Jeremia 8:4-12
De profeet wordt hier gelast voor dit volk te plaatsen de dwaasheid van hun onboetvaardigheid, die de oorzaak was, dat het verderf over hen kwam. Zij worden hier voorgesteld als het domste, onverstandigste volk ter wereld, dat zich niet wilde laten onderrichten door al de middelen, die de Oneindige Wijsheid te baat nam om hen tot inkeer te brengen en hun geest recht te zetten en aldus het over hen komende verderf te voorkomen.
I. Zij wilden niet luisteren naar de voorschriften van de rede. In zake hun zielen wilden zij niet handelen met de voorzichtigheid, waarmee zij in andere opzichten handelden. Zondaren zouden heiligen worden, als zij zich maar mannen toonden, en als `t gezond verstand hen regeerde, zou de godsdienst weldra eveneens doen. Kom, en laat ons samen redeneren, zegt de Heere, vers 4, 5. Zal men vallen en niet weer opstaan? Als men eens op de grond, in het stof, valt, zal men dan niet zo gauw mogelijk weer opstaan? Zo dwaas zijn zij niet om te blijven liggen, als zij vallen. Zal iemand van de rechte weg afkeren? Ja, de oplettendste reiziger kan afdwalen, maar zal hij niet wederkeren, zodra hij het gewaar geworden is? Ja, zeker zal hij dat, met alle haast, en hij zal bedanken wie hem zijn vergissing bekend maakt. Zo doet men in andere gevallen. Waarom keert dan dit volk te Jeruzalem af met een altoosdurende afkering? Waarom haasten zij zich niet, als zij in zonde vervallen zijn, weer op te staan door berouw? Waarom, als zij zien, dat zij van de weg verdwaald zijn, herstellen zij hun dwaling en verbeteren zij zich niet? Niemand, die zijn verstand heeft, zal voortgaan op een weg, wanneer hij weet, dat die hem niet aan het doel van de reis zal brengen, waarom keert dan dit volk af met een altoosdurende afkering? Zie de aard van de zonde, zij keert af, zij keert af van de rechte weg, met alleen naar een zijpad, maar naar een verkeerd pad, van de weg af, die ten leven leidt naar dien, die tot volkomen ondergang voert. En deze afkering zal een altoosdurende afkering zijn, als de almachtige genade niet tussenbeide komt om het te beletten. De zondaar wandelt niet alleen eindeloos, maar regelrecht in zijn verderf. Dezelfde sluwheid van de verleider, die iemand tot zonde brengt, houdt hem daar ook in vast, en zij helpen mee aan hun eigen gevangenschap. Zij houden vast aan bedrog Zonde is een groot bedrog en zij houden er aan vast, zij hebben het zo lief, en zijn besloten zich er aan vast te klampen, en alle middelen, die God in `t werk stelt om hen van hun zonden af te scheiden, te verijdelen. De verontschuldigingen, die zij maken voor hun zonden, zijn bedrog, eveneens al hun verwachtingen van straffeloosheid, toch houden zij er aan vast, en willen niet ontgoocheld zijn, en daarom weigeren zij terug te keren.
Merk op, die hardnekkig op hun zondige wegen voortgaan, houden zich altijd aan een of ander bedrog vast, hebben een leugen in hun rechterhand, waardoor ze hun zonden vasthouden.
II. Zij wilden niet luisteren naar de stem van hun geweten, naar hetgeen hun eigen verstand hun zei aangaande hen zelf en hun daden, vers 6. Let er op,
1. Welke verwachting van hen gekoesterd werd, dat zij zich zouden bedenken. Ik heb geluisterd en toegehoord. De profeet luisterde om te vernemen welke uitwerking zijn prediking op hen had, God zelf luisterde, als één, die niet de dood des zondaars begeert, die blij is iets te horen, dat berouw doet veronderstellen, die zeker zou gelet hebben op wat in die richting te beluisteren viel, en daarop onmiddellijk met Zijn troost zou geantwoord hebben, gelijk David ervoer toen hij zei: "Ik zal belijdenis doen," Psalm 32:5. "God ziet des mensen aangezicht aan," wanneer zij iets verkeerds gedaan hebben, Job 33:20, om af te wachten wat zij vervolgens zullen doen, "Hij luistert en hoort." 2. Hoe die verwachtingen teleurgesteld zijn. Zij spreken niet wat recht is, gelijk Ik dacht, dat zij zouden doen. Niet alleen deden zij onrecht, maar zij spraken ook geen recht, God vernam geen goed woord van hen, niets waarop Hij hoop of gunst kon bouwen. Daar is niemand van hen, die spreekt wat recht is, niemand die berouw heeft over zijn boosheid. Zij, die hebben gezondigd, spreken alleen dan recht, wanneer zij spreken van berouw, en het is droevig, wanneer zij, die zoveel gedaan hebben, dat berouw nodig heeft, geen woord van berouw spreken. Niet alleen heeft God geen woord van berouw over nationale zonden van hen vernomen, waardoor de mate van de nationale schuld mocht verminderd worden, maar niemand toonde zelfs berouw over de persoonlijke goddeloosheid, waaraan hij schuldig stond.
