Handelingen 13:4-13
In deze verzen hebben wij:
I. Een algemeen bericht van de komst van Barnabas en Saulus in het vermaarde eiland Cyprus, en zij zijn wellicht daarheen gegaan omdat Barnabas daar geboren was, Hoofdstuk 4:36, en wenste dat zijne landgenoten de eerstelingen zouden hebben van zijn arbeid, ingevolge de nieuwe opdracht, die hij had ontvangen. Merk op:
1. De grote zaak, die hen voor deze onderneming bemoedigde, was: dat zij uitgezonden waren door den Heiligen Geest, vers 4. Als de Heilige Geest hen uitzendt, dan zal Hij ook met hen gaan, hen bekrachtigen, hen door helpen in hun werk en het met een goeden uitslag bekronen, dan kunnen zij zich ook zonder vrezen van Antiochië, dat hun ene veilige haven was, naar buiten op de woelige, onstuimige zee begeven.
2. Zij kwamen naar Seleucië, de zeehavenstad tegenover Cyprus, en staken van daar de zee over naar Cyprus, en in dat eiland was de eerste plaats, waar zij aankwamen, Salamis, ene stad aan de Oostzijde van het eiland, vers 5, en nadat zij aldaar het goede zaad gezaaid hadden, zijn zij het eiland doorgegaan tot Pafos toe, vers 6, dat aan de Westkust lag.
3. Zij verkondigden het woord Gods, waar zij ook kwamen, in de synagogen der Joden. Zo verre was het van hen om dezen uit te sluiten, dat zij hun den voorrang gaven, en aldus diegenen onder hen, die niet geloofden, zonder verontschuldiging lieten, zij hadden hen willen vergaderen, maar zij hebben niet gewild. Zij hebben niet heimelijk gehandeld, zij hebben den Messias niet gepredikt aan ander en, die aan hen niet bekend waren, neen, zij hebben hun leer opengelegd voor de oversten hunner synagogen, die, er hun bezwaren tegen konden inbrengen, indien zij die hadden. Zij hadden ook niet afzonderlijk, maar zeer gaarne in vereniging met hen, willen handelen, indien zij hen niet van zich en van hun synagogen hadden uitgedreven.
4. Zij hadden Johannes tot een dienaar, niet tot een dienaar in gewone zaken, maar tot een' helper in de dingen Gods hetzij om hun den weg te bereiden in plaatsen, waar zij voornemens waren te komen, of om hun werk voort te zetten in plaatsen, waar zij het hadden begonnen, of om op gemeenzame wijze te spreken met hen, voor wie in het openbaar was gepredikt, en hun de dingen te verklaren. Zo iemand kon hun op velerlei wijze nuttig zijn, vooral in een vreemd land.
II. Een bijzonder bericht van hun ontmoeting met Elymas, den tovernaar, dien zij te Pafos vonden, waar de stadhouder verblijf hield. Die plaats was vermaard wegens een tempel, die er gebouwd was voor Venus, en vandaar Pafian Venus genoemd. Daarom was het zo uiterst noodzakelijk, dat de Zone Gods geopenbaard zou worden, ten einde de werken des duivels te verbreken.
1. Daar heeft de stadhouder, een Heiden, genaamd Sergius Paulus, de apostelen bemoedigd, en wilde gaarne hun boodschap horen. Hij was de bestuurder des lands onder den Romeinsen keizer, proconsul of proprætor, iemand, dien wij gouverneur van het eiland zouden noemen. Hij was een verstandig, nadenkend man, die zich liet lijden door verstand, en niet door hartstocht of vooroordeel, hetgeen hieruit blijkt dat hij, bericht hebbende ontvangen omtrent Barnabas en Saulus, hen ontbood, en het woord Gods zocht te horen. Als hetgeen wij horen de strekking heeft, om ons tot God te brengen, dan is het verstandig om er meer van te willen horen. Diegenen zijn wijze mensen-al worden zij ook door de dwazen dezer wereld gans anders genoemd-die een onderzoek instellen naar den wil en de bedoeling Gods. Hoewel hij een aanzienlijk man was, bekleed met gezag, en de predikers mannen waren zonder enig aanzien in de wereld, wil hij toch, zo zij met ene boodschap van God komen, weten, waarin die bestaat, en indien het blijkt, dat het wezenlijk ene boodschap van God is, dan is hij bereid haar aan te nemen.
