daarna:
B. Wat wij wel doen moeten. Matig, rechtvaardig en godzalig leven. De godsdienst bestaat niet alleen uit iets te laten, er moet goed gedaan worden zowel als kwaad gelaten, in deze samenvoeging wordt de oprechtheid getoond en het Evangelie versierd. Wij moeten matig leven ten opzichte van ons zelven, behoorlijk onze begeerten en hartstochten beheersen, de grenzen van bezadigdheid en matigheid niet overschrijden, alle buitensporigheid vermijden, rechtvaardig handelen jegens alle mensen, ieder het zijne gevende en niemand onrecht doende, maar veel meer anderen goed doende, naarmate van ons vermogen en hun behoeften, dat is een deel van de rechtvaardigheid, want wij zijn in aanraking met anderen en mogen daarom niet alleen voor ons zelven zorgen. Wij zijn elkanders leden en moeten voor elkaar het goede zoeken, 1 Corinthiërs 10:24, 12:25. Het algemeen, dat de belangen van allen omvat, moet de zorgen van allen genieten. Zelfzucht is een soort van onrechtvaardigheid, zij ontrooft aan anderen hetgeen, waar zij recht op hebben. Hoe beminnelijk is dus een rechtvaardig gedrag! Het bevordert alle belangen, niet slechts van enkelen, maar ook van het algemeen, en draagt daardoor bij tot den vrede en het geluk van de wereld. Laat ons dus zowel rechtvaardig als matig leven. En daarbij godzalig, in onze plichten jegens God en Zijn dienst en verering. Alles moet met het oog op Hem gedaan worden.
Het zij dat gij eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doe het al ter ere Gods. 1 Corinthiërs 10:31. Persoonlijke en familieplichten moeten vervuld worden uit gehoorzaamheid aan Zijn geboden, met het verschuldigde doel om Hem te behagen uit beginselen van heilige liefde en vreze voor Hem. Er is echter ook een bepaalde en rechtstreekse plicht, dien wij Hem verschuldigd zijn, namelijk, het geloof aan en de erkenning van Zijn wezen en volmaaktheden, door Hem inwendig en uitwendig eer en aanbidding te brengen, door Hem lief te hebben, te vrezen en te vertrouwen, op Hem te steunen en ons aan Hem te wijden, en alle godsdienstige plichten en instellingen, die Hij verordend heeft, waar te nemen, door Hem te aanbidden en te verheerlijken, ook door het overdenken van Zijn woord en werken. Dat is godzaligheid, opziende en komende tot God, in onzen tegenwoordigen toestand, niet onmiddellijk, maar zoals Hij zich in Christus geopenbaard heeft, zo beveelt en vereist het Evangelie het. Langs anderen weg tot God naderen, bijvoorbeeld door engelen of heiligen, is vruchteloos, en tegen den regel en de belofte van het Evangelie. Alle gemeenschap van God met ons is door Zijn Zoon, en wederkerig moet het evenzo zijn. Wij moeten in God door Christus het voorwerp van onze hoop en verering zien. Zo moeten wij ons oefenen in de godzaligheid, zonder welke er geen versiering van het Evangelie is, dat ons zulk een houding voorschrijft en onderwijst. Een evangelisch gedrag is noodzakelijkerwijze een godzalig gedrag, de uitdrukking van onze liefde en vreze voor God, van onze hoop en ons geloof en ons vertrouwen in Hem, zoals Hij in Zijn Zoon zich aan ons geopenbaard heeft. Wij zijn de besnijdenis (wij hebben in waarheid hetgeen door dat sacrament werd voorgebeeld), die God in den Geest dienen en in Christus Jezus roemen en niet in het vlees vertrouwen. Ziehier in hoe klein bestek onze gehele verplichting is saamgevat, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzaken, en