Deuteronomium 20:1-9
Israël kon toen eerder als een leger dan als een koninkrijk worden beschouwd, een leger gereed om het land van de vijand binnen te rukken en nog niet gevestigd in een eigen land, en behalve nog de strijd, die zij nu gingen voeren, teneinde een vestiging te verkrijgen, konden zij ook daarna hun eigen grenzen niet verdedigen, of uitbreiden, zonder krijgsgeschrei te horen, daarom was het nodig, dat hun leiding en aanwijzing gegeven zouden worden voor hun militaire aangelegenheden, en in deze verzen wordt hen geleerd hoe hun troepen te besturen, te rangschikken en in slagorde te stellen. En het is opmerkelijk dat de hier voorgeschreven krijgstucht zo weinig hard en streng is, zoals krijgswetten anders gewoonlijk zijn, dat de gehele strekking er van is de krijglieden te bemoedigen en hun dienst licht te maken.
I. Zij, die tot strijden gezind waren, moesten aangemoedigd worden.
1. Mozes geeft hun hier een algemene aanmoediging, die de aanvoerders en bevelhebbers in de strijd voor zichzeIven moeten nemen, vers 1, "Gij zult voor hen niet vrezen. Al schijnt de vijand nog zozeer het voordeel over u te hebben daar hij talrijker is dan gij en al bestaan zijn legers ook grotendeels uit paarden en wagenen, die gij voor u niet moogt vermenigvuldigen, zo weigert toch niet de strijd met hen aan te vangen, vreest niet voor de uitslag, twijfelt niet aan voorspoed". Er zijn twee dingen, die hen moeten bemoedigen in de oolog, mits zij zich vast aan hun God en Godsdienst hielden, want anders zouden zij deze bemoedigende zaken verbeuren.
a. De tegenwoordigheid Gods onder hen. "De Heere, uw God, gaat met u, en daarom zijt gij niet in gevaar, en behoeft gij niet te vrezen". Zie Jesaja 41:10.
b. De ervaring, die zij en hun vaderen hadden van Gods macht en goedheid, door hen op te voeren uit Egypteland in weerwil van Farao en zijn leger, hetwelk niet slechts in het algemeen een bewijs was van Gods almacht, maar voor hen in het bijzonder een onderpand van hetgeen God nog verder voor hen doen zal. Hij, die hen redde uit de hand van die grotere vijanden, zal hen niet laten vertreden door degenen, die minder machtig zijn, om aldus alles wat Hij voor hen gedaan had teniet te maken.
2. De bemoedigende toespraak moest inzonderheid tot de gewone soldaten worden gericht, door een priester, die daartoe aangesteld en, naar de Joden zeggen, gezalfd was, en allen zij de gezalfden van de strijd noemden, een zeer gepaste titel voor onze gezalfde Verlosser de overste leidsman van onze zaligheid. Deze priester moest, in de naam van God, het volk aanmoedigen, en wle was hiertoe zo geschikt als hij, wiens ambt als priester het was om voor hen te bidden? Want de beste aanmoediging komt voort uit de dierbare beloften gedaan aan het gebed des geloofs. Deze priester moest:
A. Hen gebieden niet bevreesd te zijn, vers 3, want niets maakt de handen zo slap als hetgeen het hart doet beven, vers 3. Hiervoor is gebod op gebod nodig, zoals het hier ook wordt gegeven. Laat uw hart niet week zijn, om al de indrukken van vrees in zich op te nemen, maar laat een gelovig vertrouwen in de macht en belofte van God het versterken. "Vreest niet, en maak geen haast (zoals het woord is in het oorspronkelijke) want die gelooft, maakt niet meer haast dan nodig is om goede voortgang te hebben. Maakt niet roekeloos haast, hetzij om op uw voordeel vooruit te lopen, of om laaghartig bij elk nadeel op de vlucht te slaan." B. Hij moet hun de verzekering geven van Gods tegenwoordigheid onder hen, om hun rechtvaardige zaak te erkennen en voor te staan, en niet slechts hen van hun vijanden te redden, maar hun de overwinning over hen te geven, vers 4. Zij, met wie God is, hebben geen reden om te vrezen. Dat deze bemoediging gegeven moet worden door de priester, een van `s Heeren dienstknechten, geeft te kennen:
a. Dat het zeer gepast is voor veldlegers om predikers te hebben, niet alleen om voor hen te bidden, maar ook om voor hen te prediken, beide om te bestraffen hetgeen hun voorspoed in de weg zou staan en om hun hoop op voorspoed op te wekken.
b. Dat het het werk is van Christus' dienstknechten om Zijn goede krijgsknechten aan te mcedigen in hun geestelijke strijd tegen de wereld en het vlees, en hun te verzekeren dat zij overwinnaars zullen zijn, ja meer dan overwinnaars door Christus, die ons liefgehad heeft.