2. Daar heeft Elymas, een Jood, een tovenaar, hen tegengestaan, alles gedaan wat hij kon om hun voortgang te stuiten. Het heeft de apostelen gerechtvaardigd om zich tot de Heidenen te wenden, dat deze Jood zich zo boosaardig tegen hen gekant heeft. Deze Elymas gaf voor de gave der profetie te hebben. Hij was een tovenaar, een valse profeet, iemand, die voor een waarzegger gehouden wilde worden, hij was een goochelaar, en beweerde verlorene dingen te kunnen ontdekken, waarvoor hij waarschijnlijk in verbond was met den duivel. Zijn naam was Bar-Jezus de zoon van Jozua. Die naam betekent de zoon der verlossing, of der zaligheid, maar het Syrisch noemt hem, Bar-Shoma - de zoon van den hoogmoed, filius inflationis -de zoon der opgeblazenheid. Hij was een schuimloper aan het hof, hij was bij den stadhouder. Het blijkt niet, dat de stadhouder hem bij zich had laten roepen, zoals hij Barnabas en Saulus had laten roepen, maar hij drong zich bij hem in, ongetwijfeld met het doel om door hem geld te verkrijgen. Hij stelde het zich ten taak Barnabas en Saulus te weerstaan, zoals de Egyptische tovenaars aan het hof van Farao Mozes en Aäron tegenstonden, 2 Timotheus 3:8. Hij wierp zich op als bode van den hemel, en ontkende, dat zij dit waren. En aldus zocht hij den stadhouder van het geloof af te keren, vers 8, hem er van terug te houden om het Evangelie aan te nemen, waartoe hij hem geneigd zag. Satan houdt zich zeer bijzonder bezig met aanzienlijke mannen, mannen, die macht en gezag hebben, om hen er van terug te houden Godsdienstig te zijn, omdat hij weet, dat hun voorbeeld, hetzij goed of kwaad, op velen invloed zal hebben. En zij, die op enigerlei wijze het middel zijn om de mensen tegen de waarheid en den weg van Christus in te nemen, doen het werk des duivels. Met heilige verontwaardiging heeft Saulus (die hier voor het eerst Paulus en daarna nooit meer Saulus genoemd werd) hem hierom aangevallen, Saulus, die ook Paulus genaamd is, vers 9. Als Hebreeër uit den stam van Benjamin was zijn naam Saulus, als Romeins burger was zijn naam Paulus. Tot nu toe zagen wij hem meestal in verkeer met de Joden, en daarom bij zijn Joodsen naam genoemd, maar nu hij is uitgezonden onder de Heidenen, wordt hij bij zijn Romeinsen naam genoemd, teneinde hem enig aanzien te geven in de Romeinse steden, daar Paulus een zeer gewone naam onder hen was. Sommigen denken, dat hij nooit Paulus genoemd is, voordat hij het middel geweest is voor de bekering van Sergius Paulus tot het geloof van Christus, en dat hij den naam van Paulus heeft aangenomen ter gedachtenis van de overwinning door het Evangelie van Christus behaald, zoals het onder de Romeinen gebruikelijk was, dat hij, die een land veroverd had, zich naar dat land noemde, zoals Germanicus, Brittanicus, Africanus, of liever, Sergius Paulus heeft zelf hem den naam Paulus gegeven, ten teken van zijne gunst jegens hem, en zijn eerbied voor hem, zoals Vespasianus zijn naam Flavius aan Josephus, den Joodsen geschiedschrijver heeft gegeven. Van Paulus wordt hier gezegd:
a. Dat hij bij deze gelegenheid vervuld was met den Heiligen Geest, vervuld van heiligen ijver tegen een' openbaren vijand van Christus, hetgeen een der genadegaven was van den Heiligen Geest, een geest der uitbranding, vervuld van kracht om den toorn Gods over hem aan te kondigen, hetgeen een der gaven was van den Heiligen Geest, een geest des oordeels. Hij ontwaarde ene meer dan gewone vurigheid in zijn gemoed, zoals de profeet, toen hij vol kracht was van den Geest des Heeren, Micha 3:8, en een ander profeet, toen zijn voorhoofd harder gemaakt was dan ene rots, Ezechiël 3:9, en nog een ander, toen zijn mond gemaakt was als een scherp zwaard, Jesaja 49:2. Wat Paulus zei kwam niet voort ui t persoonlijke gevoeligheid, of wrok, maar was het gevolg van den sterken indruk, dien de Heilige Geest op zijn gemoed had gemaakt.
b. Hij hield de ogen op hem, om hem te beschamen en tot zwijgen te brengen, en tegenover zijne goddeloze onbeschaamdheid ene heilige stoutmoedigheid te tonen. Hij hield de ogen op hem, als ene aanduiding, dat het oog van den hart doorgrondende God op hem was, en hem doorzag, ja, dat het aangezicht des Heeren tegen hem was, Psalm 34:17. Hij hield de ogen op hem, of hij in zijn gelaat enigerlei teken kon bespeuren van berouw van hetgeen hij gedaan had, want zo hij ook maar het minste teken hier van kon ontdekken, dan zou dit het oordeel hebben afgewend, dat nu volgde.
