Exodus 14:1-9
Wij hebben hier:
1. Instructies, gegeven aan Mozes, betreffende Israëls bewegingen en legeringen, die zó verrassend waren, dat zij, indien Mozes er tevoren geen uitdrukkelijke orders voor ontvangen had, nauwelijks bewogen waren geworden om de wolk- en vuurkolom te volgen. Opdat hier nu geen moeilijkheid of ontevredenheid over zijn zou, wordt aan Mozes tevoren gezegd:
1. Waarheen zij gaan moeten, vers 1,2. Zij waren tot aan de rand van de woestijn gekomen, Hoofdstuk 13:20, nog een paar dagreizen zouden hen tot Horeb gebracht hebben, de bestemde plaats, waar zij God moesten dienen. Maar in plaats van nu voorwaarts te gaan, wordt hun bevolen terug te keren rechts van Kanaän, en naar de Rode Zee te gaan. Toen zij te Etham gelegerd waren, was er geen zee in de weg om hun voortgang te beletten, maar God zelf gebiedt hun naar die engte te gaan, hetgeen hun de verzekering kon geven, dat Hij, als Zijn doeleinden volbracht waren, hen zonder falen weer uit die engte uit zou voeren. God brengt soms moeilijkheden op de weg van de verlossing van Zijn volk, ten einde de heerlijkheid te hebben van ze te overwinnen en er Zijn volk over heen te helpen.
2. Wat God bedoelde met deze zo vreemde orders. Mozes zou Hem een onbepaalde, onvoorwaardelijke gehoorzaamheid betoond hebben, al had Hij er hem geen reden voor opgegeven, maar zal Hij voor Mozes verbergen wat Hij doet? Neen, Mozes zal weten:
a. Dat Farao voornemens is Israël te verderven, vers 4.
b. Dat God daarom het voornemen heeft Farao te verderven, en Hij kiest die weg om dit voornemen te volvoeren, vers 4. Farao's schranderheid zal hem tot de gevolgtrekking brengen, dat Israël verward was in de woestijn, en aldus een gemakkelijke prooi voor hem zou zijn, en opdat hij des te meer geneigd zou zijn dit te denken, beveelt God, dat zij nog verder van de weg zouden gaan, om in nog groter verwarring geraakt te schijnen, zodat hij nu kon onderstellen, dat zij zich in een toestand van grote verlegenheid en gevaar bevonden. En aldus- zegt God-zal Ik aan Farao verheerlijkt worden. Daar alle mensen gemaakt zijn tot eer van hun Maker, zal Hij aan hen verheerlijkt worden, door wie Hij niet verheerlijkt wordt. Hetgeen het verderf schijnt te wezen voor de kerk, wordt dikwijls zo geleid dat het het verderf wordt van de vijanden van de kerk, wier hoogmoed en boosaardigheid door de leidingen van Gods voorzienigheid gevoed worden, ten einde hen rijp te maken voor het verderf.
II. Farao's najagen van Israël, waarmee hij terwijl hij zijn eigen boosaardigheid en wraaklust bevredigt, meewerkt tot de vervulling van Gods raad omtrent hem. Hem werd geboodschapt dat het volk vluchtte, vers 5. Toen hij hun verlof gaf om heen te gaan, was hij in grote angst, maar niet zodra was die angst een weinig tot bedaren gekomen, of hij was vergeten, of wilde misschien niet erkennen, dat zij met zijn toestemming waren vertrokken, en daarom was het hem niet ongevallig dat het voorgesteld werd als een opstand tegen zijn gezag, een opzeggen van hun trouw en gehoorzaamheid aan hem. Aldus kan wat gemakkelijk te rechtvaardigen is gemakkelijk veroordeeld worden door het in een vals daglicht te plaatsen. Hierop:
1. Denkt hij er aan met berouw, dat hij hun vertrek oogluikend had toegelaten. Hoewel er alle reden voor was dat zij Israël hadden laten trekken, waren Farao en zijn knechten er toch toornig om op zichzelf: Waarom hebben wij dat gedaan? a. Het was hun leed het griefde hen, dat Israël vrij was, dat zij het profijt van hun arbeid kwijt waren, en het genoegen niet meer hadden om hen te straffen. Voor trotse verdrukkers is het spijs en drank om de heiligen van de Allerhoogste te vertreden en tot hun zielen te zeggen: Buigt u neer dat wij over u gaan, en daarom grieft het hen, dat hun nu de handen gebonden zijn. De vrijheid van Gods volk is een bittere kwelling voor hun vijanden, Esther 5:12, 13, Handelingen 5:17, 33. Het verzwaarde hun verdriet, dat zij zelf er in bewilligd hadden, daar zij nu bedachten dat zij het hadden kunnen verhinderen, dat zij niet hadden behoeven toe te geven, al hadden zij dan ook tot het uiterste moeten volhouden. Aldus maakt God nijd en toorn van de mensen tegen Zijn volk tot een kwelling voor henzelf, Psalm 112:10. Zij hadden wèl gedaan met Israël te laten trekken en zij zouden er met tevredenheid van gemoed aan hebben kunnen denken, indien zij het uit een eerlijk, oprecht beginsel gedaan hadden, maar, het gedaan hebbende door er toe gedwongen te zijn, noemden zij zich duizendmaal dwaas dat zij het gedaan hebben, en wensten hartstochtelijk het weer ongedaan te maken. Het is iets heel gewoons, maar iets dat zeer ongerijmd en misdadig is, dat de mensen berouw hebben van hun goede daden, hun rechtvaardigheid en barmhartigheid, ja zelfs hun berouw berouwt hun. Zie een voorbeeld van iets dergelijks in Jeremia 34:10, 11.
2. Hij besluit om hen, zo mogelijk, terug te brengen, of anders wraak op hen te oefenen. Te dien einde brengt hij een leger op de been monstert al zijn legermacht van wagens en ruiters, vers 17, 18, (want hij schijnt geen voetvolk meegenomen te hebben, omdat de zaak van de konings haast had) en zo twijfelt hij niet of hij zal hen weer terugvoeren in slavernij, vers 6, 7. Men kan zich gemakkelijk voorstellen in welk een staat van woede Farao zich nu bevond, brullende gelijk een leeuw als hij geen buit heeft, hoe zijn hoogmoedig hart de vernedering nog dieper maakte, zwol van toorn, van geen nederlaag wilde weten, hijgde naar wraak, nu zijn al de plagen alsof zij er nooit geweest waren, de treurige sombere begrafenissen van de eerstgeborenen zijn vergeten, hij kan aan niets anders denken dan Israël zijn toorn te doen gevoelen. Nu denkt hij Gode zelf te sterk te zullen zijn, immers, hoe zou hij anders kunnen hopen een volk ten onder te zullen brengen, dat Hem zo dierbaar is? God gaf hem over aan deze bedenkselen van zijn hart, en heeft het aldus verhard. In vers 8 wordt gezegd, dat de kinderen Israëls met een hoge hand) waren uitgegaan, dat is: met zeer veel kloekmoedigheid, juichende in hun bevrijding, en vastbesloten om door de moeilijkheden, die zich op hun weg zouden voordoen, heen te breken, maar de Egyptenaars joegen hen na, vers 9. Zij, die in volle ernst hun aangezicht hemelwaarts richten en godzalig willen leven in Christus Jezus, moeten verwachten door Satans verzoekingen en verschrikkingen achtervolgd en aangevallen te worden. Hij zal niemand gedwee uit zijn dienst laten weggaan, noch van hen uitgaan zonder hen te scheuren, Markus 9:26.