Job 19:23-29
In al de samensprekingen tussen Job en zijn vrienden vinden wij geen gewichtiger of belangrijker regelen dan deze. Zou men dit verwacht hebben? Er is in deze verzen veel, beide van Christus en van de hemel, en hij die zulke dingen gezegd heeft, "betoonde klaarlijk dat hij een vaderland zocht, een beter vaderland, dat is: het hemelse," zoals de patriarchen van die tijd gedaan hebben, Hebreeën 11:14. Wij hebben hier Jobs geloofsbelijdenis, zijn geloof in God, de Vader, de Almachtige, de Schepper van hemel en aarde, en in de beginselen van de natuurlijke Godsdienst, die hij dikwijls beleden had, maar hier bevinden wij hem geen vreemdeling voor de geopenbaarde Godsdienst. Hoewel de openbaring van het beloofde Zaad en het beloofde erfdeel toen slechts bespeurd werd als het aanbreken van de dageraad, was Job toch van God geleerd om te geloven in een levende Verlosser, en uit te zien naar "de opstanding van de doden en het leven in de toekomende wereld," want ongetwijfeld heeft hij daarvan gesproken. Het was in de verwachting van die dingen, dat hij vertroosting smaakte, en niet in de verwachting van een verlossing uit zijn benauwdheid en van een terugkeer van geluk en voorspoed in deze wereld, zoals sommigen het verstaan willen hebben. Want behalve dat de uitdrukkingen, welke hij hier gebruikt van des Verlossers staan op de aarde ten laatsten dage, vers 25, van zijn zien van God voor hemzelf, ellendig gewrongen zouden zijn indien zij van een tijdelijke verlossing verstaan moeten worden, is het ook zeer duidelijk dat hij volstrekt niet verwacht heeft tot zijn staat van voorspoed in deze wereld terug te keren. Hij had pas gezegd dat zijn weg toegemuurd was, vers 8, en dat zijn verwachting als een boom was weggerukt, vers 10. Ja meer, daarna heeft hij nog uitdrukking gegeven aan zijn wanhopen eraan om nog vertroosting en geluk in deze wereld te smaken, Hoofdst. 23:8, 9, 30:23. Zodat wij hem noodzakelijkerwijs verstaan moeten als sprekende van de verlossing van zijn ziel uit de macht des grafs en zijn opneming in de heerlijkheid, waarvan gesproken wordt in Psalm 49:16. Wij hebben reden te denken dat Job op dit ogenblik onder een buitengewone aandrift was van de gezegende Geest, die hem ophief boven hemzelf, hem recht gaf en woorden deed spreken, waarover hij zelf verbaasd was. En sommigen merken op dat wij daarna in Jobs redenen zulke hartstochtelijke gemelijke, onbetamelijke klachten over God en de wegen van Zijn voorzienigheid niet vinden, als wij tevoren gevonden hebben. Deze hoop heeft zijn geest gekalmeerd, de storm tot bedaren gebracht en hier anker geworpen hebbende binnen de voorhang, was zijn gemoed nu voortaan rustig. Laat ons hier opmerken:
I. Met welk doel Job deze belijdenis van zijn geloof aflegt, die hier zo uitnemend gepast voorkomt.
1. Job was nu beschuldigd, en dit is zijn appel, zijn beroep. Zijn vrienden smaadden hem als een geveinsde en een goddeloze, maar hij beroept zich op zijn geloofsbelijdenis, op zijn hoop en op zijn eigen geweten, dat hem niet slechts vrijsprak van heersende zonde maar hem vertroostte met de verwachting van een zalige opstanding, dit zijn geen woorden eens bezetenen. Hij beroept zich op de komst van de Verlosser, van dit getwist en geharrewar op de uitspraak van Hem, aan wie al het oordeel is overgegeven en die-dit wist hij-hem recht zal doen. De overweging, dat Gods dag nadert zal het voor ons tot iets zeer gerings maken om door een menselijk oordeel geoordeeld te worden, 1 Corinthiers 4:3, 4. Hoe gemakkelijk kunnen wij de lasteringen en onrechtvaardige verwijten van mensen dragen, terwijl wij de heerlijke verschijning verwachten van onze Verlosser en Zijn verlosten ten laatsten dage en dat er alsdan een opstanding zal zijn van namen, zowel als van lichamen! 2. Job was nu beproefd en dit was zijn hartsterking, toen hij uitnemend zeer bezwaard was, heeft dit hem voor bezwijken behoed, hij geloofde dat hij het goede des Heeren zou zien in het land van de levenden, niet in deze wereld, want dit is het land van de stervenden.