a. Ze deden zelfs de eerste schrede niet op de weg van berouw, zij zeiden zelfs niet: Wat heb ik gedaan? Geen neiging daarheen, niet het geringste teken ervan. Zie, waar berouw begint met een ernstig en onpartijdig zelfonderzoek, wat wij gedaan hebben, voortspruitende uit een overtuiging, dat wij verkeerd hebben gehandeld.
b. Zo verre waren zij van berouw over hun zonde, dat zij vastbesloten daarin volhardden: Een ieder keert zich om in zijn loop, zijn goddeloze loop, de weg van de zonde, die zij gekozen en waaraan zij zich gewend hadden, gelijk een onbesuisd paard in de strijd, tuk op actie, en onwillig om tegengehouden te worden. Hoe het paard ten strijde snelt, wordt prachtig beschreven in Job 39:21 enz. "Het belacht de vreze en wordt niet ontsteld." Zo belacht de onbeschaamde zondaar om de bedreiging van het Woord als men om een boeman lacht, en holt met alle geweld op de instrumenten van dood en verderf in, door niets gestuit.
III. Zij wilden naar de voorschriften van de voorzienigheid niet luisteren, noch Gods stem daarin opmerken, vers 7.
1. Het is een bewijs van hun dwaasheid, dat zij, Gods volk zijnde en daarvoor in staat, Zijn bedoeling met Zijn woorden te verslaan, toch het recht des Heeren niet weten: zij verstaan de betekenis van barmhartigheid noch die van beproeving, weten zich er niet naar te schikken noch aan Gods bedoeling te beantwoorden. Zij weten geen gebruik te maken van de tijden van de genade, die God hun geeft wanneer Hij Zijn profeten zendt, noch naar Zijn bestraffingen te luisteren, als "Zijn stem roept in de stad. Zij weten de tekenen van de tijden niet te onderscheiden," Mattheus 16:3, en worden niet gewaar, dat God met hen handelt. Zij kennen de weg van de plicht niet, die God hun voorschrijft, hoewel die beide in hun hart en in Zijn boek geschreven staat.
2. Hij verergert hun dwaasheid, dat lagere schepselen zoveel scherpzinnigheid vertonen. De ooievaar aan de hemel weet zijn gezette tijden van komen en gaan, evenzo andere trekvogels, de tortelduif, kraanvogel en zwaluw. Door hun natuurlijk instinct gedreven, veranderen deze van woonplaats, naar het weer verandert, zij komen met de lente en vertrekken, wanneer de winter nadert, naar warmer klimaat, terwijl andere vogels in de lente gaan en tegen de winter weerkeren.