c. Hij beschreef hem in zijn waar karakter, niet in drift, maar gedreven zijnde door den Heiligen Geest, die de mensen beter kent, dan zij zich zelven kennen, vers 10. Hij zegt hem: Ten eerste. Dat hij een werktuig, een agent, is der hel, en de zodanige zijn er geweest op aarde (het toneel des oorlogs tussen het zaad der vrouw en het zaad der slang) van dat Kaïn, die uit den boze was, een vleesgeworden duivel, zijn broeder doodsloeg, om gene andere reden, dan dat zijne werken boos waren, en van zijn broeder rechtvaardig. Deze Elymas, hoewel hij Bar-Jezus genoemd werd-een zoon van Jezus, was in werkelijkheid een kind des duivels, hij droeg zijn beeld, deed zijne begeerten, en diende zijne belangen, Johannes 8:44. In twee dingen geleek hij op den duivel, zoals een kind op zijn vader gelijkt.
1. In arglistigheid, de slang nu was listiger dan al het gedierte des velds, Genesis 3:1, en Elymas, hoewel ontbloot van alle wijsheid, was vol van alle arglistigheid, bedreven in alle kunstgrepen om de mensen te bedriegen en te misleiden.
2. In boosaardigheid, hij was vol van alle kwaad een boosaardig, slecht mens, en een gezworen, onverzoenlijk vijand van God en van het goede. Ene volheid tegelijk van list en boosaardigheid maken een mens in waarheid tot een kind des duivels.
Ten tweede. Een tegenstander van den hemel. Als hij een kind des duivels is, dan volgt daar vanzelf uit, dat hij een vijand is van alle gerechtigheid, want de duivel is dit. Zij, die vijanden zijn van de leer van Christus, zijn vijanden van alle gerechtigheid, want in Zijne leer is alle gerechtigheid vervat en vervuld. Hij beschuldigt hem van de misdaad, die hij op dat ogenblik bedreef: "Zult gij niet ophouden te verkeren de rechte wegen des Heeren, ze verkeerd voor te stellen, ze in een vals daglicht te plaatsen, en aldus de mensen te ontmoedigen om ze te volgen, en er in te wandelen?" De wegen des Heeren zijn recht, zij zijn dit allen, zij zijn dit volkomen. De wegen van den Heere Jezus zijn recht, de enige rechte wegen naar den hemel en de gelukzaligheid. Er zijn van de zodanige, die deze rechte wegen verkeren, die niet slechts zelven buiten deze wegen wandelen, (zoals Elihu's berouwhebbende erkent: Ik heb het recht verkeerd hetwelk mij niet heeft gebaat,) maar anderen misleiden, hun onrechtvaardige vooroordelen in- blazen tegen deze wegen, alsof de leer van Christus onzeker en wankelend was, de wetten van Christus onredelijk en onuitvoerbaar waren, en de dienst van Christus onaangenaam en onnut, of onvoordelig was, hetgeen een onrechtvaardig verkeren is van de rechte wegen des Heeren, en er kromme wegen van te maken. Zij, die de rechte wegen des Heeren verkeren, zijn daar gewoonlijk zo in verhard, dat zij, al wordt hun ook de rechtheid van die wegen nog zo klaarblijkelijk en overtuigend voor ogen gesteld, toch niet zullen ophouden van dit te doen. Etsi suaseris, non persuaseris Gij kunt hun raad geven, maar gij zult hen nooit overtuigen, zij willen hun eigen zin doen, zij hebben de vreemden lief, en die zullen zij na wandelen. Hij kondigt het oordeel Gods over hem aan in ene ogenblikkelijke blindheid, vers 11. "En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, ene rechtvaardige hand. God zal de handen aan u slaan, u tot Zijn gevangene maken, want gij wordt gegrepen met de wapenen in de hand, gij zult blind zijn en de zon niet zien voor een' tijd." Dit was bedoeld als een bewijs van zijne misdaad, daar het een wonder was, gewerkt om de rechte wegen des Heeren te bevestigen, en bijgevolg, om de boosheid aan te tonen van hem, die niet op wilde houden van ze te verkeren, en het was tevens bedoeld als straf voor zijne misdaad. Het was ene gepaste straf, hij heeft de ogen van zijn geest gesloten voor het licht van het Evangelie, en daarom werden zijne lichamelijke ogen rechtvaardiglijk gesloten voor het licht der zon. Hij heeft, als werktuig of agent, van den god dezer eeuw (die de zinnen verblindt der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie, 2 Corinthiërs 4:4) de ogen zoeken te verblinden van den stadhouder, en daarom wordt hij nu zelf met blindheid geslagen. Toch was het nog ene zachte, gematigde straf, hij was slechts met blindheid geslagen, terwijl hij zeer rechtvaardiglijk terstond gedood had kunnen