II. Hoe plechtig hij deze belijdenis inleidt, vers 23, 24. Plotseling breekt hij zijn klachten af, om te juichen in zijn vertroostingen, hetgeen hij doet, niet slechts tot zijn eigen voldoening, maar tot stichting van anderen. Hij vreesde dat zij, die hem thans omringden, weinig acht zouden slaan op hetgeen hij zei en zo bleek het ook, daarom wenste hij het vermeld te hebben voor de toekomende geslachten. Och of nu mijn woorden toch opgeschreven werden de woorden, die ik nu ga zeggen! Alsof hij gezegd had "ik erken dat ik vele woorden onbedachtelijk gesproken heb en ik wens dat zij vergeten mochten worden, want zij zullen mij niet tot eer zijn noch goeddoen aan anderen. Maar nu ga ik spreken met bedachtzaamheid en hetgeen ik wens, dat in geheel de wereld verkondigd zal worden en bewaard zal worden voor de toekomende geslachten, "in perpetuam rei memoriam-tot een blijvende gedachtenis," en dat het daarom duidelijk, in grote, gemakkelijk leesbare letters geschreven werd, zodat hij die voorbijgaat het kunne lezen, en dat het niet op losse bladen, maar in een boek geschreven zou worden, of zo dat mocht vergaan, dat het gegraveerd zou worden met een ijzeren griffel in lood of op een steen, zoals een opschrift op een monument, Iaat de graveur al zijn kunst aanwenden om het tot een duurzaam beroep te maken op het nageslacht." Hetgeen Job hier enigszins hartstochtelijk wenst, heeft God hem genadig toegestaan, zijn woorden zijn geschreven, zij zijn gedrukt in Gods boek, zodat, overal waar dit boek gelezen wordt, gesproken zal worden ter gedachtenis van Job. Hij geloofde, daarom sprak hij.
III. Wat zijn belijdenis zelf is, wat de woorden zijn, die hij geschreven wilde hebben. Wij hebben ze hier, geschreven in vers 25-27. Laat ons die beschouwen.
1. Hij gelooft de heerlijkheid van de Verlosser en zijn eigen deel in Hem, vers 25. Ik weet dat mijn Verlosser leeft, dat Hij bestaat en mijn leven is en dat Hij ten laatste, of op de laatste dag op- of boven-de aarde zal staan. Hij zal opgewekt worden of Hij zal (op de laatste dag, dat is: in de volheid des tijds, de Evangeliedag wordt de laatste tijd genoemd, omdat dit de laatste bedeling is) op de aarde zijn, en zo verwijst het naar zijn vleeswording, of, opgewekt uit de aarde, en zo is het van toepassing op Zijn opstanding, of, zoals wij het gewoonlijk verstaan: aan het einde des tijds zal Hij verschijnen boven de aarde, want Hij zal komen met de wolken des hemels en alle oog zal Hem zien, zó dicht zal Hij bij deze aarde komen. Hij zal staan op het stof- zo luidt het Hebreeuwse woord, op al zijn vijanden, die als stof onder Zijn voeten gelegd zullen worden, en Hij zal op hen treden en over hen triomferen.