matig, rechtvaardig en godzalig leven in deze tegenwoordige wereld. Het Evangelie leert ons niet alleen hoe wij goed zullen geloven en hopen, maar ook hoe wij goed zullen leven, zoals behoort voor hen, die geloven en hopen in deze tegenwoordige wereld en die een betere verwachten. Er is een tegenwoordige en een toekomende wereld, de tegenwoordige is de tijd en de plaats van onze beproeving, en het Evangelie leert ons hier goed te leven, evenwel niet als ons einddoel, maar vooral met het oog op de toekomende wereld, want het onderwijst ons:
C. In alles uit te zien naar de heerlijke toekomende wereld, waarvoor een matig, rechtvaardig en godzalig leven in deze wereld de voorbereiding is. Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van onzen groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus. vers 13. De hoop is hier naamsverwisseling voor de zaak, waarop gehoopt wordt, namelijk, de hemel en zijn gelukzaligheid, die hier de hoop genoemd wordt, omdat dat de grote zaak is waar wij naar verlangen en op wachten, en een gezegende hoop, omdat, wanneer ze vervuld is, wij voor eeuwig volmaakt gelukkig zullen zijn. En de verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus. Dit toont aan zowel het tijdstip van de vervulling onzer hoop, als haar zekerheid en grootheid. Het zal zijn bij de wederkomst van Christus, wanneer Hij komen zal in zijne heerlijkheid, en die des Vaders en der heilige engelen, Lukas 9:26. Zijn eigen heerlijkheid, die hij had voor de wereld was, en die Zijns Vaders, want Hij is het uitgedrukte beeld van diens zelfstandigheid, en als Godmens, diens gemachtigde Regeerder en Rechter, en van de heilige engelen, als Zijn heerlijke dienaren en lijfwacht. Zijn eerste komst was in geringheid, om aan de gerechtigheid te voldoen en de zaligheid te verwerven, Zijn tweede komst zal zijn met majesteit, om Zijn volk daarmee te begiftigen en er van in het bezit te stellen.
Christus, eenmaal geofferd zijnde om veler zonden weg te nemen, zal ten anderen maal zonder zonden gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid, Hebreeën 9:28. De grote God en onze Zaligmaker (of Hij is onze Zaligmaker (Jezus Christus, want zij zijn niet twee, maar slechts een, zoals blijkt uit het gebruik van slechts een lidwoord toe megaloe theoe kai sootêros, niet kai toe sooteros, wat eveneens het geval is in 1 Corinthiërs 15:24 :Wanneer Hij het koninkrijk zal overgegeven hebben aan God, dat is den Vader, tooi theooi kai patri. Christus is dus de grote God, niet zinnebeeldig, zoals ook overheden en anderen soms goden genoemd worden, of omdat Hij verschijnt en handelt in den naam van God, maar eigenlijk en werkelijk, de waarachtige God, 1 Johannes 5:20, de sterke God, Jesaja 9:6, die in de gestaltenis Gods zijnde, het geen roof achtte Hem gelijk te zijn, Filippenzen 2:6. Bij Zijn wederkomst zal Hij Zijn dienstknechten belonen en hen met zich in heerlijkheid brengen. Merk op:
a. Dit is de algemene en zalige hoop van alle ware Christenen op de toekomende wereld. Indien zij alleenlijk in dit leven op Christus hopende waren, dan waren zij de ellendigste van alle mensen, 1 Corinthiërs 15:19. Door hoop wordt bedoeld het voorwerp van de hoop, dat is Christus zelf, die onze hoop genoemd wordt, 1 Timotheus 1:1, en in Hem hebben wij zegeningen, rijkdommen en heerlijkheid, Efeze 1:18, daarom wordt Hij onze zalige hoop genoemd.