worden, en zijne blindheid was slechts voor een tijd, indien hij zich wil bekeren en Gode de ere geven, door belijdenis van zonde, dan zal hij zijn gezichtsvermogen herkrijgen, jà, het schijnt, dat hij, al doet hij dit niet, toch zijn gezichtsvermogen zal herkrijgen, om te beproeven of hij niet tot bekering geleid kan worden, hetzij door de oordelen Gods, of door Zijne barmhartigheden. Dit vonnis werd terstond voltrokken, van stonde aan viel op hem donkerheid en duisternis, zoals op de mannen van Sodom, toen zij Lot vervolgden, en op de Syriërs, toen zij Elisa vervolgden. Dit bracht hem terstond tot zwijgen, en zo was hij volkomen weerlegd en verslagen in alles wat hij tegen de leer van Christus gezegd had. Laat hij er geen aanspraak meer op maken, om het geweten van den stadhouder ten gids te zijn, die zelf met blindheid is geslagen. Het was ook ene waarschuwing voor hem, dat hij, indien hij zich niet bekeert met nog veel zwaarder straf gestraft zal worden, want hij is een der dwalende sterren, dewelke de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt, Judas 13. Elymas heeft zelf de waarheid van het wonder bekend gemaakt, toen hij, rondom gaande, zocht die hem met de hand mochten leiden. En waar is nu al zijne bedrevenheid in de toverkunst, waarop hij zich zo had laten voorstaan, nu hij noch zelf den weg kan vinden, noch een vriend kan vinden, die hem leiden wil!
3. In weerwil van al de pogingen van Elymas, om den stadhouder van het geloof af te keren, werd hij er toe gebracht om te geloven, en hiertoe heeft het wonder, aan den tovenaar zelf geschied, (zoals de zweren van Egypte, die aan de tovenaars waren, zodat zij voor Mozes niet staan konden, Exodus 9:11) medegewerkt. De stadhouder was een zeer verstandig man, en bespeurde iets ongewoons, iets dat van een Goddelijken oorsprong sprak:
a. In de prediking van Paulus. Hij was verslagen over de leer des Heeren, over de leer, die van Hem is, de ontdekkingen, die Hij gedaan heeft van den Vader, de leer, die Hem zelven betreft, Zijn Persoon, Zijne tweeërlei natuur, Zijne ambten, Zijne onderneming. Er is in de leer van Christus zeer veel, dat verbazingwekkend is, en hoe meer wij er van weten, hoe meer reden wij zullen hebben om er ons over te verwonderen en te verbazen.
b. In dit wonder. Toen hij zag hetgeen geschied was, en hoe oneindig ver de macht van Paulus die van den tovenaar overtrof, en hoe blijkbaar Elymas verslagen en in het nauw was gebracht, geloofde hij. Er wordt niet gezegd, dat hij gedoopt werd, en dus een volledige bekeerling is geworden, maar dit is toch wel waarschijnlijk. Paulus zou zijn werk niet ten halve verricht hebben, en Gods werk is volmaakt. Toen hij een Christen werd, heeft hij zijn gouverneurschap niet opgegeven, en hij werd er ook niet uit ontzet, maar wij kunnen onderstellen, dat hij als Christelijk overheidspersoon door zijn invloed zeer veel gedaan heeft om het Christendom in dat eiland te bevorderen. De overlevering in de Roomse kerk, die er voor gezorgd heeft om voor al de voorname bekeerlingen, van wie wij lezen in de Handelingen, bisschopszetels te vinden, heeft dezen Sergius Paulus bisschop gemaakt van Narbonne in Frankrijk, waar hij, door Paulus op zijne reize naar Spanje gelaten zou zijn.
III. Hun vertrek van het eiland Cyprus. Waarschijnlijk hebben zij daar veel meer gedaan dan hier vermeld wordt, daar hier slechts bericht wordt gegeven van hetgeen buitengewoon was-de bekering van den stadhouder. Toen zij wat zij te doen hadden, gedaan hadden,
1. Verlieten zij het land en gingen naar Perge. Zij, die gingen, waren Paulus en die met hem waren, waarbij zich in Cyprus waarschijnlijk nog anderen gevoegd hebben, daar velen begerig waren om met hem te gaan, Anachthentes hoi fieri ton Paulon -Zij, die met Paulus waren van Pafos afgevaren zijnde, hetgeen veronderstelt, dat ook hij ging, maar zijne nieuwe vrienden hadden zoveel genegenheid voor hem, dat zij steeds om hem heen waren, en met hun bewilliging nooit van hem zouden scheiden.
2. Toen heeft Johannes Markus hen verlaten en is wedergekeerd naar Jeruzalem, zonder de toestemming van Paulus en Barnabas, het zij, omdat hij gene liefde had voor het werk, of omdat hij zijne moeder wenste te gaan zien. Het was zijne schuld, en wij zullen er meer van horen.