Merk hier op:
a. Dat er voor de gevallen mens een Verlosser is gegeven en die Verlosser is Jezus Christus. Het Hebreeuwse woord is Goel, dat de nabestaande aanduidt aan wie door de wet van Mozes het recht van lossing van een verpande bezitting behoorde, Leviticus 25:25. Ons hemels erfdeel was verkocht door de zonde, wijzelf zijn volslagen onmachtig om het te lossen. Christus is onze nabestaande, de naaste bloedverwant, die instaat is het te lossen, Hij heeft onze schuld betaald, aan Gods gerechtigheid voor de zonde voldaan, het pand gelost en een nieuwe regeling en vaststelling voor het erfdeel gemaakt. Ook onze personen hadden een Verlosser nodig, wij zijn verkocht voor zonde en verkocht onder zonde, onze Heere Jezus heeft een verlossing voor ons gewerkt en verkondigt ons verlossing, en zo is Hij in waarheid de Verlosser.
b. Hij is een levende Verlosser, gelijk wij geschapen zijn door een levende God, zo zijn wij verlost door een levende Verlosser, die beide almachtig en eeuwig is en daarom ook volkomen kan zaligmaken. "Van Hem wordt getuigd dat Hij leeft," Hebreeën 7:8, Openbaring 1:18. Wij zijn stervenden, maar Hij leeft en Hij heeft ons verzekerd dat, "omdat Hij leeft, ook wij zullen leven," Johannes 14:19.
c. Er zijn zodanigen, die door genade deel hebben aan deze Verlosser en Hem op goede gronden de hunne kunnen noemen. Toen Job al zijn rijkdom verloren had en al zijn vrienden, was hij toch niet gescheiden van Christus, noch afgesneden van zijn betrekking tot Hem. "Nog is Hij mijn Verlosser." Die naaste bloedverwant bleef hem aankleven toen al zijn andere bloedverwanten hem verlieten, en hij had er de vertroosting van.
d. Ons deel aan de Verlosser is iets, dat geweten kan worden, en waar het geweten wordt, daar wordt er in gejuicht en geroemd, omdat het genoegzaam opweegt tegen al onze ellende: ik weet.
Merk op met welk een verzekerdheid hij ervan spreekt, als vast ervan overtuigd zijnde: ik weet dat mijn Verlosser leeft. Zijn vrienden hadden hem dikwijls onwetendheid of ijdele kennis ten laste gelegd, maar hij weet genoeg en wel tot een kostelijk zegenrijk doeleinde, die weet dat Christus zijn Verlosser is.
e. Er zal een laatste dag zijn, een dag, wanneer "er geen tijd meer zal zijn," Openbaring 10:6. Dat is een dag, aan welke wij alle dagen moeten denken.
f. Op die dag zal onze Verlosser op de aarde staan, of boven de aarde, om de doden uit hun graven te roepen en een onveranderlijke toestand voor hen vast te stellen want aan Hem is al het oordeel overgegeven. Hij zal ten laatste staan op het stof, waartoe deze aarde door de algemene brand teruggebracht zal worden.
2. Hij gelooft de gelukzaligheid van de verlosten, en zijn eigen recht en aanspraak op die gelukzaligheid, dat bij Christus' wederkomst de gelovigen opgewekt zullen worden in heerlijkheid, en aldus volkomen zalig gemaakt zullen zijn in het zien en genieten van God, en dit gelooft hij met toepassing op zichzelf.
A. Hij rekent op het verderf van zijn lichaam in het graf, en daarvan spreekt hij met heilige onbekommerdheid. Hoewel na mijn huid (die alreeds verteerd is, niets ervan overgebleven zijnde dan de huid van mijne tanden, vers 20), zij (dat is zij, die dit doen moeten, er voor aangesteld zijn, namelijk het graf en de wormen erin, waarvan hij had gesproken in Hoofdst. 17:14) dit lichaam zullen verderven. Het woord lichaam is bijgevoegd. "Hoewel zij dit, dit geraamte, deze schaduw, Hoofdst. 17:7, dit, waarop ik mijn hand leg," of (misschien wijzende naar zijn zwakke en verdroogde ledematen) "dit, hetwelk gij ziet-noem het zoals gij wilt- verderven, ik verwacht dat het weldra een feestmaal voor de wormen zijn zal." Christus' lichaam heeft geen verderfenis gezien, maar het onze moet het wel zien. En Job maakt hiervan melding teneinde de heerlijkheid van de opstanding die hij geloofde en waarop hij hoopte, zoveel glansrijker te doen uitkomen. Het is goed voor ons om dikwijls te denken, niet alleen aan de naderende dood van ons lichaam, maar van het bederf en de ontbinding in het graf, maar laat dit onze hoop niet ontmoedigen op de opstanding ervan, want dezelfde macht, die in den beginne uit gewoon stof des mensen lichaam heeft geformeerd, kan het ook uit zijn eigen stof opwekken. Dit lichaam, waarvoor wij thans zoveel zorg dragen zal binnen weinig tijds vernield worden. Zelfs mijne nieren, zegt Job, zullen binnen in mij verteerd worden, vers 27 het binnenste deel van het lichaam, dat misschien het eerst tot bederf overgaat.