b. Het doel van het Evangelie is ons door deze zalige hoop allen op te wekken tot een goed leven. Opschortende de lenden uws verstands en nuchteren zijnde, hoopt volkomenlijk op de genade, die u toegebracht wordt in de openbaring van Jezus Christus, 1 Petrus 1:13. Hetzelfde vindt men hier: Verwacht de zalige hoop, en doet daarom afstand van alle godloosheid en wereldse begeerlijkheden, matig, rechtvaardig en godzalig levende, niet uit baatzucht, maar als dankbare Christenen. Hoedanigen behoort gij te zijn in heiligen wandel en godzaligheid, verwachtende en haastende tot de toekomst van den dag Gods, 2 Petrus 3:11, 12. Verwachtende en haastende, dat is, er naar uit. ziende en er zich toe voorbereidende
c. Door en in de heerlijke wederkomst van Christus zal de zalige hoop der Christenen worden bereikt, want hun zaligheid zal zijn: Hem gelijk wezen en Zijne heerlijkheid zien, Johannes 17:24. De heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker zal dan stralen als de zon. Ofschoon Hij in de uitoefening van Zijn rechterlijke macht zal verschijnen als de Zoon des mensen, zal Hij krachtelijk bewezen worden ook de Zoon Gods te zijn. Zijne goddelijkheid, die op aarde omsluierd was, zal dan stralen als de zon in hare kracht. De werking en het doel van het Evangelie is daarom de harten der Christenen te verwakkeren om die wederkomst van Christus te verwachten. Wij zijn wedergeboren tot een levende hoop daarvan, 1 Petrus 1:3, om den levenden God te dienen en Zijn Zoon van den hemel te verwachten, 1 Thessalonicenzen 1:9, 10. Dat is het kenmerk der Christenen, dat zij de komst huns Meesters verwachten, Lukas 12:36, en Zijne verschijning liefhebben, 2 Timotheus 4:8. Laat ons dan naar deze hoop uitzien, laat onze lenden gegord zijn, onze lampen brandende, en wij zelven gelijken op mensen, die hun heer wachten. Dag en uur weten wij niet, maar Hij zal komen en niet vertoeven, Hebreeën 10:37.
d. De troost en de blijdschap der Christenen is, dat hun Zaligmaker is de grote God, en zich als zodanig bij Zijn wederkomst heerlijk zal openbaren. Macht en liefde, majesteit en barmhartigheid, zullen dan alle in den hoogsten luister verschijnen, tot schrik en verwarring der godlozen, maar tot eeuwigdurende vreugde en blijdschap der godzaligen. Indien Hij niet op deze wijze de grote God, en tevens mens, ware, Hij kon onze Zaligmaker en onze hoop niet zijn. Deze overwegingen dienen om de voorschriften te steunen, welke voor allen gegeven werden, ieder naar zijn bijzondere roeping, naar den aard en bedoeling van het Evangelie. En hieraan is een andere beweegreden vastgeknoopt, namelijk:
II. Het doel van den dood van Christus.
Die zich zelven voor ons overgegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en zich zelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken, vers 14. Het doel van den dood van Christus, zowel als de inhoud van Zijn leer, was ons tot heiligheid en gelukzaligheid te brengen. Hier handelen wij over:
1. Den verwerver der redding. -Jezus Christus, de grote God en onze Zaligmaker, die ons zalig maakt niet enkel als God, nog minder enkel als mens, de Godmens, twee naturen in een persoon, mens, opdat Hij zou kunnen gehoorzamen, lijden en sterven, voor mensen, en God, opdat Hij Zijne mensheid kon steunen, waarde en kracht aan haar ondernemen geven, en een juist begrip hebben van de eer aan de Godheid verschuldigd, zowel als van het welzijn van het schepsel, en het laatste brengen tot de heerlijkheid van de eerste. Zulk een betaamde ons, en dat was:
2. De prijs van onze verzoening. Hij gaf zich zelven. De Vader gaf Hem, maar Hij gaf ook zich zelven, en in de vrijwilligheid en gewilligheid, zowel als in de grootte van het offer, lag Zijn aannemelijkheid en verdienste.
Daarom heeft Mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme. Niemand neemt hetzelve van Mij, maar Ik leg het van Mij zelven af, Johannes 10:17, 18. En Ik heilig Mij zelven voor hen. Johannes 17:19, Ik zonder Mij af en wijd Mij voor dit werk, om beiden te zijn: de priester en het offer voor God, voor de zonden der mensen. De menselijke natuur was de offerande, de goddelijke natuur het altaar, dat de gave heiligde, en het geheel was de daad van den persoon. Hij gaf zich zelven tot een rantsoen voor velen, 1 Timotheus 2:6. In de volheid der tijden is Hij verschenen om door Zijns zelfs offerande de zonden weg te nemen. Hij was priester en offer beide. Wij zijn verlost niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, maar door het dierbaar bloed van Christus, 1 Petrus 1:18, 19, dat het bloed Gods genoemd wordt in Handelingen 20:28, dat is het bloed van Hem, die God is.