II. Zij, die ongeschikt waren tot strijden moesten ontslagen worden, hetzij de ongeschikt heid voortkwam:
1. Uit iemands uitwendige omstandigheden, zoals:
a. Wanneer hij kort tevoren een nieuw huis had gebouwd of gekocht, en er nog geen bezit van had genomen, het nog niet heeft ingewijd, vers 5, dat is, nog geen plechtig feestmaal heeft aangericht om zijn vrienden te onthalen, die gekomen zijn om hem welkom te heten in zijn huis, Laat hem naar huis gaan en het lieflijke smaken van hetgeen God hem gegeven heeft, totdat hij, na er enige tijd het genot van gehad te hebben, er minder aan gehecht is, en bijgevolg in de oorlog er minder door afgeleid zal worden bij de gedachte eraan, en meer bereid zal zijn om te sterven en het te verlaten. Want dat is in de aard van al onze wereldlijke genietingen: in het eerst behagen zij ons het meest, na een tijdje zien wij er de ijdelheid van in. Sommigen denken dat deze inwijding van hun huizen een Godsdienstige daad was, dat zij er met gebed en lofzegging bezit van namen, met een plechtige toewijding van zichzelf en alles wat zij hadden aan de dienst en de eer van God. David heeft bij een dergelijke gelegenheid de 30sten psalm gedicht zoals blijkt uit het opschrift er van. Hij, die een eigen huis heeft, behoort het te wijden aan God door er de vreze en aanbidding van God in hoog te houden, opdat hij een kerk, een gemeente, in zijn huis zal hebben, en hiervan moet men zich door niets laten afleiden. Of:
b. Indien iemand grote onkosten heeft gemaakt om een wijngaard te planten, en verlangd heeft er de vrucht van te genieten, hetgeen hem in de eerste drie jaren verboden was door de wet in Leviticus 19:23 en verv, zo laat hem, indien hij het begeert, naar huis gaan, en zijn verlangen naar de vrucht bevredigen, vers 6. Zie, hoe toegevend God voor Zijn volk is in onschuldige dingen, en hoe verre van een harde meester te zijn. Daar het natuurlijk in ons is van de arbeid van onze handen te willen eten, zal een Israëliet veeleer van de krijgsdienst worden ontslagen, dan hierin gedwarsboomd te worden. Of:
c. Als iemand het besluit heeft genomen om te trouwen, en het huwelijk nog niet voltrokken is, dan stond het hem vrij om terug te keren, vers 7, en ook om nog een jaar na zijn huwelijk thuis te blijven, Hoofdstuk 24:5, want de verschrikkingen van de oorlog zullen onaangenaam wezen voor een man, die zo pas de zachte huwelijksband heeft geknoopt en het lieflijke van een eigen huiselijk leven is begonnen te smaken. En God wilde in Zijn oorlogen niet gediend zijn door gepreste mannen, die tegen hun wil naar het leger gevoerd werden, zij moeten volkomen vrijwilligers zijn, Psalm 110:3. UW volk zal zeer gewillig zijn. Bij het lopen van de Christelijke loopbaan en het strijden van de goede strijd des geloofs, moeten wij alle last afleggen, alles wat onze ziel zou belemmeren en afleiden en ons onwillig zou maken. De Joodse schrijvers zijn eenstemmig van gevoelen, dat deze vrijheid om terug te keren, alleen was toegestaan in oorlogen, die zij vrijwillig ondernamen (zoals bisschop Patrick het uitdrukt) niet in die, welke op Gods bevel gevoerd werden tegen Amalek en de Kanaänieten en waarin ieder man verplicht was mee uit te trekken.
2. Indien iemands ongeschiktheid voor de krijg voortkwam uit de zwakheid en vreesachtigheid van zijn geest, dan had hij verlof om terug te keren uit de strijd, vers 8. Gideon heeft deze bekendmaking afgekondigd in zijn leger, en toen zijn meer dan twee derden er van teruggekeerd, Richteren 7:3. Sommigen denken dat die versaagdheid en vrees, welke hier verondersteld worden, voortkwamen uit een boos geweten, waardoor een mens bevreesd wordt dood en gevaar onder de ogen te zien. In die tijd dacht men, dat mannen van een ongeregeld losbandig leven geen goede soldaten konden zijn, lafhartig en een vloek voor het leger zouden bevonden worden, er schande en onrust over zouden brengen, en daarom moesten zij, die bij zichzelf van schuld bewust waren weggezonden worden. Maar het schijnt veeleer bedoeld te zijn van een natuurlijke, aangeboren vreesachtigheid. Het was ten dele in vriendelijkheid voor hen, dat zij ontslagen werden, (wel beschaamd gemaakt, maar tevens ontheven van een last, die voor hen te zwaar was om te dragen) maar nog veel meer in vriendelijkheid voor de overigen van het leger, die hierdoor bevrijd werden van hen, die wel een belemmering, maar van hoegenaamd geen nut of dienst waren, terwijl tevens het gevaar werd voorkomen dat hun lafhartigheid en vlucht aanstekelijk zouden werken op de anderen, dat is de reden, die er hier voor wordt gegeven: opdat het hart van zijn broeders niet smelte gelijk zijn hart. Vrees is besmettelijk, en is in een leger van de allerverderfelijkste gevolgen. Wij moeten er ons voor hoeden om de vrees te vrezen van hen die verschrikt zijn, Jesaja 8:12.
Eindelijk. Hier wordt bevolen dat als alle lafaards weggezonden zijn, de oversten aangesteld moeten worden, vers 9, want het was op zeer bijzondere wijze nodig dat de aanvoerders en bevelhebbers mannen van moed zouden zijn. Die hervorming moest dus plaatshebben bij de eerste monstering en rangschikking van het leger. De krijgsknechten van Christus hebben het nodig kloekmoedig te zijn, ten einde zich manmoedig te kunnen gedragen en verdrukkingen te kunnen lijden als goede krijgsknechten, inzonderheid de officieren van Zijn leger.