B. Hij vertroost zich met de hoop op gelukzaligheid aan de andere kant van de dood en het graf. Nadat ik zal opwaken (aldus heeft het de kanttekening) zal ik hoewel dit lichaam vernield zal wezen, toch uit mijn vlees God aanschouwen.
a. Ziel en lichaam zullen weer bijeenkomen. Dat lichaam, hetwelk vernield moet worden in het graf, zal weer opgewekt worden als een heerlijk lichaam, ik zal toch uit mijn vlees God aanschouwen. De afgescheiden ziel heeft ogen om God te zien, ogen des geestes, maar Job spreekt van Hem te aanschouwen met vlesen ogen, uit mijn vlees met mijne ogen, hetzelfde lichaam, dat gestorven is, zal weer opstaan, een waar, wezenlijk lichaam, maar een verheerlijkt lichaam, geschikt voor de bezigheden en genietingen van die wereld, en derhalve een "geestelijk lichaam," 1 Corinthiers 15:44. Laat ons dus God verheerlijken met ons lichaam, dewijl er zo'n heerlijkheid voor is weggelegd.
b. Job en God zullen weer samenkomen. Uit mijn vlees zal ik God aanschouwen, dat is: de verheerlijkte Verlosser, die God is. Sommigen geven deze vertaling van die woorden: Ik zal God zien in mijn vlees, de Zoon van God, bekleed met een lichaam, dat zelfs voor vlesen ogen zichtbaar zal zijn. Hoewel het lichaam in het graf ellendig en verachtelijk schijnt, zal het toch verwaardigd en gelukkig gemaakt worden in het zien van God. Job klaagde er over dat hij nu nergens God kon zien, Hoofdst. 23:8, 9, maar hij hoopt Hem weldra te zullen aanschouwen en Hem dan nooit meer uit het oog te zullen verliezen, en dat zien van Hem zal na de tegenwoordige duisternis en afstand te meer welkom wezen. Het is de zaligheid van de zaligen, dat zij God zullen zien, Hem zullen zien gelijk Hij is, Hem zullen zien van aangezicht tot aangezicht, en niet langer door een spiegel in een duistere rede. Zie met welk een genot de Godvruchtige Job hierover uitweidt, vers 27 "Denwelke ik voor mij aanschouwen zal", dat is "zien en genieten zal, zien zal tot mijn eigen onuitsprekelijke vertroosting en voldoening. Ik zal Hem zien als de mijne, als de mijne met een toeëigenend zien", Openbaring 21:3. "God zelf zal bij hen en hun God zijn, zij zullen Hem gelijk wezen, want zij zullen Hem zien gelijk Hij is," dat is: zien voor henzelf, 1 Johannes 3:2. Mijne ogen zullen Hem zien en niet een anderen, vers 27.
Ten eerste. "Hij, en niet een ander voor Hem zal gezien worden, geen type of beeld van Hem, maar Hijzelf." Verheerlijkte heiligen zijn er volkomen zeker van dat zij niet bedrogen of misleid worden, het is geen "deceptio visus-geen zinsbedrog."