3. De personen voor wie. Voor ons, ons, arme, verloren zondaren, van God afgedwaald en in opstandelingen tegen Hem verkeerd. Hij gaf zich zelven voor ons, niet alleen tot ons welzijn, maar in onze plaats. De Messias werd afgesneden niet voor zich zelven, maar voor ons.
Hij heeft geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen, 1 Petrus 3:18. Hij is zonde gemaakt voor ons (een offer voor de zonde) opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem, 2 Corinthiërs 5, 21.. Wonderbare afdaling en genade! Hij heeft ons liefgehad en zich zelven voor ons overgegeven, wat kunnen wij dan minder doen dan Hem liefhebben en ons zelven aan Hem geven? Vooral wanneer wij in aanmerking nemen:
4. Het doel waarmee Hij zich zelven voor ons overgaf.
A. Opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid. Dit behoort bij de vermaning, verzaken de godloosheid en de wereldse begeerlijkheden. Christus gaf zich zelven om ons daarvan te verlossen, die van ons weg te nemen. De zonde lief te hebben en in haar te leven is het bloed der verzoening met voeten treden, een van Zijn grootste zegeningen verachten en verwerpen, en in tegenspraak met Zijn bedoeling handelen. Maar hoe kon het kortstondig lijden van Christus ons verlossen van alle ongerechtigheid? Door de oneindige waarde van Zijn persoon. Hij was God, lijdende, maar niet als God. De daden en eigenschappen van elke natuur behoren bij den persoon. God heeft Zijne gemeente gekocht met Zijn eigen bloed, Handelingen 20:28. Indien de betaling ineens geschieden kon, was geen voortdurend lijden nodig. Een bloot schepsel kon dat niet doen, door de eindigheid zijner natuur, maar de Godmens kon het. De grote God en onze Zaligmaker gaf zich zelven voor ons, dat is de reden.
Door ene offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden, Hebreeën 9:25, 26, 10:14. Hij behoefde zich zelven niet dikwijls op te offeren, ook kon Hij door den dood niet gehouden worden toen Hij dien eens ondergaan had. Heerlijk doel en gevolg van den dood van Christus, verlossing van alle ongerechtigheid. Daarvoor stierf Christus, en:
B. Om zich zelven een eigen volk te reinigen. Dat sterkt de tweede vermaning: Matig, rechtvaardig en godzalig leven in deze tegenwoordige wereld. Christus stierf om te verlossen zowel als om vergeving te verwerven, om genade te verkrijgen, om onze natuur te herstellen, zowel als om ons te bevrijden van schuld en verdoemenis. Hij gaf zich zelven voor Zijne gemeente, om haar te reinigen. Zo heeft Hij zich zelven een eigen volk verworven, door hen te reinigen. Daardoor zijn zij onderscheiden van de wereld, die in het boze ligt, zij zijn uit God geboren, met Hem verenigd, dragen Zijn beeld, zijn heilig gelijk hun hemelse Vader heilig is. Merk op: Verlossing van zonden en heiliging van de natuur gaan samen, en die samen maken een eigen volk voor God, vrijmaking van schuld en verdoemenis en van de macht der lusten, en heiligmaking van de ziel door den Geest. Zij zijn een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk.
C. IJverig in goede werken. Dit verkregen volk, dat door de genade gereinigd is, moet tonen dat te zijn door het doen van goede werken, en daarin ijverig zijn. Het Evangelie is geen leer van lediggang, maar van heiligheid en godzalig leven. Wij zijn verlost van onze ijdele wandeling, om God te dienen in heiligheid en gerechtigheid al de dagen onzes levens. Laat ons toezien dat wij goed doen en daarin ijverig zijn, maar ook dat onze ijver geleid worde door kennis en bezield door liefde, gericht tot heerlijkheid Gods, en altijd bezig met goed werk. Dat is de beweegreden voor de vervulling van de voorgeschreven plichten, ontleend aan den dood van Christus.