IV. Zij wilden niet luisteren naar het geschreven woord. Zij zeggen: Wij zijn wijs, maar hoe kunnen zij dat zeggen? vers 8. Hoe kunnen zij zo stout zijn te beweren, dat zij enige wijsheid bezitten. als zij nog dommer zijn dan de redeloze schepselen? Wel, zij achten zich wijs, omdat de wet des Heeren bij hen is, het boek van de wet en de uitleggers, en hun buren noemden hen om dezelfde reden wijs Deuteronomium 4:6. Toch missen hun beroeringen allen grond. Zie, waarlijk tevergeefs werkt de pen van de Schriftgeleerden, zeker diende de Schrift bij geen volk tot zo weinig goeds. Zij konden evengoed zonder wet zijn geweest, en zij er geen beter gebruik van hebben gemaakt. God heeft het inderdaad zo laten schrijven, dat de mensen er wijs door kunnen worden tot zaligheid, maar voor hen is het tevergeefs geschreven, want zij zijn er niet wijzer door geworden. De pen van de Schriftgeleerden, van hen, die het eerst de gewijde boeken schreven, en van hen, die ze daarna uitlegden, is vergeefs geweest, zowel de gunst Gods als de arbeid dier schrijvers is aan hen verloren, die genade Gods is hun tevergeefs geschonken. Let op, velen zijn er, die een overvloed van genade genieten, die Bijbels en predikanten genoeg hebben, maar zij hebben ze tevergeefs, zij beantwoorden niet aan het doel dier genade. Maar men kan zeggen: Er zijn toch wijze mensen onder hen, voor wie de wet en de pen van de schrijvers niet onnut zijn geweest. Hierop luidt het antwoord: De wijzen zijn beschaamd, omdat zij geen beter gebruik van hun wijsheid hebben gemaakt en niet dienovereenkomstig geleefd. Zij zijn verschrikt en gevangen, al hun wijsheid heeft hen niet teruggehouden van die wegen, die op hun verderf uitlopen. Zij zijn in dezelfde strikken gevallen als hun naburen, die niet op zoveel wijsheid stoften, en in dezelfde verdwazing gevallen. Degenen, die meer kennis hebben dan anderen en toch niet beter handelen dan zij hebben reden zich te schamen. Zij spreken van hun wijsheid: ziet, zij hebben des Heeren Woord verworpen, zij wilden er niet door geregeerd worden noch Zijn regel volgen, wilden niet doen naar hun kennis en dan, wat wijsheid is in hen? Generlei, die iets baat, generlei, die hen helpen zal in de grote dag, hoe zij er nu zich ook op verheffen. Die wijsheid beweren te bezitten en zeggen: Wij zijn wijs en des Heeren wet is bij ons, zijn de priesters en valse profeten, met hen spreekt de profeet hier onomwonden.
1. Hij dreigt hen met Gods oordelen. Hun vrouwen en akkers zullen anderen gegeven worden vers 10, wanneer zij gevangen genomen worden, hun zegevierende vijand zal ze nemen en geven aan wie ze zullen beërven niet maar voor een tijd, maar voor altijd zullen die ze verkrijgen en hun kinderen nalaten. En vers 12, met al hun roemen op wijsheid en heiligheid, zullen ze vallen onder de vallenden, want zo de blinde de blinde leidt, zullen ze beiden in de gracht vallen. In de tijd hunner bezoeking, wanneer naar de goddeloosheid van hun land onderzoek wordt gedaan, zal bevonden worden, dat zij meer gedaan hebben dan iemand, daarom zullen zij zeker nedergeworpen en uitgeworpen worden.
2. Hij geeft reden voor deze oordelen, vers 10-12, dezelfde reden, als wij tevoren vonden voor hun goddeloosheid, Hoofdstuk 6:13-15, daar spraken wij er reeds van.
a. Zij waren begerig naar de rijkdom van deze wereld, wat reeds in elkeen slecht is, maar vooral in profeten en priesters, die het best bekend moesten zijn met een andere wereld en daarom van de tegenwoordige afgestorven. Maar dezen, "van de kleinste tot de grootste, hadden zich overgegeven aan geldgierigheid. Hare priesters leren om loon, en haar profeten waarzeggen om geld," Micha 3:11.
b. Zij nemen het niet ter harte, als zij liegen, zelfs niet wanneer zij als priesters en profeten spreken: ieder spreekt valselijk ziet de ene weg uit, maar wandelt op een andere. Oprechtheid bestaat niet meer onder hen.
c. Zij vleiden het volk in zijn zonden, en bereidden het voor het verderf. Zij beweerden geneesmeesters van de staat te zijn, maar wisten geen goede middelen voor de toenemende krankheden, zij genazen ze op het lichtst, brachten de patiënt om door pijnstillende middelen en susten vrees en klachten met: Vrede, vrede, alles is wel, er is geen gevaar, terwijl de God des hemels voortgaat met hen te richten, zodat alle vrede vergaat. d. Toen het openbaar werd, dat zij hun patiënten zo onverantwoordelijk mishandelden, schaamden zij zich niet maar beroemden er zich zelf op, vers 12. Zij weten niet schaamrood te worden, zo zeer hadden zij alle gevoel van deugd en eer uitgeschud. Wanneer zij van hun grove bedriegerijen overtuigd werden, trachtten zij ze nog te bewimpelen en lachten om degenen, die zij bedrogen hadden. Dezulken waren rijp voor het verderf.