Ten tweede. "Ik, en geen ander voor mij, zal Hem zien. Of schoon mijn vlees, mijn lichaam, verteerd is, zal ik toch geen plaatsvervanger nodig hebben, neen ik zal Hem zien met mijn eigen ogen." Dit was het, waarop Job heeft gehoopt, en wat hij vuriglijk heeft begeerd, hetgeen, naar sommigen denken, de betekenis is van de laatste zinsnede, mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot, dat is: "AI mijn begeerten zijn hierin saamgevat dit zal ze alle kronen en voltooien, laat mij dit hebben, en ik zal niets meer begeren, dit is genoeg, dit is alles." Hiermede hebben de gebeden van David, de zoon van Isai, een einde.
IV. De toepassing hiervan op zijn vrienden. Uit zijn geloofsbelijdenis sprak troost voor hemzelf, maar waarschuwing en verschrikking voor hen, die zich tegen hem stelden.
1. Het was een woord van waarschuwing voor hen, om niet voort te gaan in hun onvriendelijke bejegening van hem, vers 28. Hij had hen bestraft voor hetgeen zij gezegd hadden, en nu zegt hij hun wat zij behoren te zeggen om henzelf en elkaar tot een betere gemoedsstemming te brengen. "Waarom vervolgen wij hem aldus? Waarom bedroeven en kwellen wij hem door hem te laken en te veroordelen, daar toch de wortel van de zaak, of de wortel van het woord, in hem wordt gevonden?" Laat dit ons besturen:
a. In onze zorg betreffende onszelf. Het is voor ons allen van het uiterste belang om wel toe te zien, dat de wortel van de zaak in ons wordt gevonden. Een levend en levenwekkend, heersend beginsel van genade in het hart is de wortel van de zaak, even nodig voor onze Godsdienst als de wortel nodig is voor de boom, waaraan hij beide zijn vastigheid en zijn vruchtbaarheid verschuldigd is. Liefde tot God en onze broederen, geloof in Christus, haat tegen de zonde, deze zijn de wortel van de zaak, in vergelijking hiermede zijn andere dingen slechts bladeren, ernstige Godsvrucht is het ene nodige.
b. In ons gedrag jegens onze broederen. Wij moeten geloven dat in velen, die het niet in alles met ons eens zijn, hun dwaasheden en gebreken hebben en hun vergissingen en dwalingen, de wortel van de zaak gevonden wordt, en tot de gevolgtrekking komen dat het op ons gevaar is, indien wij de zodanigen vervolgen. Wee hem, die een van deze kleinen ergert! God zal het euvel opnemen en het wreken. Job en zijn vrienden verschilden in sommige begrippen betreffende de methoden van Gods voorzienigheid, maar omtrent de wortel van de zaak waren zij het eens, het geloof aan een andere wereld, en daarom hadden zij elkaar niet moeten vervolgen wegens deze verschillen.
2. Het was een woord van verschrikking voor hen. Christus' wederkomst zal zeer schrikkelijk wezen voor hen, die "hun mededienstknechten slaan," Mattheus 24:49, en daarom: "schroomt vanwege het zwaard, vers 29, het vlammende zwaard van Gods gerechtigheid, dat zich naar alle zijden keert, vreest daaraan blootgesteld te worden." Godvruchtige mensen hebben het nodig om door de verschrikkingen des Almachtigen weggeschrikt te worden van de zonde, inzonderheid van de zonde om roekeloos hun broederen te oordelen, Mattheus 7:1, Jakobus 3:1. Zij, die gemelijk en driftig zijn in de omgang met hun broederen, hen bevitten en bedillen, zich boosaardig tegen hen uitlaten moeten weten dat hun toorn Gods gerechtigheid niet werkt, maar:
a. Dat zij kunnen verwachten er voor te lijden in deze wereld, hij brengt de straf des zwaards, vers 29. Toorn leidt tot misdaden, die de mensen blootstellen aan het zwaard van de magistraat, en God doet er dikwijls wraak over, en zij, die geen barmhartigheid betoond hebben, zullen geen barmhartigheid vinden.
b. Indien zij zich niet bekeren, dan zal dit een voorproef zijn van erger. Hieraan kunt gij weten dat er een gericht is, niet slechts een tegenwoordige regering, maar een toekomstig gericht, voor hetwelk van harde woorden rekenschap afgelegd zal moeten worden.